54
ITALIË
In Turijn is het midden in de nacht. Het bed in de gehuurde kamer is nog opgemaakt, onbeslapen. De monnik heeft er niet op gezeten, laat staan erin gelegen.
Efrem is naakt als hij knielt en bidt binnen in de enkele kleerkast. De deur zit stevig dicht en hij voelt zich op zijn gemak in de claustrofobische, muffe ruimte. Hij zou graag teruggaan naar de afzondering van het klooster, waar de onverstoorbare ovenmeester peinzend zal kijken terwijl hij hem in het heiligdom inmetselt.
De ineengevouwen handen hebben vele mensen gedood. Niet zoveel dat hij ze zich niet allemaal kan herinneren, maar voor alle anderen dan een soldaat – een kruisvaarder – te veel om mee te leven.
Hij bidt, eerst in het Aramees, dan in het Frans en ten slotte in het Latijn. Hij bidt om de kracht en de leiding van God voor wat hij gaat doen. Even voor de ochtendschemering opent hij de kleerkast en stretcht hij een halfuur om de pijn van zijn roerloze devotie te verdrijven. Hij concentreert zich, balt zijn vuisten en neemt een opdrukhouding aan. Zijn knokkels worden wit door het gewicht van zijn lichaam als hij zich zo langzaam laat zakken en zo langzaam omhoogkomt dat de beweging onwaarneembaar is. Elke push-up duurt meer dan vijf minuten. Na een uur baadt zijn naakte lichaam in het zweet. Zijn buik, dijen en schouders zijn een gespierde vlecht kronkelende, pezige slangen. Hij wil ineenzakken en op de vloer rusten en bijkomen, maar hij weet dat dat een persoonlijke luxe zou zijn en persoonlijke luxe is zondig.
Efrem neemt een ijskoude douche, droogt zich af en drinkt een liter water uit een fles. Dat is alles wat hij tot zich zal nemen. Hij eet slechts om de dag en vandaag vast hij. Hij kleedt zich in het zwart, de traditionele kleur van zijn orde, doet een T-shirt, een trui, een lange broek, sokken en een lange wollen overjas aan en trekt een strakke, zwarte muts over zijn donkere, kortgeknipte haar. Hij voelt aan zijn werktuigen die in de lagen kleding verborgen zijn – twee messen, een garrot, een grote spijker en een rol scheermesdraad even onopvallend als een doosje flosgaren.
Het eerste licht van de dageraad valt over de daken. In de schaduwrijke, berijpte straat loopt hij stilletjes weg van zijn hotel. Hij krabt de voorruit van de huurauto schoon en begint geduldig aan zijn werkdag.