162
GENÈVE-NEW YORK
Nic leest de passagierslijst terwijl hij de eerste van de businessclass cabines in loopt. Die bestaat uit negen rijen stoelen, in drie groepen van twee. Daar zitten alle gebruikelijke bedrijfsbobo’s. Strakke, scherpe carrièrejagers met hun iPads en MacBooks al in de aanslag. Een paar topmanagers van middelbare leeftijd met grijs haar en een uitdijende taille zijn buiten westen geraakt door te veel gratis champagne en vet eten. Een stijlvolle vrouw met lange benen klapt haar stoel naar achteren en rolt zich op onder een deken. Hun blikken kruisen elkaar even. Schepen die elkaar passeren. Een vluchtig moment.
De nooduitgangen verdelen de volgende twee rijen van drie, daarna komen er vier grote secties van de economyclass. Nic kijkt aandachtig door het eindeloze gangpad en probeert dan de mannelijke gezichten te vergelijken met zijn lijst van mensen die doorvliegen naar L.A. Reto Ruhr en Stefan Sauber klinken Zwitsers. Ze zien er allebei jong uit, slank en met een doorsnee-postuur. Nic doet een stapje opzij om ze beter te bekijken.
Ze houden elkaars hand vast. Reto legt zijn hoofd op de schouder van zijn vriend.
Nic streept ze af. Niet vanwege hun homoseksualiteit, maar omdat moordenaars niet het nuttige met het aangename verenigen.
Een stel kleine kinderen staat op en baant zich wild graaiend een weg van de ene kant van het vliegtuig naar de andere. Zo te zien verruilen ze de schoot van papa en mama voor die van opa en oma. Onwillekeurig stelt Nic zichzelf voor op zo’n reisje met Carolina en zijn zoon. Op elkaar gepropt, voldaan, verliefd, op de terugweg naar huis nadat ze Max een paar weken Europa hebben laten zien. Ze zijn er nooit aan toegekomen om met hem te gaan vliegen. Ze zijn nooit verder gekomen dan spelen in het zand bij Point Dume.
Hij dwingt zich om zich te concentreren. Met een marge van een of twee lege stoelen vervoert het vliegtuig ongeveer driehonderd mannen, vrouwen en kinderen. Hij doet het rustig aan. Heel rustig.
Een man in 24A interesseert hem. Hij is dertig, veertig jaar, met kort donker haar en gekleed in een blauwe trainingsbroek en een grijze hoodie. Hij is slank, fit en ontspannen, met een stoppelbaard van drie dagen. Zo te zien reist hij met weinig bagage en is hij klaar voor alles wat er op hem af komt. Zijn blik kruist die van Nic en heel even voelen de twee elkaar geestelijk aan de tand. Nic kijkt op de passagierslijst. Steve Bryant. Hij kijkt verderop in de lijst en ziet dat Kelly Bryant in 24B zit. Man en vrouw. Die kan hij ook afstrepen.
Nauwgezet werkt hij de rijen af, vergelijkt hij het uiterlijk van de mannen met de namen op de lijst, streept hij de dikke oude mensen, de spichtige tieners en de lichamelijk gehandicapten af. Halverwege de terugweg blijft hij staan en gaat hij in een vrije stoel naast een man zitten die Rico Aguero heet. Rico is van gemengd bloed, breedgeschouderd en ergens in de dertig. Zo te zien kan hij in een handgemeen van zich af bijten. Na vijf minuten kletsen is hij erachter dat Rico een systeemanalist uit Manhattan is die zelfs een heilige nog dood zou kunnen vervelen.
Veertig minuten later is de rechercheur klaar met zijn ronde en keert terug bij zijn stoel. ‘Reden tot ongerustheid?’ vraagt Brookes de purser terwijl hij opstaat en van plaats ruilt met Nic.
‘Ik geloof het niet.’
Gerry knikt naar Broussard. ‘De oude man heeft geslapen als een baby. Geef maar een gil als je hulp nodig hebt.’
‘Volgens mij gaat alles nu goed.’ Nic geeft hem een hand.
De wetenschapper is uitgeteld en snurkt vredig. Die arme kerel moet doodop zijn. Nic vouwt de vliegtuigdeken open, doet zijn stoel naar achteren en maakt het zich makkelijk. Eindelijk kan hij zich ontspannen.