56
TURIJN
De leegstaande kerk is precies waar ze Efrem hebben gezegd dat hij zou zijn. Aan het eind van een winderig straatje, achter een kapot hek. Hij onttrekt een klein, overvol kerkhof aan het zicht dat overwoekerd is door gras en onkruid. De zerken zijn groen beschimmeld en lang vergeten. Als oeroude, rotte tanden staan ze schots en scheef boven zachte, ingeklonken graven.
De monnik loopt om het terrein. Kerkstenen die oorspronkelijk honinggeel waren zijn zwart geworden door de tijd en de aanslag. Iemand heeft het merendeel van de handgemaakte glas-in-loodramen met de Kruisweg van Christus ingegooid. Bendes hebben graffiti over het verroeste metaal gespoten, symbolen en namen die hij niet begrijpt en waar hij niet veel aandacht aan schenkt terwijl hij de panelen openwrikt die de oude voordeuren afsluiten waar de gelovigen eeuwenlang doorheen hebben gelopen.
Binnen is het donker. Er komt nauwelijks licht door de dichtgetimmerde ramen en de verweerde gaten in het kapotte dak. De meeste mensen zouden moeite hebben om meer dan een meter voor zich uit te kijken. Maar Efrem heeft het grootste deel van zijn leven in volstrekte duisternis doorgebracht en ziet alles, tot in de verste hoek. Er hangt een geur van vochtig, rottend hout en de uitwerpselen van de knaagdieren die hier hun toevlucht hebben gezocht. Maar de monnik kan echter wat geen ander kan. Hij ruikt nog altijd de kaarswas, de wierook van de hoogmis, de verse zeep op de huid van degenen die zich gewassen hebben in de wetenschap dat ze hierheen zouden gaan om te knielen voor hun Heer.
Hij loopt langs de kapotte kerkbanken en de lege ruimte waar ooit het altaar stond. Als hij naar links gaat, vindt hij waarvoor hij is gekomen. Met een beetje werk zal het perfect zijn.
Helemaal perfect.