116
TURIJN
Efrem is aan het rijden als zijn mobieltje gaat. Hij verwachtte het telefoontje. Hij weet dat het onaangenaam wordt.
‘Je hebt er een zooitje van gemaakt.’ Carlotta Cappellini klinkt kalm maar geïrriteerd.
Hij ziet het weer allemaal voor zich. Het bloed op het bed, de eindeloze helderrode stroom uit het nog steeds pompende hart van de wetenschapper. Het vriendinnetje dat haar knieën optrok om zichzelf te beschermen. ‘Ik had geen tijd om schoon te maken.’
‘Dat begrijp ik, maar het is niet goed. Nu zijn er meer mensen geïnteresseerd dan noodzakelijk.’
‘Het spijt me.’
‘Ik heb niets aan excuses. Heb je de informatie waarvoor je kwam?’
‘Ja.’
‘Va bene. De rechercheur over wie ik je vertelde is verdwenen.’
Efrem herinnert zich de foto die ze hem stuurde, de stem op de telefoon die hij opnam in Craxi’s blokhut, de bezittingen die hij doorzocht in het hotel.
‘Si. We hebben zijn partner gearresteerd maar Karakandez is uit het huis ontsnapt. Hij heeft een auto, een blauwe Fiat Bravo. Ik zal je het nummerbord sms’en. Je moet deze Amerikaan niet onderschatten. Hij is niet dom en hij is een heel eind gekomen.’
‘Ik ook.’
‘Zorg dan maar dat jij niet degene bent die uiteindelijk teleurgesteld wordt. Rond de klus af en doe het snel. Arrivederci.’
Hij zal doen wat zij wil, maar nog niet. Eerst moet hij nog iets anders regelen.