2
Seldon zuchtte toen hij in een van de skitters stapte die naast elkaar in de grote alkoof stonden. Er was een tijd geweest, nog maar een paar jaar geleden, dat hij ervan had genoten kwiek door de eindeloze gangen van de bibliotheek te lopen, terwijl hij tegen zichzelf zei dat hij het nog steeds kon, ook al was hij boven de zestig.
Maar nu, op zijn zeventigste, gaven zijn benen het maar al te gauw op en moest hij een skitter nemen. Jongere mannen gebruikten ze constant, omdat skitters hun een hoop inspanning bespaarden, maar Seldon deed het omdat hij wel moest... en dat was een heel verschil.
Nadat Seldon zijn bestemming had ingetoetst, sloot hij een contact, waarna de skitter een fractie van een centimeter boven de vloer opsteeg en heel zacht en heel stil met een kalme vaart weggleed. Seldon leunde achterover en bekeek de muren van de gangen, de andere skitters en de paar wandelaars.
Hij passeerde een aantal bibliothecarissen en zelfs na al die jaren glimlachte hij hun nog toe als hij hen zag. Zij waren het oudste gilde in het Imperium, het gilde met de meest eerbiedigde tradities en ze hielden vast aan gewoonten die eeuwen, misschien wel millennia eerder beter op hun plaats waren geweest.
Hun kleding was zijde-achtig en gebroken wit en hing zo los dat zij bijna een jurk leek. Alles kwam bij de nek samen en golfde daar vandaan naar buiten uit.
Net als op alle werelden wisselde de mode op Trantor, waar het de mannen betrof, tussen het dragen van gezichtsbeharing en gladgeschoren zijn. De mensen van Trantor zelf - althans in de meeste sectoren - waren gladgeschoren, wat al zo lang het geval was als hij zich kon herinneren - behalve relikwieën zoals de snorren die de Dahlieten droegen, zoals zijn eigen pleegzoon Raych.
Maar de bibliothecarissen droegen al heel lang baarden. Elke bibliothecaris droeg een vrij korte, keurig geknipte baard die van oor tot oor liep maar de bovenlip kaal liet. Dat alleen al was voldoende om hen duidelijk herkenbaar te maken, en de gladgeschoren Seldon voelde zich altijd nogal ongemakkelijk als hij door een aantal van hen omgeven werd.
Wat eigenlijk het meest opviel was de hoed die ze allemaal droegen. (Misschien zelfs als ze sliepen, dacht Seldon.) Hij was vierkant, van een soort fluweel gemaakt en bestond uit vier delen die met een knoop bovenop samenkwamen. De hoeden hadden talloze kleurvariaties en kennelijk had elke kleur zijn eigen betekenis. Als je op de hoogte was van de tradities van de bibliothecarissen kon je eruit aflezen hoe lang een bepaalde bibliothecaris in dienst was, op welk terrein zijn specifieke kennis lag, wat hij had gepresteerd, enzovoort. Ze gaven een rangorde aan. Door naar iemands hoed te kijken, kon elke bibliothecaris zien of hij ontzag moest tonen (en in welke mate) of onderdanig moest zijn (eveneens in welke mate).
De Galactische Bibliotheek was het grootste bouwsel op Trantor (misschien in de Galaxis) dat uit één geheel bestond, veel groter zelfs dan het keizerlijk paleis, en ooit had het geglommen en geglansd, alsof het opschepte over zijn grootte en pracht. Maar net als het Imperium zelf was het vervallen en verwelkt. Het leek op een oude douairière die nog steeds de juwelen uit haar jeugd droeg, maar op een lichaam dat verschrompeld en gerimpeld was.
De skitter stopte voor de versierde ingang van het kantoor van de hoofdbibliothecaris en Seldon stapte uit.
Las Zenow glimlachte toen hij Seldon begroette. 'Welkom, mijn vriend,' zei hij met zijn hoge stem. (Seldon vroeg zich af of hij ooit in zijn jeugd als tenor had gezongen, maar hij had het hem nooit durven vragen. De hoofdbibliothecaris was altijd een toonbeeld van waardigheid en die vraag zou hem kunnen beledigen.)
'Gegroet,' zei Seldon. Zenow had een grijze baard, meer bijna wit, en hij droeg een felwitte hoed. De betekenis daarvan begreep Seldon zonder dat iemand het hem hoefde uit te leggen. Dat was een kwestie van omgekeerd uiterlijk vertoon. De totale afwezigheid van kleur gaf de hoogste positie aan.
Zenow wreef met een soort innerlijk genoegen in zijn handen. 'Ik heb je laten komen, Hari, omdat ik goed nieuws voor je heb... We hebben hem gevonden!'
'Met "hem", Las, bedoel je...'
'Een geschikte wereld. Je zocht er een die heel ver weg ligt. Ik denk dat we de ideale hebben gevonden.' Zijn glimlach werd nog breder. 'Laat het maar aan de bibliotheek over, Hari. Wij vinden alles.'
'Daar twijfel ik niet aan, Las. Vertel me eens over die wereld.'
'Nou, ik zal je eerst laten zien waar hij ligt.' Een deel van de muur schoof opzij, de verlichting in de kamer werd getemperd en langzaam draaiend verscheen de Galaxis in een driedimensionale afbeelding. Weer gaven rode lijnen de provincie Anacreon aan, zodat Seldon bijna kon zweren dat de gebeurtenissen met de drie mannen een oefening hiervoor waren geweest.
En toen verscheen er een heldere, blauwe vlek aan de verste rand van de provincie. 'Daar ligt hij,' zei Zenow. 'Een ideale wereld. Vrij groot, met voldoende water, een goede zuurstofatmosfeer en natuurlijk vegetatie. Heel veel zeeleven. Hij ligt gewoon voor het grijpen. Er is geen planeetaanpassing of terravorming nodig... of althans niet van het soort dat niet kan gebeuren terwijl hij al wordt bewoond.'
Seldon zei: 'Is de wereld dan vrij, Las?'
'Volkomen vrij. Er zit niemand op.'
'Maar waarom? Als hij zo geschikt is. Als je over alle gegevens ervan beschikt, neem ik aan dat hij onderzocht is. Waarom is hij niet gekoloniseerd?'
'Hij is onderzocht, maar slechts door onbemande sondes. En hij is waarschijnlijk niet gekoloniseerd omdat hij zo ver van alles vandaan ligt. De planeet draait om een ster die verder van het centrale zwarte gat ligt dan die van enig andere bewoonde planeet. Veel verder zelfs. Te ver, vermoed ik, voor vooruitziende kolonisten, maar niet te ver voor jou, denk ik. Je zei: Hoe verder hoe beter.'
'Ja,' zei Seldon knikkend. 'Dat zeg ik nog steeds. Heeft de planeet een naam of is er alleen een letter/cijfercombinatie?'
'Geloof het of niet, hij heeft een naam. Degenen die de sondes erheen hebben gestuurd hebben hem Terminus genoemd, een archaïsch woord dat "het einde van de weg" betekent. Wat hij schijnt te zijn.'
Seldon vroeg: 'Maakt de wereld deel uit van het territorium van de provincie Anacreon?'
'Niet echt,' zei Zenow. 'Als je de rode lijn en de rode schaduw bekijkt, zul je zien dat de blauwe vlek van Terminus iets erbuiten ligt... vijftig lichtjaar erbuiten, om precies te zijn. Terminus hoort bij niemand; hij maakt zelfs geen deel uit van het Imperium.'
'Dan heb je gelijk, Las. Het lijkt de ideale wereld te zijn waar ik naar gezocht heb.'
'Maar zodra je bezit neemt van Terminus,' zei Zenow bedachtzaam, 'zal de gouverneur van Anacreon er aanspraak op maken als vallende onder zijn jurisdictie.'
'Dat is mogelijk,' zei Seldon, 'maar daar maken we ons wel druk om als het zover is.'
Zenow wreef weer in zijn handen. Wat een fantastische gedachte. Een enorm project opzetten op een gloednieuwe wereld die ver weg en volkomen geïsoleerd ligt, zodat jaar na jaar en eeuw na eeuw een enorme encyclopedie van alle menselijke kennis kan worden samengesteld. Een toonbeeld van wat er in deze bibliotheek aanwezig is. Was ik maar jonger, ik zou dolgraag mee willen doen.'
Seldon zei treurig: 'Je bent bijna twintig jaar jonger dan ik.' (Bijna iedereen is veel jonger dan ik, dacht hij nog treuriger.)
Zenow zei: 'O ja, ik heb gehoord dat je net zeventig bent geworden. Ik hoop dat je ervan hebt genoten en het naar behoren hebt gevierd.'
Seldon rilde. 'Ik vier mijn verjaardagen niet.'
'O, maar vroeger wel. Ik herinner me het beroemde verhaal van je zestigste verjaardag.'
Seldon voelde de pijn zo diep alsof het grootste verlies in heel de wereld pas een dag geleden had plaatsgevonden. 'Praat daar alsjeblieft niet over,' zei hij.
Beschaamd zei Zenow: 'Het spijt me. Laten we het over iets anders hebben. Als Terminus inderdaad de wereld is die je nodig hebt, neem ik aan dat je voorbereidende werkzaamheden aan het encyclopedieproject zullen worden verdubbeld. Je weet dat de bibliotheek je in elk opzicht graag zal willen helpen.'
'Daar ben ik me van bewust, Las, en ik ben je er eindeloos dankbaar voor. We zullen inderdaad door blijven werken.'
Hij stond op, maar kon nog niet glimlachen na de scherpe pijnscheut die was veroorzaakt door de verwijzing naar zijn verjaardagsfeest tien jaar terug. Hij zei: 'Ik moet dus maar eens verder gaan met mijn werk.'
En toen hij vertrok, voelde hij, zoals altijd, een schrijnend schuldgevoel over het bedrog dat hij pleegde. Las Zenow had er niet het flauwste benul van wat Seldons ware bedoelingen waren.