103
TURIJN
Een bonkend geluid klinkt in de duisternis. Geen hard geluid. Geen hoefgetrappel op harde grond, eerder een specht die op een steen tikt.
Roberto Craxi draait ongerust zijn hoofd naar rechts. Hij schreeuwt door de wanden van de tombe naar de man die hem gevangen heeft gezet – een man die hij nooit heeft gezien. ‘Wat doe je? Wat gebeurt er?’
Plotseling trilt de steen. Dringt er een luid gierend geluid door de bekisting.
‘Hé!’
Hij heeft het gevoel dat de hele tombe zal instorten. Craxi’s training komt weer boven. Hij kalmeert zichzelf. Probeert te achterhalen wat er gebeurt. Zijn ontvoerder is aan het boren. Hij boort een of ander gat. Er klinkt een klap als het wervelende staal erdoorheen is en de boorkop tegen de buitenkant slaat. Gruis van de boor stuift in Craxi’s gezicht. Het mechanische gegier houdt op.
Door het gat schijnt opeens een heldere lichtstraal ter dikte van een potlood. Hij rolt zich op zijn rechterzij en manoeuvreert zich zo dat hij naar buiten kan kijken.
Een oog staart op hem neer.
Craxi’s hart slaat over.
‘Ga opzij!’ De stem is koud en dwingend.
Hij draait zijn hoofd weg.
Efrem legt de accuboorhamer weg. ‘Dit gat zal u lucht geven. Als wat u mij verteld heeft waar is, zal ik de politie bellen en die zal u bevrijden. Als het niet waar is, kom ik voor u terug, als ik klaar ben met uw vrouw.’
De monnik pakt het gereedschap in dat hij in Turijn had gekocht nadat Craxi hem in de metro was ontglipt. Hij verlaat de oude kerk en loopt terug naar de huurauto. Voor het volgende deel van de missie heeft hij ander gereedschap nodig. Heel ander gereedschap.