2
Maar Seldon, al vergat hij Amaryls waarschuwing niet, dacht er niet erg diep over na. Zijn veertigste verjaardag was met de gebruikelijke psychische klap gekomen en voorbijgegaan.
Veertig! Hij was niet meer jong. Het leven lag niet langer als een uitgestrekt, ongerept land voor hem, waarvan de horizon verloren ging in de verte. Acht jaar was hij nu op Trantor en die tijd was snel voorbijgegaan. Nog eens acht jaar en hij zou bijna vijftig zijn. De ouderdom doemde op.
En hij had nog niet eens een behoorlijk begin gemaakt aan de psychohistorie! Yugo Amaryl sprak pienter over wetten en werkte zijn formules uit door gedurfde veronderstellingen te doen die gebaseerd waren op intuïtie. Maar hoe kon je die veronderstellingen ooit controleren? De psychohistorie was nog geen experimentele wetenschap. De volledige studie van de psychohistorie zou experimenten vereisen die hele werelden met mensen zou omvatten, eeuwen aan tijd... en een volkomen gebrek aan ethische verantwoordelijkheid.
Dit vormde een onmogelijk probleem en hij vond het vreselijk om ook maar enige tijd aan bestuurlijke taken te besteden. Dus liep hij aan het eind van de dag in een sombere stemming naar huis.
Normaal gesproken vrolijkte een wandeling door de campus zijn humeur altijd wel op. De Streelinguniversiteit werd door een hoge koepel overdekt en op de campus had je het gevoel dat je buiten in de open lucht was, zonder dat je het soort weer moest doorstaan dat hij had meegemaakt tijdens zijn ene en enige bezoek aan het keizerlijke paleis. Er stonden bomen, lagen paden en grasvelden, bijna alsof hij op de campus van zijn oude universiteit op zijn thuiswereld Helicon was.
Die dag werd er een illusie van bewolking geschapen door het zonlicht (geen zon natuurlijk, alleen zonlicht) op onregelmatige tijden te laten verschijnen en verdwijnen. En het was iets aan de koude kant, een tikje maar.
Het leek Seldon dat er meer koude dagen waren dan vroeger. Bespaarde Trantor energie? Werd de efficiëntie verhoogd? Of (en hij gruwde bij de gedachte) werd hij oud en zijn bloed dun? Hij stak zijn handen in de zakken van zijn jasje en trok zijn schouders op.
Gewoonlijk liep hij onbewust een kant op. Zijn lichaam wist uitstekend de weg van zijn kantoor naar zijn computerruimte en daarvandaan naar zijn appartement en terug. Meestal legde hij de weg af terwijl zijn gedachten ergens anders waren, maar vandaag drong er een geluid zijn bewustzijn binnen. Een geluid met een betekenis.
'Jo... Jo... Jo... Jo...'
Het klonk vrij zacht en ver weg, maar het bracht een herinnering terug. Ja, de waarschuwing van Amaryl. De demagoog. Was hij hier op de campus?
Zijn benen zwenkten opzij, zonder dat Seldon een bewuste beslissing nam, en brachten hem naar de lage heuvel van het universiteitsterrein, die werd gebruikt voor gymnastiek, sport en waarop het studentenpodium stond.
Midden op het terrein stond een vrij grote groep studenten enthousiast te roepen. Op een verhoging stond iemand die hij niet kende, iemand met een harde stem en een swingend ritme.
Maar het was niet Joranum. Hij had Joranum een paar keer op holovisie gezien. Sinds Amaryls waarschuwing had Seldon goed opgelet. Joranum was groot en glimlachte met een soort valse kameraadschappelijkheid. Hij had dik zandkleurig haar en lichtblauwe ogen.
Deze spreker was klein, had een dunne, brede mond, donker haar en een harde stem. Seldon luisterde niet naar de woorden, al hoorde hij de zin 'macht van de ene naar de massa' en het meerstemmig geschreeuwde antwoord.
Mooi, dacht Seldon, maar hoe denkt hij dit klaar te spelen, en meent hij het?
Hij stond nu aan de rand van de menigte en keek rond of hij iemand kende. Hij zag Finangelos, een jonge wiskunde-student. Geen onaardige jongeman met donker en wollig haar.
'Finangelos!' riep hij.
'Professor Seldon,' zei Finangelos na Seldon even te hebben aangestaard alsof hij hem niet herkende zonder toetsenbord onder zijn vingers. Hij liep naar hem toe. 'Bent u naar deze man komen luisteren?'
'Ik kwam alleen maar kijken wat dit voor lawaai was. Wie is dat?'
'Hij heet Namarti, professor. Hij spreekt voor Jo-Jo.'
'Dat hoor ik,' zei Seldon, terwijl hij weer naar het geroep luisterde. Het begon kennelijk elke keer wanneer de spreker een punt aanroerde. 'Wie is die Namarti? Ik ken zijn naam niet. Op welke faculteit zit hij?'
'Hij is niet ingeschreven op de universiteit, professor. Hij is een van Jo-Jo's mensen.'
'Als hij niet is ingeschreven op de universiteit, heeft hij het recht niet om hier zonder vergunning te spreken. Denk je dat hij die heeft?'
'Ik zou het niet weten, professor.'
'Nou, laten we dat dan eens uitzoeken.'
Seldon begon zich door de menigte heen te werken, maar Finangelos pakte hem bij zijn mouw. 'Maakt u nou geen problemen, professor. Hij heeft zijn eigen vervolgers bij zich.'
Er stonden zes jongemannen achter de spreker; op enige afstand van elkaar, wijdbeens, armen over elkaar, voor zich uit starend.
'Vervolgers?'
'Voor het ruwe werk, als iemand iets raars probeert uit te halen.'
'Dan is hij beslist niet ingeschreven en zelfs een vergunning zou die "vervolgers" van hem niet dekken. Finangelos, waarschuw de bewakingsdienst van de universiteit. Die had hier toch al moeten zijn.'
'Ik denk dat ze geen last willen veroorzaken,' sputterde Finangelos tegen. 'Alstublieft, professor, probeert u het nou niet. Als u wilt dat ik de bewakingsdienst haal, doe ik dat, maar u moet wachten tot die er is.'
'Misschien kan ik hier al eerder een eind aan maken.'
Hij begon zich een weg te banen. Dat was niet moeilijk. Sommigen van de aanwezigen herkenden hem en ze konden allemaal het professorembleem op zijn schouder zien. Hij kwam bij het bijna één meter hoge podium aan, steunde met zijn handen op de rand en sprong er met een zachte grom op. Kwaad dacht hij eraan dat het hem tien jaar eerder met slechts één hand en zonder grom was gelukt.
Hij kwam overeind. De spreker was gestopt en bekeek hem met een behoedzame en ijskoude blik.
Kalm zei Seldon: 'Mag ik uw vergunning zien om de studenten toe te spreken, meneer?'
'Wie bent u?' vroeg de spreker. Hij zei het hard, met een vèrdragende stem.
'Ik ben lid van de faculteitsraad van deze universiteit,' zei Seldon even hard. 'Uw vergunning, meneer?'
'U hebt het recht niet om me daarover vragen te stellen.' De jongemannen achter de spreker waren dichterbij gekomen.
'Als u geen vergunning hebt, raad ik u aan het universiteitsterrein onmiddellijk te verlaten.'
'En als ik dat niet doe?'
'Nou, in de eerste plaats is de bewakingsdienst van de universiteit onderweg.' Hij richtte zich tot de menigte. 'Studenten,' riep hij, 'we hebben het recht van vrije meningsuiting en vrijheid van samenscholing op deze campus, maar dat kan ons worden ontnomen wanneer we toestaan dat buitenstaanders zonder vergunning zomaar...'
Er werd een zware hand op zijn schouder gelegd en hij huiverde. Hij draaide zich om en zag dat het een van de mannen was die Finangelos 'vervolgers' had genoemd.
De man zei met een zwaar accent dat Seldon niet meteen kon thuisbrengen: 'Wegwezen hier, en vlug.'
'Wat heeft dit voor zin?' zei Seldon. 'De beveiligingsdienst kan elk moment hier zijn.'
'In dat geval,' zei Namarti met een mistroostige grijns, 'wordt het een rel. Dat maakt ons niet bang.'
'Natuurlijk niet,' zei Seldon. 'Dat zouden jullie wel willen. Maar er komt geen rel van. Jullie gaan kalm weg.' Hij wendde zich weer tot de studenten en schoof de hand van zijn schouder weg. 'Daar zullen we wel voor zorgen, nietwaar?'
Iemand in de menigte riep: 'Dat is professor Seldon! Hij is geen kwaaie! Sla hem niet!'
Seldon voelde dat er tweedracht in de menigte heerste.
Hij wist dat er een paar bij zouden zijn die gewoon voor de lol graag herrie met de bewakingsbeambten van de universiteit zouden willen schoppen. Aan de andere kant moesten er een paar bij zijn die hem persoonlijk mochten en nog weer anderen die hem niet kenden maar die geen ruzie wilden maken met een lid van de faculteitsraad.
Een vrouwenstem riep: 'Kijk uit, professor!'
Seldon zuchtte en bekeek de lange jongeman die voor hem stond. Hij wist niet of hij het zou kunnen, of zijn reflexen snel genoeg en zijn spieren sterk genoeg zouden zijn, zelfs na de door hem getoonde moed bij het twisten.
Een vervolger naderde hem, natuurlijk vol zelfvertrouwen. Niet snel, waardoor Seldon het kleine beetje tijd kreeg dat zijn ouder wordende lichaam nodig zou hebben. De vervolger stak zijn arm naar hem uit, wat het gemakkelijker maakte.
Seldon greep de arm, draaide en boog de arm omhoog en toen weer omlaag (Met een grom. Waarom moest hij steeds grommen?), waarna de vervolger door de lucht vloog, gedeeltelijk voortgedreven door zijn eigen massa. Hij landde met een plof aan de buitenste rand van het podium, zijn rechterschouder uit de kom.
Er klonken wilde kreten uit het publiek bij deze totaal onverwachte ontwikkelingen. Meteen groeide er een gezamenlijke trots.
'Grijp ze, prof!' riep een enkele stem. Andere stemmen volgden hem.
Seldon streek zijn haar naar achteren en probeerde niet te hijgen. Hij schoof de gevallen vervolger, die lag te kreunen, met zijn voet van het podium. 'Nog iemand?' vroeg hij vrolijk. 'Of vertrekt u in alle rust?'
Hij keek Namarti en zijn vijf trawanten aan en toen ze besluiteloos bleven staan, zei Seldon: 'Ik waarschuw u. De menigte staat nu aan mijn kant. Als u probeert mij samen aan te vallen, verscheuren ze u. Goed, wie is de volgende? Aan de slag, één voor één.'
Bij de laatste zin had hij zijn stem verheven, terwijl hij kleine uitdagende gebaren met zijn handen maakte. De menigte gilde van plezier.
Namarti bleef stokstijf staan. Seldon sprong langs hem heen en klemde zijn nek in de bocht van zijn arm. Studenten klommen nu op het podium en riepen: 'Eén tegelijk! Eén tegelijk!' Ze gingen tussen de lijfwachten en Seldon in staan.
Seldon verhoogde de druk op de luchtpijp van de ander en fluisterde in zijn oor: 'Er bestaat een manier om dit te doen, Namarti, en ik weet hoe. Ik heb het jaren lang geoefend. Als je je beweegt en probeert weg te komen, verpletter ik je strottenhoofd, zodat je in het vervolg alleen nog maar kan fluisteren. Als je je stem wilt behouden, doe je wat ik zeg. Als ik loslaat, zeg je tegen die reuzen van je dat ze moeten weggaan. Als je iets anders zegt, is dat het laatste dat je normaal zult zeggen. En als je ooit nog terug naar deze campus komt, kun je het wel vergeten met je mooie maniertjes. Dan maak ik het werk af.'
Hij verlichtte de druk even. Schor zei Namarti: 'Iedereen wegwezen.' Ze trokken zich haastig terug en hielpen hun verslagen kameraad.
Toen de bewakingsdienst van de universiteit even later aankwam, zei Seldon: 'Sorry, heren. Vals alarm.'
Hij verliet het veld en liep met geen al te prettig humeur verder naar huis. Hij had een kant van zichzelf onthuld die hij niet had willen onthullen. Hij was Hari Seldon, mathematicus, niet Hari Seldon de sadistische twister.
Trouwens, dacht hij somber, Dors zou hiervan horen. Hij kon het haar het beste zelf vertellen, zodat ze niet een versie van het verhaal te horen kreeg die het allemaal erger maakte dan het in feite was.
Ze zou het niet leuk vinden.