34
CARSON, LOS ANGELES
Ze is nu koud.
Kouder dan JJ dacht dat menselijk vlees kon zijn. Het fascineert hem. Op tv noemt de politie het de kilte van de dood, het stadium van ontbinding dat wetenschappers kennen als algor mortis.
Arme Em.
Haar lichaamstemperatuur is elk uur anderhalve graad gedaald, en op dit moment is ze amper warmer dan de onverwarmde kamer waar ze ligt. Haar kamer. Haar rustplaats. Hij veegt wat haar van haar lijkbleke gezicht en slaat teder een arm om haar heen. Vreemde geluiden weerklinken. Even denkt hij dat ze ademt. Dat ze uit de dood opstaat. Hij legt zijn oor op haar hart en luistert of het klopt. Niets. Hij gaat over haar bovenlijf naar beneden, met zijn handen op haar slanke heupen en zijn wang tegen haar gladde buik. Nu weet hij wat het is.
Gassen en vloeistoffen in haar binnenste. Ze mag dan wel dood zijn, maar binnen in haar leven dingen – organismen die zich voeden in haar darmen – kleine stukjes Emma die nog steeds leven. Het leven na de dood. Hij vraagt zich af of er nog gedachten in haar hersenen rondzwerven net als die bacteriën, in hun laatste stuiptrekkingen. Verdwijnen herinneringen net als een hartslag of blijven ze na de laatste ademtocht nog hangen om in de loop van uren, dagen of maanden te vergaan? Hij weet dat de hersenen in leven gehouden kunnen worden als alle andere organen dood zijn. Misschien is dat waar de ziel zich bevindt?
Hij schuift naast haar omhoog en kijkt in de lege ogen en zegt iets wat hij nog nooit eerder heeft gezegd. ‘Ik hou van je.’
Het voelt goed. Alleen al om het te zeggen. Dat is wat God wil. God is liefde. God heeft hem Em gebracht. Hij brengt zijn mond vlak bij haar gezicht. ‘Heus, Em. Ik hou van je. Heus waar.’