170
CENTURY HOSPITAL, INGLEWOOD
Zuster Dawson houdt woord. Om tien over elf wekt ze Mitzi uit haar dagdromen. ‘Meneer Weinstock is er. Hij komt er net aan.’
De veertigjarige Robert Weinstock komt de hoek om en loopt meteen naar de afdelingsbalie. Stephanie fladdert weg als een blauwe vlinder, aangetrokken door het pak van tweeduizend dollar en de kleine, onberispelijk verzorgde, donkerharige man die het draagt.
Mitzi kijkt naar hen en vraagt zich af of ze moet vertellen dat Verlossing, alias John James, alias George Moore, zijn leven feitelijk begon als Jibril Walud Saleh walud Khalid Al-Fulan. Dat hij de zoon van een terrorist is, een fanatieke ‘slapende’ agent die bereid was om zoveel onschuldige mensen te vermoorden als hij maar kon met een vest vol explosieven. Ze besluit om het niet te doen. En voelt zich dan schuldig. De enige reden dat ze het niet zegt is dat ze niet wil dat die zielknijper in zijn mooie pak zegt dat de Sluiper krankzinnig is en daarom de rest van zijn leven in een ziekenhuis tv mag kijken of naar verpleegsters mag gluren.
Weinstock nadert de dienders. Mitzi staat krakend op uit de harde stoel waardoor het merendeel van haar lijf gevoelloos is geworden.
‘Robert Weinstock.’ Hij reikt haar een goed gemanicuurde hand en ruikt naar verse aftershave. ‘Het spijt me dat ik u heb laten wachten. Ik was op een liefdadigheidsdiner met de burgemeester.’
‘Inspecteur Fallon. Weet u waarom mijn vriend en ik hier zijn?’ Ze knikt naar Di Matteo. ‘Heeft u enig idee wat deze man heeft gedaan?’
‘Ik weet genoeg.’ Hij trakteert haar op een glimlach die even stralend is als zijn pak. ‘En ik beloof dat ik zo snel zal zijn als de professionaliteit toestaat.’ Hij besluit met een glimlach die bijna net zo royaal is als zijn pak, en draait zich dan om.
‘Dokter.’ Mitzi kan het niet helpen. Ondanks al haar instincten kan ze het niet verzwijgen. ‘Ik moet u iets vertellen. We hebben net wat bijzonderheden ontdekt, dingen uit zijn kindertijd die u echt moet weten.’