148
SAINT-JULIEN-EN-GENEVOIS
Door de duisternis voelt Nic dat iets zijn mond bedekt, hem verstikt.
Panisch doet hij zijn ogen open. Een verpleegkundige staat over hem heen en drukt een zuurstofmasker tegen zijn gezicht. De jonge man overlegt met zijn collega met een zo te horen vreemd Frans accent. Hij luistert, wendt zich dan weer tot Nic en zegt in het Engels. ‘U bent in orde. Niet bewegen, alles komt goed.’
De rechercheur beseft dat hij niet meer in de auto zit. Hij is buiten. Hij ligt op nat, winters grijs gras langs de weg. Vanuit zijn ooghoeken ziet hij zwaailichten en hij hoort stemmen – maar geen verkeersgeluiden. Of de snelweg is versperd door het ongeluk, of de hulpdiensten hebben hem afgesloten. Hij probeert te bewegen, maar heeft het gevoel dat er een aambeeld op zijn borst ligt.
‘Blijf liggen.’ De verpleegkundige heeft zijn ene hand op het masker en de andere op Nics pols.
Hij dwingt zich om te gaan zitten en duwt de man weg. De pijn giert door zijn borst. Zo te voelen heeft hij een rib gebroken. Hij trekt het masker af. ‘Het oude stel – is alles goed met ze?’
De verpleegkundige probeert te zorgen dat hij weer gaat liggen. ‘Er wordt naar ze gekeken, zoals dat ook bij u zou moeten. Blijft u nu alstublieft liggen.’
Nic probeert op te staan.
‘Wacht even. Ga zitten. Ik ben nog niet klaar.’
‘Dank je, maar dat ben je wel.’ Nic probeert het nogmaals. Ditmaal lukt het hem. Hij wankelt naar de Broussards, die op het opstapje aan de achterkant van de ambulance zitten.
Édouard glimlacht geforceerd. ‘Ik laat jou nooit meer rijden, mon ami.’
‘Misschien wil ik dat wel nooit meer. De remmen hebben het volledig begeven. Ik trapte erop en er gebeurde niets.’
Ursula heeft haar hand op haar schouder en omklemt een beurse plek van de veiligheidsgordel die werd strakgetrokken bij de botsing. ‘We hebben geluk dat we nog leven,’ zegt ze.
‘Het spijt me,’ zegt Nic, die zich daar onverklaarbaar toe gedwongen voelt omdat hij op dat moment aan het stuur zat. ‘Ik hoop dat jullie niet ernstig gewond zijn.’
‘Het gaat wel,’ zegt Édouard. ‘Builen en blauwe plekken, meer niet. Het is goed dat andere mensen gestopt zijn om te helpen en zorgden dat het ambulancepersoneel hier zo snel was.’
‘Volgens mij heeft die andere chauffeur ze gebeld,’ voegt Ursula daaraan toe, terwijl ze voorzichtig haar arm draait.
‘Welke chauffeur?’
‘Hij heeft ons uit de auto geholpen,’ verklaart ze. ‘Zei dat we eruit moesten omdat hij in brand kon vliegen.’
‘Hij heeft zelfs onze bagage eruit gehaald.’ Édouard knikt naar het talud waar hun Louis Vuitton-koffertjes staan.
Nic ziet dat zijn tas er niet bij is. Die met het DNA-profiel en de documenten die de wetenschapper hem heeft gegeven. Hij is verdwenen.