100
De Eerste Abessijnse Kerk van het Nieuwe Verbond was ooit een imposant natuurstenen gebouw geweest, maar in de loop van de jaren geleidelijk in verval geraakt. De fluwelen bankkussens, die nodig vervangen moesten worden, waren op veel te veel plaatsen met isolatieband gerepareerd. Het was er altijd koud, ’s zomers en ’s winters; dat had iets met de natuurstenen muren en vloer te maken, plus het feit dat het een fortuin zou kosten om die spelonkachtige ruimte goed te verwarmen, en daarvoor ontbraken de middelen.
Er waren die ochtend niet veel kerkgangers, zoals op de meeste zondagen, met uitzondering van Pasen en Kerstmis. Er waren zelfs een paar blanke gezichten, een paar vaste bezoekers die hier vonden wat ze in de blanke kerken misten. LaTonya en haar gezin waren er niet, en dat was niet vreemd, want die kwamen maar een paar keer per jaar. Toen ze nog maar net getrouwd waren, ging Leon altijd met Audrey mee, maar op een gegeven moment had hij gezegd dat het niets voor hem was. Ze wist niet eens of hij die ochtend uitsliep of iets anders deed, wat dat dan ook mocht zijn.
Leon was een van de redenen waarom ze die dag zo somber gestemd was. En dan was Noyce er ook nog. Het nieuws had haar diep getroffen. Ze voelde zich bedrogen door die man, die haar vriend en mentor was geweest en zijn ware aard voor haar verborgen had gehouden. Het maakte haar misselijk.
Maar hoe diep die ontdekking haar ook had geschokt, ze voelde zich ook bevrijd. Ze had er geen moeite meer mee om hem te bedriegen, dingen achter zijn rug om te doen. Ze wist dat ze eigenlijk geen keus had. Of Jack Noyce nu door de Stratton Corporation werd omgekocht en bijzonderheden van het onderzoek naar zijn vroegere collega had doorgespeeld – of alleen maar gecompromitteerd was door wat Rinaldi van hem wist – hij had zijn best gedaan haar onderzoek te laten mislukken. Ze dacht weer aan de vele gesprekken die ze over deze zaak met hem had gehad, de adviezen die hij haar zo rijkelijk had gegeven. Hij had haar gewaarschuwd dat ze voorzichtig te werk moest gaan en tegen haar gezegd dat ze niet genoeg bewijzen had om Conover en Rinaldi te kunnen arresteren. En wie zou ooit weten wat hij nog meer had gedaan om de dingen te vertragen, haar te belemmeren? Welke middelen had hij stilletjes geblokkeerd? Hoe het ook zij, ze kon Noyce niet vertellen dat Bugbee en zij op het punt stonden een arrestatiebevel voor de president-directeur en beveiligingschef van Stratton aan te vragen. Noyce moest in het ongewisse blijven, anders zou hij Rinaldi een tip geven en alles doen wat in zijn macht lag om de arrestatie tegen te houden.
Maar hier in de kerk vond ze tenminste rust en gastvrijheid en liefde. Iedereen zei goedemorgen, zelfs mensen van wie ze de naam niet wist, hoffelijke heren en beleefde jongemannen en lieftallige jonge vrouwen en moeders met hun kinderen en vriendelijke oude dames met wit haar. Maxine Blake was helemaal in het wit gekleed. Ze droeg een sierlijke hoed. Die zag er een beetje uit als een omgekeerde emmer waar witte slierten uitkwamen die eromheen hingen als ringen om een planeet. Ze sloeg haar armen om Audrey heen en drukte haar tegen haar enorme boezem, zodat er een wolk van parfum en warmte en liefde vrijkwam. ‘God is goed,’ zei Maxine.
‘Altijd,’ antwoordde Audrey.
De dienst begon ruim twintig minuten te laat. ‘De tijd van zwarte mensen,’ werd er voor de grap gezegd. Het koor, gehuld in schitterend rood-met-witte gewaden, liep door het gangpad, klappend en zingend van ‘It’s a Highway to Heaven’. Het elektronische orgel viel in, gevolgd door de trompet en de trommel, en toen zong Audrey met bijna alle anderen mee. Ze had altijd in het koor willen zingen, maar haar stem was niet zo bijzonder – al was het haar opgevallen dat sommige vrouwen in het koor een ijle stem hadden en vaak vals zongen. Maar sommigen hadden een prachtige stem. De mannen zongen meestal met een diepe bas, maar de tenor zat er vaak naast.
Dominee Jamison begon zijn preek zoals hij altijd deed, namelijk door ‘God is goed’ te roepen, waarop iedereen antwoordde: ‘Altijd.’ Hij zei het opnieuw, en iedereen antwoordde opnieuw. Zijn preken waren altijd oprecht, meestal geïnspireerd, en duurden nooit te lang. Ze waren ook niet erg origineel. Audrey had gehoord dat hij ze van internet haalde, van baptistische websites met modellen en voorbeelden. Toen iemand hem een keer op zijn gebrek aan originaliteit wees, had dominee Jamison gezegd: ‘Ik melk veel koeien, maar ik karn mijn eigen boter.’ Audrey vond dat mooi gezegd.
Vandaag vertelde hij het verhaal van Jozua en de legers van Israël die de goede strijd streden. Ze vochten tegen vijf koningen van Kanaän om het Beloofde Land. Hij vertelde hoe de koningen Jozua in de kaart speelden door samen ten strijde te trekken. En dat het niet de Heer was die strijd leverde, maar Israël. De vijf koningen probeerden zich in een grot te verschuilen, maar Jozua gaf opdracht de grot af te sluiten. En toen de veldslag was gewonnen, haalde Jozua de koningen uit hun grot, uit hun schuilplaats, en vernederde hen door zijn prinsen opdracht te geven hun voet op de nek van de koningen te zetten. ‘We kunnen ons niet schuilhouden voor God,’ zei hij. ‘Alleen in de hel kunnen we ons voor God verschuilen.’
Zoals zo vaak moest ze meteen aan Nicholas Conover denken, en aan de graffiti die meermalen met spuitverf op de binnenmuren van zijn huis was aangebracht. Geen schuilplaats.
Dat kon angstaanjagend zijn, en zo zou Conover het vast wel opvatten. Geen schuilplaats – waarvoor zou hij zich verschuilen? Voor een anonieme tegenstander, een stalker? Voor zijn schuld, zijn zonden?
Maar hier in de kerk was ‘geen schuilplaats’ bedoeld als een strenge, maar hoopvolle vermaning.
Met zijn meest gezwollen stem haalde hij Spreuken 28 aan: ‘Die zijn overtredingen bedekt, zal niet voorspoedig zijn; maar die ze bekent en laat, zal barmhartigheid verkrijgen.’
En omdat alle preken van dominee Jamison bedoeld waren om iets te betekenen voor iedereen in de gemeente, dacht ze aan Nicholas Conover. De koning die zich schuilhield in zijn grot.
Maar er was geen schuilplaats. Andrew Stadler had gelijk gehad, nietwaar?
Dominee Jamison gaf een teken aan het koor, dat meteen een levendig ‘No Hiding Place Down Here’ inzette. De soliste was Mabel Darnell, een grote vrouw die zong en deinde als Aretha Franklin en Mahalia Jackson samen. De organist, Ike Robinson, zat vooraan, in het zicht, niet verborgen zoals organisten in veel andere kerken die ze had gezien. Hij liep tegen de tachtig, met wit haar en een donkere huid. Hij had expressieve ogen en een innemende glimlach, en droeg een wit pak. Audrey had altijd gevonden dat hij op Count Basie leek.
‘Ik ging naar de rotsen om mijn gezicht te verbergen,’ zong Mabel, in haar handen klappend. ‘Maar de rotsen riepen: “Geen schuilplaats!”’
Count Basies dikke vingers bewogen zich snel over de toetsen. Ze syncopeerden en maakten swingende jazz, en de rest van het koor viel in bij de rotsen en mijn gezicht en riepen en geen schuilplaats geen schuilplaats geen schuilplaats.
En zodra het koor klaar was, terwijl de orgelklanken nog nagalmden, bulderde dominee Jamisons stem door de kerk: ‘Mijn vrienden, niemand van ons kan zich voor de Heer verschuilen. “En de koningen der aarde en de groten en de oversten over duizend, en de rijken en de machtigen, en iedere slaaf en vrije…’” Zijn stem verhief zich gestaag, tot het geluidssysteem piepte van het rondzingen. ‘“… verborgen zich in de holen, en de rotsen der bergen.”’ Nu zakte zijn stem tot nadrukkelijk fluisteren af: “‘En zij zeiden tot de bergen en tot de rotsen: Valt op ons en verbergt ons van het aangezicht Hem, die gezeten is op de troon, en voor de toorn van het Lam. Want de grote dag van hun toorn is gekomen en wie kan bestaan?”’
Hij zweeg even om de gemeente te laten weten dat zijn preek was afgelopen. Toen nodigde hij iedereen die dat wilde uit om naar het altaar te komen voor een persoonlijk gebed. Terwijl Ike Robinson, geen Count Basie meer, zachtjes speelde, kwamen ongeveer tien mensen uit de banken en knielden voor het altaarhek neer, en plotseling voelde Audrey zich geroepen om dat ook te doen, al had ze het sinds de dood van haar moeder niet meer gedaan. Ze ging erheen en knielde neer tussen Maxine Blake met haar enorme hoed vol saturnusringen en een andere vrouw, Sylvia-en-nog-iets, wier man kortgeleden aan de complicaties van een levertransplantatie was gestorven, zodat ze met vier kleine kinderen was achtergebleven.
Sylvia-en-nog-iets maakte een verschrikkelijk zware tijd door, en waar had Audrey nu eigenlijk over te klagen? Haar problemen waren klein, maar ze vervulden haar, zoals kleine problemen doen totdat er grote problemen komen die ze opzij duwen.
Ze wist dat ze zo kwaad op Leon was dat het een obsessie werd, en ze herinnerde zich de woorden uit Efeziërs 4:26: ‘De zon mag niet over een opwelling van uw toorn ondergaan; en geeft de duivel geen voet.’ En ze wist dat ze die woede los moest laten en eens en vooral de confrontatie met hem moest aaneaan.
Ze wist dat de teleurstelling over Jack Noyce nooit zou weggaan, dat ze zich altijd gekwetst zou voelen, maar dat zou haar er niet van weerhouden om te doen wat goed was.
Ze dacht aan die arme kleine dochter van Nicholas Conover die achter de piano zat te zwoegen, dat mooie, hulpeloze gezichtje. Dat kleine meisje dat kortgeleden haar moeder had verloren en op het punt stond haar vader ook te verliezen.
En dat was vooral zo hartverscheurend: de wetenschap dat ze dat kleine meisje tot wees zou maken.
Ze huilde schokschouderend. De hete tranen liepen over haar wangen, en iemand wreef over haar schouder en troostte haar, en ze voelde liefde.
Buiten de kerk, in het sombere daglicht, pakte ze haar mobiele telefoon uit haar tasje en belde Roy Bugbee.