86
TURIJN
Erica Craxi beeft nog steeds. En met reden.
Goria laat de vierenvijftigjarige vrouw over aan zijn collega Dario, terwijl hij met Nic praat. ‘Haar man is niet hier.’
De Amerikaan kijkt bezorgd. ‘Dat telefoontje, heb ik...?’
‘Nee. Dat was het niet. Hij was al weg voordat jij belde. Volgens zijn vrouw hoorde hij buiten iets en ging hij met zijn pistool op onderzoek uit. Hij zei dat ze door de achterdeur naar buiten moest gaan en zich in het bos moest verstoppen tot hij terugkwam.’
Nic knikt in de richting van Goria’s collega. ‘Hoorde Craxi jouw mannetje rond het huis lopen?’
Goria schudt zijn hoofd. ‘Nee, die was het niet. Dario hoorde ook iets maar hij wilde zijn schuilplaats niet verraden. Hij zag Craxi naar buiten komen en ging achter hem aan. Iemand gaf hem een klap voor zijn kop en spoot een slaapmiddel in zijn nek. Nu denkt hij dat ik hem zal ontslaan omdat ik niets aan hem heb gehad.’
‘En ga je dat ook doen?’
‘Vast wel, maar niet vanavond. Vanavond is er nog veel te doen.’
‘En, waar is Craxi nu?’
‘Zijn vrouw weet het niet.’
‘En jouw mannen – jouw team – hebben die niets gezien?’
‘Schijnbaar niet.’ Goria zwijgt. Iemand is hem te slim af geweest, heeft hem voor gek gezet. Nu zal die politieman uit Los Angeles met zijn machtige vrienden bij de FBI zijn kwaliteiten in twijfel gaan trekken. ‘Laten we naar binnen gaan en met de signora gaan praten. Misschien kan zij ons helpen.’ Nic vraagt zich af wie zijn telefoontje heeft opgenomen, wie er naar hem luisterde toen hij dacht dat hij Craxi aan de lijn had. Goria roept met zijn walkietalkie de rest van zijn team op uit hun surveillanceposities. Het huisje is klein en eenvoudig. Kale board muren, een los kleed op de grond en een houtkachel met de laatste gloeiende sintels van wat een uur geleden nog een laaiend vuur was. Twee banken met dikke rode dekens erover staan tegenover elkaar aan weerskanten van een lage tafel van sloophout, die vol ligt met boulevardbladen en oude paperbacks.
Erica Craxi nestelt zich in een holte in de bank. Nic kan zien dat dat haar vaste plek is, iets wat bevestigd wordt door een bijna lege koffiemok met lipsticksporen op de grond bij haar voeten. Goria gaat naast haar zitten. Ze trekt beschermend een deken om haar knieën en probeert niet te beven terwijl hij zachtjes in het Italiaans praat. Op dit moment lijkt ze veel ouder dan haar vierenvijftig jaren. Haar grijze haren zitten in de war en er hangen klonten aarde en bladsnippers in. Haar ogen zijn donker van de tranen en de doorgelopen mascara. Dario verschijnt uit de keuken met een glas water en een natte handdoek om de schrammen op haar gezicht schoon te maken.
Goria spreekt op gedempte toon terwijl hij Nic groet. ‘De signora zegt dat Roberto ervan overtuigd was dat er mensen waren die hen omsingelden. Hij dacht dat hij buiten iets zag bewegen en pakte zijn pistool om te kijken. Hij zei tegen Erica dat ze zich in het bos moest verstoppen tot hij terug was, want hij wist dat ze geen schijn van kans zou hebben als er iemand het huisje binnen zou gaan. Hoe dan ook, toen hij weg was, aarzelde ze.’ Goria moet bijna lachen, en fluistert dan nog zachter. ‘Ze wilde eerst naar het toilet. Terwijl ze daar zat, hoorde ze een telefoon overgaan. De telefoon die wij door een raam hadden gegooid. Daar werd ze bang van, vooral toen hij voor de tweede keer overging en ze iemand in het huisje hoorde lopen. De telefoon ging opnieuw. Ze bleef waar ze was en luisterde hoe de indringer met de telefoon naar de plek liep waar wij nu zitten. Dat was het moment waarop ze het bos in vluchtte en wij arriveerden.’
‘Wij hebben degene die hier was dus net gemist?’
‘Daar lijkt het wel op.’
Nic richt zijn aandacht op de vrouw van de man die hij duizenden kilometers is nagereisd. ‘Signora, ik ben hierheen gekomen om met uw man te praten over Tamara Jacobs, een schrijfster uit Hollywood – weet u wie ik bedoel?’
Ze zegt niets, kijkt hem slechts aan met bange ogen en knikt. Het is een klein gebaar, maar Nic voelt een golf van opluchting door hem heen gaan. ‘Mevrouw Jacobs is dood,’ zegt hij. ‘Ze is vermoord.’
Erica Craxi houdt een zakdoek bij haar neus. Haar trillende vingers sluiten zich rond het Sint Christoffelmedaillon om haar nek.
‘Uw man Roberto heeft een reeks flinke elektronische overschrijvingen van mevrouw Jacobs ontvangen. Weet u waarvoor ze hem betaalde?’
Erica dept haar ogen. ‘Ik weet precies waarvoor hij werd betaald.’
Nics hart bonst. ‘Waarvoor dan?’
Ze schudt haar hoofd. ‘Niet met deze mensen hier. Vraag of ze weggaan, dan zal ik het u vertellen.’
Nic knikt naar Goria en de Italiaan neemt zijn mannen mee naar buiten. Erica haalt diep adem en kijkt vol vertrouwen naar de Amerikaan. ‘Mijn man had een speciale taak. Hij maakte deel uit van een eenheid die de Heilige Wade moest beschermen, toen die voor het laatst in het openbaar werd tentoongesteld.’
‘In 2010?’
‘Si.’ Ze heeft een moment nodig om tot rust te komen. ‘Roberto werd overgehaald door een wetenschapper die hij kent...’ Een droef lachje. ‘... een zogenaamde vriend, om bloed en vezels van de Wade te schrapen.’ Ze laat beschaamd haar hoofd hangen. ‘Dat heeft hij gedaan – hij heeft de Wade beschadigd en monsters doorgespeeld voor testdoeleinden.’
Nic wacht tot ze naar hem opkijkt. ‘Ik moet weten wie die wetenschapper is, signora – waarom hij de Wade wilde testen en wat hij met de resultaten heeft gedaan.’
Haar gezicht betrekt. ‘Ik ben bang.’ Ze maakt in haar nek de sluiting van de ketting met het medaillon eraan los. Vervolgens brengt ze het naar haar mond, doet ze haar ogen dicht en begint te bidden.