3
Hari Seldon bekeek de comfortabele suite die de afgelopen paar jaar zijn privé-kantoor in de Galactische Bibliotheek was geweest. Net als de rest van de bibliotheek straalde het een vage lucht van verval uit, een soort vermoeidheid... iets wat zich te lang op één plaats had bevonden. En toch wist Seldon dat de bibliotheek na verstandige verbouwingen hier nog eeuwenlang zou blijven, op deze zelfde plaats, millennia zelfs nog.
Hoe was hij hier terechtgekomen?
Steeds weer voelde hij het verleden in zijn gedachten, tastte hij de mentale ranken langs de lijnen van het verloop van zijn leven af. Dat maakte ongetwijfeld deel uit van het ouder worden. Er lag zoveel meer in het verleden en zoveel minder in de toekomst, dat de geest zich afkeerde van de dreigende schaduw die voor hem lag en de veiligheid van wat was geweest beschouwde.
Maar in zijn geval was er die verandering. Want in ruim dertig jaar tijd had de psychohistorie zich bijna in een rechte lijn ontwikkeld; de vorderingen waren traag verlopen, maar wel in een gestage lijn vooruit. En zes jaar geleden was er dan een ontwikkeling geweest die totaal onverwacht haaks op alles stond.
Seldon wist precies hoe het was gegaan, hoe een aaneenschakeling van gebeurtenissen was samengekomen om het mogelijk te maken.
Dat was natuurlijk Wanda geweest, Seldons kleindochter. Hari sloot zijn ogen en liet zich in zijn stoel zakken om de gebeurtenissen van zes jaar geleden de revue te laten passeren.
De twaalf jaar oude Wanda had zich alleen gevoeld. Haar moeder, Manella, had nog een kind gekregen, nog een meisje, Bellis, en een tijd lang eiste de nieuwe baby al haar aandacht op.
Haar vader, Raych, had zijn boek over zijn geboortesector Dahl afgemaakt en had gemerkt dat het succes ervan slechts beperkt was en zijn roem slechts klein. Hij werd gevraagd om over het onderwerp te komen praten, wat hij bereidwillig deed, want hij interesseerde zich hevig voor het onderwerp en, zoals hij grijnzend tegen Hari zei: 'Als ik over Dahl praat, hoef ik mijn Dahlitische accent niet te verbergen. Het publiek verwacht het zelfs van me.'
Maar het gevolg was dat hij heel veel tijd weg van huis was, en als hij dat niet was, wilde hij de baby zien.
En wat Dors betreft... Dors was weg... en voor Hari Seldon bleef die wond altijd even vers, even pijnlijk. En hij had er op een ongelukkige manier op gereageerd. Het was Wanda's droom geweest die de gebeurtenissen in gang had gezet die in het verlies van Dors waren geëindigd.
Wanda had er niets mee te maken gehad, dat wist Seldon heel goed. Toch merkte hij dat hij zich van haar terugtrok, zodat hij haar ook teleurstelde tijdens de crisis die was ontstaan door de geboorte van de nieuwe baby.
En Wanda had zich tot de enige persoon gewend die altijd blij scheen te zijn haar te zien, de enige persoon op wie ze altijd kon rekenen. Dat was Yugo Amaryl, de tweede man na Hari Seldon voor wat betreft de ontwikkeling van de psychohistorie en eerste man als het ging om zijn absolute toewijding, vierentwintig uur per dag. Hari had Dors en Raych gehad, maar de psychohistorie was Yugo's leven; hij had geen vrouw en kinderen. Maar wanneer Wanda bij hem in de buurt kwam, herkende iets in hem haar als een kind en voelde hij vaag - heel even slechts - een gevoel van verlies, dat slechts scheen te worden verzacht door het kind genegenheid te betonen. Eerlijk gezegd behandelde hij haar meer als een wat kleine volwassene, maar dat scheen Wanda wel te bevallen.
Zes jaar geleden was ze Yugo's kantoor binnengewandeld. Yugo had met zijn uilachtig verbouwde ogen naar haar opgekeken en het had, zoals gebruikelijk, even geduurd voordat hij haar herkende. Toen had hij gezegd: 'Kijk eens aan, daar is mijn grote vriendin Wanda. Maar wat kijk je verdrietig? Een knappe jonge vrouw als jij mag toch niet verdrietig kijken.'
En met een trillende onderlip had Wanda gezegd: 'Niemand houdt van me.'
'Ach kom, dat is niet waar.'
'Ze zijn gewoon gek op die nieuwe baby. Ze geven niets meer om mij.'
'Ik hou van je, Wanda.'
'Nou, dan bent u de enige, oom Yugo.' En zelfs al kon ze niet meer op zijn schoot kruipen, zoals ze had gedaan toen ze kleiner was, ze drukte haar hoofd tegen zijn schouder en huilde.
Amaryl, die helemaal niet wist wat hij moest doen, kon alleen maar het meisje omhelzen en zeggen: 'Huil niet. Huil niet.' En hij merkte dat zuiver uit medelijden en omdat hij in zijn eigen leven zo weinig had om om te huilen, de tranen ook langs zijn eigen wangen stroomden.
En toen zei hij plotseling opgewekt: 'Wanda, wil je iets moois zien?'
'Wat?' snifte Wanda.
Amaryl kende slechts één ding in zijn leven en het heelal dat mooi was. Hij zei: 'Heb je de primaire radiant wel eens gezien?'
'Nee. Wat is dat?'
'Dat is wat je grootvader en ik gebruiken voor ons werk. Snap je? Hier staat hij.'
Hij wees naar de zwarte kubus op zijn bureau. Wanda bekeek hem treurig. 'Dat is niet mooi,' zei ze.
'Nu niet,' gaf Amaryl toe. 'Maar wacht maar tot ik hem aanzet.'
Dat deed hij. De kamer verduisterde en werd gevuld met vlekken licht en verschillende flitsende kleuren. 'Zie je? Nu kunnen we alles vergroten, zodat de vlekken wiskundige symbolen worden.'
En dat deed hij. Het was of ze werden overspoeld door een stroom van formules en daar, in de lucht, hingen allerlei soorten tekens, letters, cijfers, pijlen en vormen die Wanda nog nooit eerder had gezien.
'Is het niet mooi?' vroeg Amaryl.
'Ja,' zei Wanda, die aandachtig de formules bekeek die mogelijke toekomsten voorstelden (al wist ze dat niet). 'Maar dat stuk vind ik niet mooi. Volgens mij klopt het niet.' Ze wees naar een kleurige formule links van haar.
'Klopt die niet? Waarom zeg je dat?' vroeg Amaryl met een gefronst voorhoofd.
'Omdat het niet... mooi is. Ik zou het anders doen.'
Amaryl schraapte zijn keel. 'Nou, ik zal proberen er iets aan te veranderen.' Hij ging dichter naar de bewuste formule toe en bekeek hem met zijn uilige blik.
Wanda zei: 'Dank u wel, oom Yugo, dat u me die mooie lichtjes hebt laten zien. Misschien zal ik ooit begrijpen wat ze betekenen.'
Amaryl bleef enigszins gekwetst staan. Hij vond het niet leuk als er kritiek werd geuit op de primaire radiant; zelfs niet door een meisje van twaalf jaar oud dat niet beter wist.
En terwijl hij daar zo stond, had hij er geen flauw benul van dat de psychohistorische revolutie was begonnen.