53
HET BUREAU AAN 77TH STREET, LOS ANGELES
Alfie Fallon zit in de groepscel als een gedumpte vuilnisbakkenhond. Het leven dat hij kende is voorbij. Dat begrijpt hij wel. Het zootje ongeregeld waarmee hij de nacht heeft doorgebracht is allemaal door de molen gegaan en als een ongewenste zwerver wacht hij slechts tot zijn naam als laatste wordt omgeroepen.
Er hangt een scherpe stank van een industrieel ontsmettingsmiddel. De vloer is net gedweild nadat mensen er urenlang over hun nek zijn gegaan en hun behoeften hebben gedaan. Hij zou alles over hebben voor een warme douche, een wandeling en een behoorlijk ontbijt.
Een geluid in de verte doet hem opkijken. In de bak weet je dat er iemand komt lang voordat je hem ziet. Door het gebrek aan vloerbedekking, gordijnen of alles wat maar zacht is, worden geluiden van ver weg door de gangen weerkaatst tot ze je oren bereiken. Na een uur of wat kun je alles thuisbrengen, van een slot dat opengaat tot een busje nieuwkomers dat buiten op de binnenplaats komt aanrijden.
Er komt iemand. En die kan alleen voor hem komen.
Sloten gaan open. Zoemers snerpen. Metalen deuren glijden open en gaan met een doffe dreun weer dicht. Voetstappen klepperen op harde vloeren. Nu is het zijn beurt. Alfie legt zijn handen op zijn knieën en rolt zijn hoofd heen en weer tot hij de stijfheid uit zijn nek heeft gekraakt.
De buitenpoort van het cellenblok glijdt open. Mitzi. Hij krijgt nieuwe moed. Die kleine ouwe vent die gisteravond zo kwaad naar hem keek is er ook. Ze hebben allebei een nietszeggend gezicht – een hard gezicht – een politiegezicht. Mitzi legt haar handen op de binnenpoort. ‘Ze gaan je huiselijk geweld ten laste leggen, Alfie. Hoogstwaarschijnlijk sta je over een paar uur voor de rechter. Ik heb met mijn advocaat gesproken en hij zal je de scheidingspapieren geven zodra ze je vrijlaten.’
‘Mitzi, luister...’
‘Nee, Alfie. Jíj moet luisteren.’ Haar stem is kalm, zonder enig spoor van de angst en de ontzetting die in haar omgaan. ‘Ik moet doen wat ik in de loop der jaren tegen alle andere vrouwen heb gezegd dat ze moeten doen. Jij moet goed aangepakt worden, dan kan het leven doorgaan. Hoe het ook is, wat voor puinhoop er ook van over is, het leven gaat door.’ Ze wendt zich tot Bobby Sheen en legt even haar hand op zijn arm. ‘Bedankt dat je op me hebt gepast. Ik ga ervandoor.’
‘Mitzi!’ Alfie staat nu bij de tralies. ‘Wacht.’
Mitzi Fallon, moeder van twee kinderen, vijftien jaar lang echtgenote, stoere diender bij de politie van Los Angeles, is vier stappen verwijderd van haar nieuwe leven. Niet omkijken. Geen wroeging.
‘Mitzi!’
Ze blijft staan en draait zich om.
‘Ik hou nog steeds van je.’ Aan zijn gezicht is te zien dat hij het meent, dat hij het werkelijk meent. Hij zou er alles voor geven dat dit niet gebeurt, dat zijn leven niet zo uit elkaar valt.
‘En ik hou nog steeds van jou.’ Het is alsof haar voeten aan de vloer zijn vastgeplakt. ‘Maar niet zoveel als eerst. En ik hou te veel van de meiden om dit nog langer door te laten gaan.’
Nu loopt ze weg, met opgeheven hoofd. Haar hart bonkt als een Turkse trom. Als ze geluk heeft, redt ze het tot het toilet voordat ze instort en zich afvraagt hoe ze zich de rest van de dag moet redden, laat staan de rest van haar leven.