1
WOENSDAGAVOND, BEVERLY HILLS, LOS ANGELES
Er zijn vele redenen waarom hij moordt. Waarom hij nu weer op het punt staat te moorden.
Het is een behoefte. Een hunkering. Een schrijnende, knagende dwangmatigheid. Net als seks. Als hij het niet aan het doen is, dan denkt hij erover. Fantaseert hij erover. Maakt hij plannen. Repeteert hij het. Moorden is voor hem even noodzakelijk en onontkoombaar als ademhalen. Maar dan lekkerder. Gedenkwaardig.
Dit wordt een makkie. Perfect. De beste tot nog toe. Dat zijn de ongedoden altijd. Zo noemt hij ze. Niet de levenden. Niet het volgende slachtoffer.
De ongedoden.
Een stille buurt. Een vrouw die alleen woont. Eentje die niet eens doorheeft dat hij haar leven en haar huis in is geslopen terwijl zij in die mooie achtertuin bezig was.
Hij heeft uren liggen wachten, onopgemerkt als een hond op zijn favoriete verstopplek. Hij spitst zijn oren terwijl hij haar geluiden volgt door het verduisterende huis. Zijn steelse geest stelt zich al haar bewegingen voor.
Er klinkt een zacht gekletter – ze ruimt haar eenpersoonsmaaltijd af.
Een zachte bons – de vaatwasser die dichtgaat.
Getinkel. IJsklontjes uit de dispenser boven in de hoge vriezer bij de keukendeur. Een glas water om mee naar bed te nemen.
Klik, klik, klik. Ze doet het licht uit. Deuren die dichtgaan.
Bons, bons. Bons, bons. Voetstappen. Ze komt de trap op, met zware tred. Ze wil alleen nog maar in haar grote, zachte bed liggen en slapen.
Een zachte klik. Een bedlampje verwarmt de grote slaapkamer met een botergele gloed.
Stromend water. Een douche. Stevig en warm. Een warm bad om schoon haar bed in te gaan.
Fris voor de dood.
Hij wacht. Telt de seconden en de minuten af. Zevenhonderdtwintig seconden. Twaalf lange minuten. Nu het gezoem van een föhn. Je kunt maar beter niet met nat haar naar bed gaan. Heel ongezond. Geprevel van de televisie. Muziek. Een film. Het nieuws. Ze zapt. Op zoek naar iets om haar af te leiden van de ontberingen van haar dag. De Tonight Show. Conan. House.
Klik. Knetterende ruis op het plasmascherm.
Stilte.
Een laatste klik. Het lampje.
Donker.
Daar ligt hij. Onder het bed. Hij geniet van de zachte nagalm van de laatste geluiden – als een stukje van een hostie dat op de tong uiteenvalt.
Algauw hoort hij het fluiten van haar ademhalen, amper hoorbare zuchten die opkomen als het zachte licht van de dageraad. De slaap bereidt haar behoedzaam op God en hem voor. Hij rolt uit zijn schuilplaats. Langzaam. Gracieus. Voorzichtig. Een dodelijk dier dat uit zijn dekking komt. Naakt in het wild. Dat zijn prooi nadert. Trillend van verwachting.
Hij legt zijn ene hand om haar keel en de andere over haar mond. Haar ogen schieten geschrokken open. Hij kijkt glimlachend op haar neer en fluistert: ‘Dominus vobiscum – de Heer zij met u.’