Werkstuk
Mijn zoontje Boelie moest een werkstuk schrijven. Hij zit in groep zeven. Toen ik zelf klein was, hadden werkstukken doorgaans ‘Onze hamster’ als onderwerp of ‘Giethoorn’, maar tegenwoordig zijn de kindertjes ambitieuzer. Ik heb op dat brave schooltje ‘De jeugdgevangenis’ al voorbij zien komen, ‘De bio-industrie’, ‘Kanker’ en ‘Echtscheiding’. Het kan niet lang meer duren tot de eerste elfjarige auteur van ‘Meervoudige persoonlijkheidsstoornissen’ of ‘De condition humaine’ naar de pen grijpt.
Boelie had voor ‘De Tweede Wereldoorlog’ gekozen. Ik voorzag nachtwerk, en opperde: ‘Zou je niet liever over duiven...’ Hij houdt veel van duiven, en die zijn ook wat makkelijker te behappen dan zo’n wereldoorlog. Ik bedoel, om de invasie van Polen, Heim ins Reich, luchtalarm, Herrenvolk, Entartete Kunst, gaskamers en de slag bij Arnhem in de voorgeschreven elf pagina’s te moeten proppen leek me geen sinecure, en dan heb je die fietsen met houten banden nog niet eens gehad.
Maar nee, het moest en het zou de Tweede Wereldoorlog wezen, want ‘daar heb je zo lekker veel informatie over’. Zeg dat wel. Dat is juist het probleem tegenwoordig, dat je overal zo lekker veel informatie over hebt. In mijn tijd ging je naar de bibliotheek om thuis te komen met dat éne boekje over Giethoorn, dat schreef je dan over (‘Giethoorn heeft 2660 inwoners. Het pittoreske dorp wordt ook wel het Venetië van het Noorden genoemd’) en klaar.
Maar dat ellendige internet heeft alles verpest, een mer à boire om in te verdrinken, zeker voor een klein jongetje op zoek naar de kwintessens van vijf jaar angst en waanzin. Algauw stonden de tranen hem in de ogen. ‘Shit, er is echt geen beginnen aan,’ klaagde hij. ‘Had Hitler dat óók maar gedacht, dan zat jij nu niet met de gebakken peren,’ antwoordde ik, maar het hielp niet.
Met lange tanden begon ik over het dictaat van Versailles, waarbij zijn ogen algauw glazig werden als een gekookte tulpenbol. ‘Ik snap die hele oorlog niet,’ kermde hij. Ja, daar hadden indertijd wel méér mensen last van. A propos tulpenbol: die zijn eigenlijk best lekker. Ik vertelde mijn zoontje dat ik ze een keer uit nieuwsgierigheid had klaargemaakt, waarbij ik moest concluderen dat tijdens de bezetting niet zozeer die tulpenbollen het probleem waren, als wel het ontbreken van goede, vette jus. Hij vond het interessanter dan de Duitse herstelbetalingen, zoveel was zeker. ‘Kun je ze voor mij ook een keer koken?’ vroeg hij. ‘Maar dan mét jus?’ ‘Dat is goed, dan legt papa je straks wel even de rest van de oorlog uit,’ zei ik haastig, waarna we allebei opgelucht iets héél anders gingen doen.
Nou, toen vader thuiskwam had hij wel zin in die oorlog, want zo zíjn mannen. Hij nam zijn zoon de iPad af en stak van wal. Na een geruime tijd luisteren concludeerde Boelie dat Hitler een eikel was. ‘Goed zo jongen, en schrijf dat nu maar eens allemaal op in je eigen woorden,’ sprak zijn vader, en greep naar één van zijn vijf dagelijkse kranten.
Toen ik een uurtje later Boelies kamer binnenkwam was hij aan het trampolinespringen. ‘Zeg, en die oorlog dan?’ vroeg ik. ‘Het gaat goed hoor!’ riep hij uitgelaten. ‘De concentratiekampen doe ik mórgen wel!’
Volgende keer over duiven. Daar stá ik op.