14
Billibotton was Billibotton - vuil, lamlendig, donker, konkelend Billibotton - verval uitzwetend en toch vol van een vitaliteit die je volgens Raych nergens anders op Trantor zou vinden. Misschien vond je die nergens anders in het Imperium, al wist Raych niets uit de eerste hand over andere werelden dan Trantor.
Hij had Billibotton voor het laatst gezien toen hij niet veel ouder dan twaalf was, maar zelfs de mensen schenen hetzelfde te zijn; nog steeds een mengeling van gluiperds en schoften; vervuld van een kunstmatige trots en mopperige wrevel; de mannen gekenmerkt door hun volle, donkere snorren en de vrouwen door hun jurken die als een zak om hun lichaam hingen en die er nu in Raych' oudere en meer wereldlijke ogen vreselijk slordig uitzagen.
Hoe konden vrouwen met zulke jurken aantrekkelijk zijn voor mannen? Maar dat was een idiote vraag. Zelfs toen hij twaalf was had hij er een vrij goed idee van gehad hoe gemakkelijk en snel je ze kon uittrekken.
Daar stond hij dan in gedachten en herinneringen verzonken, en liep door een straat vol met winkelruiten, proberend zichzelf ervan te overtuigen dat hij zich deze of die speciale plek herinnerde en zich afvragend of er onder de voorbijgangers mensen waren die hij zich herinnerde en die nu acht jaar ouder waren. Mensen misschien die jeugdvrienden van hem waren geweest, en met een onbehaaglijk gevoel dacht hij eraan dat hij zich wel een paar van de bijnamen herinnerde die ze elkaar hadden gegeven, maar geen echte namen meer wist.
De gaten in zijn geheugen waren zelfs enorm. Niet dat acht jaar zo'n lange tijd was, maar het was twee-vijfde van het leven van een jongen van twintig jaar oud. En nadat hij uit Billibotton was vertrokken, was zijn leven zo anders geweest, dat alles daarvóór als een mistige droom was vervaagd.
Maar de geuren waren er. Hij bleef voor een bakkerij staan, die laag en smerig was, rook de geur van kokosglazuur die in de lucht hing en die hij zo nooit ergens anders had geroken. Zelfs toen hij een keer gebakjes met kokosglazuur had gekocht die werden aangeprezen als 'Dahl-gebak' waren het vage imitaties geweest, meer niet.
Hij kwam sterk in de verleiding. Ach, waarom niet? Hij had er de kredieten voor en Dors was er niet bij om haar neus op te halen en zich hardop af te vragen hoe schoon - of waarschijnlijker niet schoon - het er niet was. Wie maakte er zich vroeger druk om schoon?
Het was donker in de winkel en het duurde even voordat Raych' ogen gewend waren. Er stonden een paar lage tafels met een paar nogal gammele stoelen, waar mensen ongetwijfeld een lichte maaltijd konden nuttigen; het equivalent van koffie en gebak. Aan een van de tafels zat een jongeman met voor zich een leeg kopje. Hij droeg een T-shirt dat ooit wit was geweest en dat er in beter licht waarschijnlijk zelfs nog smeriger uitzag.
De bakker, of in elk geval een bediende, kwam uit een kamer achterin en zei op een nogal knorrige toon: Wat mot 't zijn?'
'Een coke-glazuur,' zei Raych op een even knorrige toon en het platte dialect gebruikend dat hij zich goed van vroeger herinnerde. Hij zou geen Billibottoner zijn als hij beleefd zou reageren.
De uitdrukking werd nog steeds gebruikt, want de bediende gaf hem wat hij had besteld, het met zijn blote vingers pakkend. De jongen Raych had dat gewoon geaccepteerd maar de man Raych voelde zich nu enigszins onthutst.
'Wil je een tas?'
'Nee,' zei Raych. 'Ik eet het hier op.' Hij betaalde, pakte de coke-glazuur uit de hand van de ander aan en beet met half dichtgeknepen ogen in het heerlijke gebak. In zijn jeugd was het een zeldzame traktatie geweest - soms wanneer hij de benodigde kredieten om er een te kopen bij elkaar had geschraapt, soms wanneer hij een hap kreeg van een vriend die tijdelijk rijk was, vaker wanneer hij er een had gepikt wanneer niemand keek. Nu kon hij er zo veel kopen als hij wilde.
'Hé,' zei een stem.
Raych deed zijn ogen open. Het was de man aan de tafel. Die keek hem dreigend aan.
Vriendelijk zei Raych: 'Heb je het tegen mij, knaap?'
'Ja. Wa'doe je daar?'
'K'eet 'n coke-glazuur. Wat issermee?' Hij was automatisch weer op de manier gaan praten zoals in Billibotton werd gepraat. Het kostte hem geen enkele moeite.
'Wat mot-je in Billibotton?'
'Ben'r geboren. Opgegroeid. In een bed. Niet op straat, zoals jij.' De belediging kostte hem geen moeite, alsof hij nooit van huis was geweest.
'O ja? Je kleedt je netjes voor een Billibottoner. Lekker poenig. En je stinkt naar p'fum.' Waarna hij zijn pink opstak om verwijfdheid aan te duiden.
'Ik heb 't maar niet over jouw stank. Ik ben in de wereld geweest.'
'In de wereld? Tjongejonge.' Er kwamen nog twee mannen de bakkerij binnen. Raych fronste licht zijn voorhoofd, want hij wist niet of ze erbij waren geroepen of niet. De man aan de tafel zei tegen de nieuwkomers: 'Deze is in de wereld geweest. Hij zegt dat hij een Billibottoner is.'
Een van de twee nieuwkomers maakte spottend een slonzige groet en grijnsde onvriendelijk. Zijn tanden stonden schots en scheef. 'Is da-nie mooi? Het is altijd leuk om een Billibottoner de wereld in te zien gaan. Geeft ze de kans hun arme sectorgenoten te helpen. Zoals met kredieten. Je kunt toch zeker wel een paar kredieten voor de armen missen, hè?'
'Hoeveel heb je, man?' zei de ander. De grijns was nu verdwenen.
'Hé,' zei de man achter de toonbank. 'Iedereen mijn winkel uit. Ik wil hier binnen geen herrie hebben.'
'Er komt geen herrie,' zei Raych. 'Ik ga al.'
Hij maakte zich op om te gaan, maar de man die aan de tafel zat stak een been uit om hem tegen te houden. 'Niet gaan, maat. We zullen je missen.'
De man achter de toonbank, die duidelijk het ergste vreesde, verdween achterin.
Raych glimlachte. Hij zei: 'Een keer dat ik in Billibotton was, jongens, was ik met mijn ouwe heer en mijn moeder. Toen wilden ze ons met hun tienen tegenhouden. Tien. Ik heb ze geteld. We hebben ze allemaal moeten opruimen.'
'Ja?' zei degene die aan het woord was geweest. 'Nam je ouwe heer er tien voor zijn rekening?'
'Mijn ouwe heer? Nee. Die verdoet daar zijn tijd niet mee. Mijn moeder. En ik ben beter dan zij. En jullie zijn maar met jullie drieën. Ik zou dus maar opzij gaan.'
'Zeker. Maar laat wel al je kredieten achter. En ook wat van je kleren.'
De man aan de tafel stond op. Hij had een mes in zijn hand.
'Kom nou,' zei Raych. 'Jullie verdoen mijn tijd.' Hij had zijn coke-glazuur op en draaide zich half om. Toen zocht hij in een flits steun op de tafel, terwijl zijn rechterbeen naar voren schoot en hij met de punt van zijn tenen onfeilbaar het kruis van de man met het mes trof.
Met een luide kreet ging hij neer. De tafel vloog omhoog, smakte de tweede man tegen de muur en hield hem daar klem, terwijl Raych' rechterarm wegflitste en de rand van zijn handpalm hard het strottenhoofd van de derde man trof, die hoestend in elkaar zakte.
Het had twee seconden geduurd. Nu stond Raych daar met in elke hand een mes en zei: 'Goed, wie van jullie komt in beweging?'
Ze staarden hem aan maar bleven stokstijf op hun plaats. Raych zei: 'In dat geval stap ik nu op.'
Maar de bediende, die zich in de achterkamer had teruggetrokken, moest hulp hebben gehaald, want er kwamen nu nog eens drie mannen de winkel binnen, terwijl de bediende gilde: 'Onruststokers! Niets dan onruststokers.'
De nieuwkomers waren allemaal hetzelfde gekleed; in iets wat kennelijk een uniform was, maar dan een dat Raych nog nooit had gezien. Een broek die in laarzen stak, een loshangend groen T-shirt met een riem en bovenop hun hoofd vreemde, halfronde hoeden die er nogal komisch uitzagen. Op de linkerborst van hun T-shirts stonden de letters JG.
Ze zagen eruit als Dahlieten maar hun snorren waren niet echt Dahlitisch. Die waren vol en zwart, maar zorgvuldig bijgeknipt ter hoogte van hun lip, terwijl ervoor gezorgd werd dat ze niet al te uitbundig uitgroeiden. In gedachten lachte Raych spottend. Ze bezaten niet de kracht van zijn eigen woeste snor, maar hij moest toegeven dat ze er netjes en schoon uitzagen.
De leider van de drie mannen zei: 'Ik ben korporaal Quinber. Wat is hier aan de hand?'
De verslagen Billibottoners krabbelden duidelijk aangeslagen overeind. Eén bleef dubbelgevouwen staan, een ander wreef over zijn keel en de derde leek zijn schouders ontwricht te hebben.
De korporaal keek hen met een kalme blik aan, terwijl zijn twee mannen de deur blokkeerden. Hij wendde zich tot Raych, de enige die ongedeerd scheen te zijn. 'Ben jij een Billibottoner, jongen?'
'Geboren en getogen, maar ik heb acht jaar ergens anders gewoond.' Hij onderdrukte zijn Billibottonse accent enigszins, maar niet helemaal, althans niet meer dan te horen was in de uitspraak van de korporaal. Behalve Billibotton waren er nog meer streken in Dahl, waarvan sommige heel wat minder grof waren.
Raych vroeg: 'Bent u van de politie? Ik geloof niet dat ik het uniform ken dat u...'
'We zijn geen politie. Veel politie zul je in Billibotton niet vinden. We zijn de Joranumse Garde en we bewaren hier de rust. We kennen deze drie en ze zijn al gewaarschuwd. We zullen voor ze zorgen. Jij bent ons probleem, knaap. Naam, referentienummer?'
Raych gaf ze hem.
'En wat is hier gebeurd?'
Raych vertelde het hem.
'En wat kom je hier doen?'
Raych zei: 'Kom nou. Hebt u het recht om me te ondervragen? Als u niet van de politie bent...'
'Hoor eens,' zei de korporaal met een harde stem, 'begin me niet over rechten. Wij zijn het enige dat er in Billibotton is en we hebben het recht omdat we het nemen. Je zegt dat je die drie mannen in elkaar hebt geslagen en dat geloof ik graag. Maar ons zul je niet te pakken krijgen. We mogen geen blasters dragen...' En met die woorden haalde de korporaal langzaam een blaster te voorschijn. 'En vertel me nu wat je hier te zoeken hebt.'
Raych zuchtte. Als hij regelrecht naar een sectorhal was gegaan, zoals hij had moeten doen... als hij niet was stil blijven staan om zich te verdrinken in nostalgie om Billibotton en coke-glazuur... Hij zei: 'Ik ben gekomen om belangrijke zaken met meneer Joranum te bespreken en aangezien u deel schijnt uit te maken van zijn organi...'
'Om de leider te spreken?'
'Ja, korporaal.'
'Met twee messen bij je?'
'Zelfverdediging. Ik zou ze niet meenemen wanneer ik naar meneer Joranum toeging.'
'Wat je zegt. We nemen je in hechtenis, mannetje. We zoeken deze zaak tot op de bodem uit. Dat kan wel even tijd kosten, maar we doen het toch.'
'U hebt het recht niet. U bent geen officiële pol...'
'Nou, zoek maar iemand om bij te klagen. Tot het zover is ben je van ons.'
En de messen werden in beslag genomen en Raych werd in hechtenis genomen.