17
Raych hield zijn ogen neergeslagen. Hij had een snelle blik op Namarti geworpen en meer had hij niet nodig gehad. Hij had de man tien jaar geleden ontmoet, toen hij erop uit was gestuurd om Jo-Jo Joranum in de val te lokken die hem zou vernietigen. Eén blik was meer dan genoeg.
Namarti was weinig veranderd in tien jaar. Woede en haat waren nog steeds de overheersende karaktereigenschappen die je in hem kon zien - of die Raych tenminste in hem kon zien, want hij begreep dat hij geen onpartijdige getuige was. Zijn gezicht was iets magerder, zijn haar grijs doorschoten, maar zijn dunne mond toonde dezelfde harde lijn en zijn donkere ogen fonkelden nog even vervaarlijk als altijd.
Dat was genoeg en Raych hield zijn ogen afgewend. Namarti, begreep hij, was niet iemand die een man die hem strak in het gezicht kon aankijken zou waarderen.
Namarti leek Raych met zijn eigen ogen te verslinden, maar de lichte grijns die altijd op zijn gezicht scheen te staan, bleef.
Hij wendde zich tot Andorin, die ongemakkelijk opzij stond, en zei alsof het onderwerp van het gesprek er niet bij stond: 'Dit is hem dus.'
Andorin knikte en zijn lippen vormden een geluidloos 'Ja, Chef.'
Plotseling zei Namarti tegen Raych: 'Je naam?'
'Planchet, meneer.'
'Geloof je in onze zaak?'
'Ja, meneer.' Hij sprak voorzichtig, zoals Andorin hem had opgedragen. 'Ik ben een democraat en wil een grotere deelname van het volk in de regering.'
Namarti's ogen flitsten Andorins kant op. 'Iemand die redevoeringen maakt.'
Hij keek weer naar Raych. Wil je risico's nemen voor de zaak?'
'Elk risico, meneer.'
'Doe je wat je gezegd wordt? Zonder te vragen? Zonder te aarzelen?'
'Ik volg bevelen op.'
'Weet je iets over tuinieren?'
Raych aarzelde. 'Nee, meneer.'
'Ben je dan een Trantoriaan? Geboren onder de koepel?'
'Ik ben in Millimaru geboren, meneer en opgegroeid in Dahl.'
'Mooi zo,' zei Namarti. Toen tegen Andorin: 'Breng hem naar buiten en laat hem daar tijdelijk achter bij de wachtende mannen. Die zullen goed voor hem zorgen. Kom dan terug, Andorin. Ik wil je spreken.'
Toen Andorin terugkeerde, had zich een grote verandering in Namarti voltrokken. Zijn ogen glansden en zijn mond was vertrokken tot een dierlijke grijns. 'Andorin,' zei hij, 'de goden waar we laatst over spraken steunen ons nog meer dan ik me had kunnen voorstellen.'
'Ik zei u toch dat de man geschikt was voor ons doel.'
'Veel geschikter dan je denkt. Je kent natuurlijk het verhaal van hoe Hari Seldon, onze geëerde premier, zijn zoon, of liever pleegzoon, naar Joranum stuurde om hem in de val te lokken waarin hij tegen mijn raad liep.'
'Ja,' zei Andorin lusteloos knikkend. 'Ik ken het verhaal.' Hij zei het op de toon van iemand die het hele verhaal maar al te goed kende.
'Ik heb die jongen slechts die ene keer gezien, maar zijn gezicht staat in mijn geest gebrand. Denk je dat tien jaar tijd, valse hakken en een afgeschoren snor me voor de gek zouden kunnen houden? Die Planchet van jou is Raych, de pleegzoon van Hari Seldon.'
Andorin werd bleek en hield even zijn adem in. Hij zei: 'Weet je dat zeker, Chef?'
'Zo zeker als ik weet dat je hier voor me staat en dat je een vijand in ons midden hebt gebracht.'
'Ik wist niet...'
'Maak je niet druk,' zei Namarti. 'Het is het beste dat je ooit in je hele, lege, aristocratische leven hebt gedaan. Je hebt de rol gespeeld die de goden voor je hadden bestemd. Als ik niet had geweten wie hij was, zou hij de taak hebben verricht waarvoor hij ongetwijfeld hier is: een spion in ons midden en een informant van onze geheimste plannen te zijn. Maar omdat ik weet wie hij is, zal dat zo niet lukken. Wij, daarentegen, hebben nu àlles!' Namarti wreef opgetogen met zijn handen in elkaar en begon weifelend, alsof hij begreep hoe a-typisch dat voor hem was, te glimlachen... en lachte.