106
TURIJN
Sinds zijn kindertijd slaapt Mario Sacconi met het raam open. Ingesloten zijn heeft iets wat hem stoort en hem wakker houdt. Het geeft hem het gevoel dat hij stikt. Een claustrofobisch gevoel. Het is een gewoonte die talloze vriendinnetjes heeft doen klagen over de ijzige kou in zijn slaapkamer – maar dat is nooit een probleem geweest dat de knappe geneticus niet heeft kunnen oplossen.
Gisteravond ging hij naar bed met het fraaie schuifraam open en met een mooie Braziliaanse coassistente die hem dankbaar was voor zijn lichaamswarmte. De dag breekt nu aan boven het weelderige bos rondom zijn huis. Als hij zijn ogen opent in het roze licht, beseft hij wat voor vreselijke fout hij heeft gemaakt.
‘Buongiorno,’ zegt een van top tot teen in het zwart geklede man aan het voeteneind van zijn bed.
‘Vaffanculo!’ Sacconi probeert te gaan zitten. Een schuifknoop sluit zich eerst rond zijn linker- en dan rond zijn rechterpols. Hij zoekt geagiteerd naar zijn minnares. ‘Benedetta?’
‘In de badkamer,’ zegt Efrem, en hij gebaart met zijn hoofd naar achteren. ‘U krijgt haar zo te zien.’
Sacconi heeft gelezen over indringers, hoe die soms gewelddadig of seksueel worden als je ze tegenwerkt. Je kunt maar beter kalm blijven en ze niet tegen de haren in strijken. Maak van een eenvoudige inbraak niet iets veel lelijkers. ‘Hoor eens, ik wil geen problemen. Neem wat je wil. De sleutels van mijn Mercedes zitten in mijn broek over die stoel daar. Ik heb een safe, juwelen en geld. Ik geef je wat je maar wilt.’
‘Roberto Craxi.’
Die naam legt hem het zwijgen op.
‘Craxi is de reden dat ik hier ben.’
‘Ik weet niet wat je bedoelt.’
Donkere ogen staren door zijn bivakmuts. ‘Ja, dat weet u wel. U bent Mario Sacconi. Craxi heeft u betaald om iets te doen wat u niet had moeten doen. U heeft uw macht misbruikt, het talent dat God en de wetenschap u hebben gegeven.’
‘Nee. Nee – u vergist zich.’
De blik in de ogen van de monnik zegt dat hij zeker weet van niet. Hij loopt van het bed vandaan en betreedt de badkamer. Een paar seconden later komt hij weer tevoorschijn met het naakte meisje in zijn armen. Hij laat haar naast Sacconi op het bed vallen. Haar handen en voeten zijn op haar rug vastgebonden. Over haar mond zit dikke verpakkingstape. Haar ogen staan wijd open van schrik.
‘Roberto Craxi heeft u betaald om monsters van de heilige Wade te testen. Ik wil de resultaten van die test en eventuele monsters die u nog heeft.’
‘U vergist zich, ik zweer het bij God. Ik weet niet wat u bedoelt.’
Een klap explodeert in Sacconi’s gezicht. Hij schreeuwt het uit. Zijn neus is gebroken. Zijn mond en wangen zitten onder het bloed.
‘Gij zult de naam des Heren niet ijdel gebruiken.’ De monnik zoekt in zijn zwarte cargobroek en haalt er iets uit wat lijkt op een dun, langwerpig foedraal met prachtig paarlemoeren inlegwerk. Als het vijftien centimeter lange lemmet van een stiletto eruit klikt, is meteen ondubbelzinnig duidelijk wat de inhoud is. Hij houdt het staal voor de ogen van de geneticus en zorgt ervoor dat Sacconi ziet hoe scherp het is. Hij grijpt Benedetta om haar nek en trekt haar lichaam over dat van haar minnaar. Efrem trekt haar aan haar haar naar achteren zodat ze Sacconi aanstaart, zodat haar angst zich kan spiegelen aan de zijne. ‘En? Gaat u mij vertellen over de tests die u heeft uitgevoerd?’
Nog steeds aarzelt Sacconi.
De monnik duwt de punt van het lemmet in de zachte huid onder het rechteroog van het meisje. Hij bestudeert het gezicht van de wetenschapper, ziet meteen dat ze niets voor hem betekent. De man is geen held, er is geen liefdesband tussen hen. Hij duwt haar weg, hoort haar van het bed af rollen en op de harde houten vloer vallen.
Efrem legt een hand over Sacconi’s mond en laat de punt van de stiletto in zijn linkerwang glijden.
De gedempte kreten van de wetenschapper houden bijna een minuut lang aan.
Efrem trekt het lemmet langzaam terug. Hij laat een bloeddruppel van de punt van het staal in Sacconi’s ogen lopen. ‘Ik ga u nog één keer vragen me te vertellen over de tests die u voor Craxi hebt uitgevoerd.’