18
ANTERONUS FILMS, CULVER CITY
Als Matthias Svenson verschijnt, begrijpt Mitzi meteen waarom Sarah Kenny en waarschijnlijk alle andere vrouwen in de filmstudio voor hem is gevallen. Hij is achter in de dertig, heeft een dikke bos zandkleurig haar, is ruim één meter negentig en was in een vorig leven ongetwijfeld een Noorse krijger. Zijn ijzige blauwe ogen en verbazend witte tanden zijn duidelijk geëvolueerd uit een sluipend roofdier, een wolfachtig beest met seksuele oerbehoeften waarvan ze zeker weet dat hij daar regelmatig aan toegeeft.
‘Ik ben Matthias.’ Hij steekt een krijgershand uit en lacht een zich goed eigengemaakte Hollywoodlach. ‘Ik ben de regisseur.’
Mitzi’s vingers gaan verloren in de spelonk van zijn handpalm. ‘Inspecteur Mitzi Fallon – van de politie van Los Angeles. Dit is mijn partner, rechercheur Karakandez.’
Nic knikt slechts.
Mitzi kijkt met toegenomen nieuwsgierigheid naar de regisseur. ‘Kom jij uit Europa, Matthias? Ik kan je accent niet helemaal plaatsen.’
Hij lacht. ‘De meesten kunnen dat niet. Ik ben een Zweed maar mijn naam is Duits – hij betekent ‘Gave van de Heer’.’ Hij leest haar gedachten. ‘Die naam komt niet voort uit ijdelheid. Ik heb hem gekregen omdat mijn ouders diverse ongeboren kinderen hebben verloren en mij laat in hun leven kregen.’
Mitzi zou wel in deze vent geïnteresseerd kunnen raken. O ja. Als er een tijdmachine was die haar terug zou brengen naar een tijd voor haar huwelijk, een chalet in de besneeuwde Scandinavische bergen en een haardkleed voor een houtvuur, dan zou ze op een heel bijzondere manier in hem geïnteresseerd kunnen raken. Ze werpt een blik naar Sarah. Een zusterlijke, goedkeurende blik. Vrouwelijke toestemming dat het haar vrijstaat om zich op iedere mogelijke manier belachelijk te maken.
‘Ik ben bang dat we heel slecht nieuws hebben, meneer Svenson.’ Nic wil graag ter zake komen. ‘Uw scenarioschrijfster, Tamara Jacobs, is dood.’
‘Tammy?’ Svenson lijkt oprecht geschokt. ‘Dood? Hoe?’
Mitzi voegt er wat bijzonderheden aan toe. ‘Haar stoffelijk overschot is in de oceaan gevonden, op Manhattan Beach.’
‘O mijn god.’
‘Weet u of ze goede vrienden of familie heeft?’
Hij denkt even na. ‘Zij en haar man zijn enige tijd geleden uit elkaar gegaan. Dat is vertrouwelijk. Als goede vrienden, voor zover ik weet.’ Hij zoekt naar de juiste woorden. ‘Volgens mij is hij veel het land uit – met zijn nieuwe partner.’
De nadruk ontgaat Nic niet. ‘Wanneer heeft u haar het laatst gezien, meneer Svenson?’
‘Ik?’ Hij kijkt verbaasd. ‘Woensdag, geloof ik. Ja, dat weet ik vrij zeker.’ Zijn ogen gaan van de ene diender naar de andere. ‘Ik weet het weer, het was voor in de middag en we zaten buiten de set met een kopje koffie over het scenario te praten.’
‘Hoe laat was dat precies?’
‘Dat weet ik niet zeker.’ Hij laat zijn polsen zien om aan te geven dat hij geen horloge draagt. ‘Ik ben een kunstenaar, ik geloof er niet in om je zo vast te leggen. Het was na de lunch. Misschien drie, vier uur.’
‘Wij hadden om één uur een lunchpauze,’ zegt Sarah, die heel graag wil helpen.
‘Dan was het eerder vier uur,’ voegt Svenson toe. ‘Ik vertrok als een van de laatsten van de set. Ik heb geluncht met de pr-man, daarna heb ik met de assistent-regisseur naar wat rushes gekeken. Daarna had ik een afspraak met Tammy en besloten we om buiten in de zon koffie te drinken en over het eind te praten.’
Mitzi wil dat hij duidelijker is. ‘Welk eind – van de film?’
‘Inderdaad. Ze heeft de laatste scènes nog steeds niet ingeleverd. Wij hebben uiteraard iets achter de hand, maar er was een overeenkomst dat ze het eind geheim kon houden. Ik weet alleen dat het zich in het Heilige Land afspeelt.’
‘Dan moeten er heel wat sets gebouwd worden.’
‘Inderdaad. Godzijdank is er chroma key-techniek.’
‘Waren er problemen op de set, meneer Svenson? Ruzies tussen Tamara en een van de personages?’
‘De acteurs, bedoelt u? Nee – helemaal niet.’ Hij lijkt bijna geamuseerd. ‘Tammy was niet geïnteresseerd in acteurs, alleen in woorden en scenario’s. De enige keer dat ze op de set kwam was om mij te zien en aan te bieden om iets te herschrijven.’
‘Met wie had ze het meest contact?’ vraagt Nic.
Svenson knikt naar de assistente. ‘Met mij en Sarah. Als ik er niet was, gaf ze berichten door via Sarah en zij hielp haar met een groot deel van haar administratie.’
‘Dat is een hoop,’ zegt de assistente met een glimlach.
‘Ik moet nu echt weg – is dat goed?’ Svenson gebaart naar de set achter hem.
‘Tuurlijk.’ Mitzi haalt een kaartje uit haar jasje. ‘Maar ik moet een volledig exemplaar van het scenario hebben – of althans het meest volledige dat je hebt – en ga alsjeblieft niet de stad uit zonder mij eerst te bellen.’ Ze glimlacht bij het uitspreken van die flauwe, ouderwetse zinsnede.
Svenson neemt het kaartje aan met lachrimpels rond zijn koele blauwe ogen. ‘Dat zal ik niet doen, inspecteur. Daar kunt u van op aan.’