59
VRIJDAG, TURIJN, ITALIË
De ochtendhemel boven wat ooit de eerste hoofdstad van Italië was, is een prachtig fresco van koninklijk goud en kardinaalrood. Nic Karakandez staat gebiologeerd aan het slaapkamerraam van het goedkope hotel waar hij een kamer heeft gevonden. Hij kijkt hoe de donkere pop van de nacht in de exotische vlinder van de dag verandert. Daar ergens, tussen de mysterieuze vormen, onder de rijen rode pannendaken en onder de bolle koepels van oude kerken, ligt de reden waarom hij duizenden kilometers heeft gereisd. Hij gaat onder de douche in een badkamer die zo klein is dat een mier er last van claustrofobie zou krijgen, en trekt dan een zwarte spijkerbroek, een wit overhemd en een paarse wollen V-hals aan, die om de een of andere reden nog steeds ruikt naar de olie van zijn boot. Hij gaat op het doorgezakte bed zitten om zich even te verdiepen in het belangrijkste spoor waar Mitzi hem op heeft gezet.
Geld.
Meer specifiek, een reeks internationale overboekingen die Sarah Kenny op verzoek van Tamara Jacobs deed aan een man die zij kennen als Roberto Craxi. De papieren die voor hem uitgespreid zijn, documenteren stortingen van 5.000 dollar per maand voor elf maanden, plus twee stortingen ineens van 25.000 dollar. In totaal bijna 100.000 dollar. Dat is een aardig bedrag. Het soort geld waarvoor veel mensen de wet zouden willen overtreden.
De andere sporen zijn afkomstig van de bezoekjes van de schrijfster aan Turijn. Uit bonnetjes die bij haar thuis zijn gevonden blijkt dat ze de afgelopen twee jaar vier reisjes heeft gemaakt. Twee in het afgelopen half jaar. Eentje zes weken voordat ze vermoord werd. Nic hoopt dat de hotelrekeningen en de bonnetjes van restaurants en taxi’s hem zullen helpen om haar gangen na te trekken. En dan is er de belgeschiedenis van haar mobieltje in het laatste kwartaal, met meer dan dertig telefoontjes naar verschillende nummers in Turijn. Terwijl hij naar de cijfers kijkt, krijgt hij een naar voorgevoel. Misschien deed ze het om veiligheidsredenen. Als dat het geval is, zijn de nummers wellicht van telefooncellen en dus ontraceerbaar.
Hij ontbijt in een vochtige, tochtige ruimte die verwarmd wordt door ventilatorkachels die tegen afbladderende crèmekleurige muren staan. Met zijn hand veegt hij condens van het raam bij zijn tafeltje en kijkt naar buiten over berijpte gazons naar een geplaveide binnenhof, omzoomd met bloembedden en potten met cipressen. In de zomer zou het er hier wel eens heel anders uit kunnen zien, en voor apart en aangenaam kunnen doorgaan.
Een jonge serveerster, misschien de dochter van de eigenaar, brengt hem een cappuccino, een bijna volmaakt brouwsel van sterk geroosterde bonen met een laag dik, zoet, romig schuim waar een lepel rechtop in zou blijven staan. Hij pakt jus d’orange van een klein buffettafeltje en neemt wat zelfgemaakte gebakjes.
Voldaan en tevreden gaat hij naar zijn kamer. Hij poetst zijn tanden, pakt een wijd zwartleren jack en gaat terug naar beneden om op de hem toegewezen contactpersoon bij de carabinieri te wachten. Hij zit op een oude bank in de piepkleine receptie en probeert een exemplaar van de krant van vandaag, de Corriere della Sera, te lezen. Slecht idee. Afgezien van Chianti, Quattro Formaggio en een paar vloeken uit The Sopranos begrijpt hij er geen woord van.
Een elegante vrouw in een marineblauw jasje en een bijpassende rok tot op haar knieën onderbreekt aarzelend zijn moeizame lectuur. ‘Signore Carry-can-diss?’
Hij kijkt op. ‘Ka-ra-kan-dez. Ja, dat ben ik.’
Ze is een paar jaar jonger dan hij, heeft kort donker haar en intens blauwe ogen. ‘Luogotenente Cappellini. Carlotta.’ Zelfverzekerd geeft ze hem een hand.
Hij is verbaasd en ergert zich zelfs aan zichzelf, omdat hij klakkeloos had verwacht dat de contactpersoon een man zou zijn. ‘Nic – heel aangenaam.’
‘Welkom in Torino, Nic.’ Ze heeft door dat hij een man verwachtte – dat doen de meeste mensen. ‘Ben jij klaar om te gaan?’
‘Dat ben ik.’ Hij vouwt de krant op en legt hem op een sjofele houten tafel.
Carlotta gaat hem voor naar buiten. ‘Eerst gaan wij naar mijn kantoor, daar kunnen wij vertrouwelijk praten. Dan gaan we naar waar jij heen moet. Mijn capitano zegt jij hebt telefoonnummers en een man genaamd Craxi die je wilt natrekken. Ik heb mensen die daarmee kunnen helpen.’
‘Dat klinkt me als muziek in de oren.’
Dat begrijpt ze niet. ‘Scusi?’
‘Sorry, gewoon een uitdrukking. Dat zou geweldig zijn.’
De straten zijn breed en geplaveid, blokken steen doorsneden met stalen tramrails. Boven zijn hoofd buigt een zwart spinnenweb van leidingen door onder de nu dofgrijze hemel. Terwijl ze lopen, ziet Nic de kolf van een pistool dat ze onopvallend onder haar jasje aan haar riem draagt. ‘Heb jij altijd een wapen bij je?’
‘Si. Altijd. Ik ben militair, dat moet.’ Ze legt haar hand erop. ‘Maar ik vind het ook leuk.’ Ze glimlacht. ‘Ik vind schieten leuk.’
‘Wat vind je leuk om op te schieten – dingen of mensen?’
‘Nee.’ Ze lacht. ‘Mensen schieten vind ik niet leuk.’
‘Zelfs geen schurken?’
Ze heeft door dat hij haar plaagt. ‘Nee, dat heb ik nooit gedaan. Maar schieten op de baan, ja, dat vind ik heel leuk.’ Ze maakt een pistool van haar vingers en doet alsof ze een schot lost. ‘Ik ben heel goed in schieten.’
Ja, dat zal wel. Waarschijnlijk is ze veel beter in schieten dan in Engels. Niet dat hij daar iets van mag zeggen – hij kan geen Italiaanse krant lezen, laat staan een zin uitbrengen.
‘En jij, Nic, schiet jij schurken?’
‘Soms,’ zegt hij. ‘Maar niet zoveel als ik zou willen.’