60
‘Met Nick Conover.’
Het verbaasde Audrey dat Nicholas Conover de telefoon zo snel opnam. Ze verwachtte van het kastje naar de muur te worden gestuurd, het telefoonspelletje dat machtige mannen zo graag speelden.
‘Meneer Conover, met rechercheur Rhimes van het team Ernstige Delicten van de politie van Fenwick. Het spijt me dat ik u weer lastigval.’
Een korte stilte.
‘Geen probleem,’ zei hij. ‘Wat kan ik voor u doen?’
‘Nou, ik vroeg me af of we mochten rondkijken in uw huis.’
‘Rondkijken…?’
‘We dachten dat we dan misschien kunnen ontdekken waar Andrew Stadler die nacht was.’ Ze hoopte dat ze subtiel genoeg op ‘we’ was overgaan. ‘Als het inderdaad Andrew Stadler was die in die nacht naar uw huis ging, werd hij misschien afgeschrikt door al die nieuwe beveiligingsmaatregelen. De camera’s en lichten en noem maar op.’
‘Dat is mogelijk.’ Conovers stem klonk nu een beetje minder vriendelijk.
‘Dus als we kunnen vaststellen of hij naar uw huis is gegaan – of hij het echt was die in uw tuin kwam en niet bijvoorbeeld een hert zou dat ons erg helpen om zijn laatste uren in kaart brengen. Het zou ons veel werk kunnen besparen.’
Ze hoorde Conover inademen.
‘Als u het over “rondkijken” hebt, wat bedoelt u dan precies?’
‘Een huiszoeking. U weet wel, zoals gewoonlijk.’
‘Misschien weet ik niet precies wat dat inhoudt.’ Klonk er een beetje spanning in zijn stem door? In elk geval was er iets veranderd. Hij zond geen vriendelijke signalen meer uit. Hij was neutraal geworden.
‘We komen met onze technisch rechercheurs, verzamelen sporenmateriaal, maken foto’s, dat soort dingen.’
Ze wisten allebei wat ze bedoelde. Hoe ze het ook wendde of keerde, hoe ze het ook verpakte, het bleef het doorzoeken van een plaats delict, en dat begreep Conover heus wel. Het was nu een vreemd soort steekspel. Bijna een toneelvoorstelling.
‘U hebt het over het doorzoeken van mijn tuin?’
‘Eh, ja. En ook uw huis.’
‘Mijn huis.’
‘Ja.’
‘Maar… maar er is niemand in mijn huis geweest.’
Daar was ze op voorbereid. ‘Nou, weet u, als Andrew Stadler werkelijk de stalker is die het afgelopen jaar in uw huis heeft ingebroken, zullen we daar sporen van vinden. Heb ik het mis of heeft niemand van de politie van Fenwick ooit vingerafdrukken genomen toen er was ingebroken?’
‘Dat klopt.’
Ze schudde haar hoofd en deed haar ogen dicht. ‘Hoe minder daarover gezegd wordt, hoe beter het is.’
‘Wanneer wilt u dat gaan doen? In de loop van deze week?’
‘Nou, gezien de vaart die er in dit onderzoek zit,’ zei ze, ‘zouden we het graag vandaag willen doen.’
Weer een stilte, ditmaal langer.
‘Weet u wat?’ zei Conover ten slotte. ‘Ik bel u zo terug. Op welk nummer kan ik u het best bereiken?’
Ze vroeg zich af wat hij nu ging doen – een advocaat bellen? Zijn beveiligingschef? Wat hij ook deed, en of hij nu toestemming gaf of niet, ze zou zijn huis doorzoeken.
Als hij weigerde, zou ze binnen een uur een huiszoekingsbevel kunnen krijgen. Ze had al met een officier van justitie gepraat. Ze had hem die ochtend zelfs wakker gebeld, iets wat hem niet bepaald voor haar had ingenomen. Zodra hij bij zijn positieven was, had hij gezegd dat er voldoende grond voor een huiszoekingsbevel was. De rechter zou zijn handtekening zetten, geen probleem.
Maar Audrey wilde geen huiszoekingsbevel aanvragen. Ze wilde het niet hard spelen. Nog niet. Dat was escalatie, en wanneer ze de zaak wilde laten escaleren, kon ze dat altijd nog doen. Ze kon het beter wat rustiger spelen. Ze wilde de schijn ophouden – en dat gebeurde van twee kanten, geloofde ze – dat Nicholas Conover alleen maar meewerkte omdat hij een fatsoenlijke staatsburger was die gerechtigheid wilde, die wilde dat de zaak tot op de bodem werd uitgezocht. Want zodra hij haar tegenwerkte, zou ze in de aanval gaan.
Als hij weigerde, zouden er binnen enkele minuten vier politiewagens op weg naar zijn adres zijn om het huis en de bijbehorende grond af te zetten en ervoor te zorgen dat niemand iets wegbracht. Een uur later zou ze zelf komen, met een huiszoekingsbevel en een team van de technische recherche.
Ze wilde die weg nog niet inslaan, maar ze moest al rekening houden met de juridische aspecten. De officier van justitie had gezegd dat ze een huiszoekingsbevel kon krijgen als ze dat wilde. In plaats daarvan wilde Audrey het huis met toestemming van Conover doorzoeken. Dat betekende dat Conover een standaardformulier zou tekenen om die toestemming te geven.
Het was wel een beetje lastig. Als Conover tekende, met getuigen die dat konden bevestigen, wilde dat zeggen dat hij welbewust en vrijwillig toestemming gaf voor een huiszoeking. Maar er waren gevallen geweest, wist ze, waarin het een verdachte met een slimme advocaat was gelukt de resultaten van een huiszoeking ongeldig te laten verklaren. Ze hadden beweerd dat ze gedwongen waren of dat ze er niets van hadden begrepen of zoiets. Audrey was vastbesloten die fout niet te maken. Daarom hield ze zich aan de raad van de officier van justitie: laat Conover dat formulier tekenen en dateren met twee getuigen erbij, en er kan je niets gebeuren. En als hij weigert, zorgen we dat je een huiszoekingsbevel krijgt.
Een halfuur later belde hij terug. Hij klonk weer zelfverzekerd. ‘Goed, rechercheur, ik heb daar geen probleem mee.’
‘Dank u, meneer Conover. Nu, dan wil ik u vragen een formulier te ondertekenen om ons toestemming te geven uw perceel te doorzoeken. U weet wel, om de puntjes op de i te zetten.’
‘Geen probleem.’
‘Bent u erbij als we de huiszoeking doen? U moet dat natuurlijk zelf weten. Ik weet hoe druk u het hebt.’
‘Dat is misschien wel een goed idee, nietwaar?’
‘Ja, het lijkt me een goed idee.’
‘Hoort u eens, rechercheur. Eén ding. Ik vind het niet erg dat u mijn huis doorzoekt. U mag zoeken naar wat u maar wilt, maar ik wil echt niet dat het in de buurt dan wemelt van de politie, begrijpt u? Komen er een heleboel politiewagens met zwaailichten en sirenes en zo?’
Audrey grinnikte. ‘Zo erg wordt het niet.’
‘Kunt u dit doen met, hoe noemt u dat, burgerauto’s?’
‘Ja, voor het grootste deel wel. Er komt natuurlijk wel een busje van de technische recherche en zo, maar we proberen het subtiel aan te pakken.’
‘Voor zover een huiszoeking door de politie subtiel kan zijn, hè? Zo subtiel als een steen tegen je hoofd.’
Ze lachten allebei beleefd en onbehaaglijk.
‘Nog één ding,’ zei Conover. ‘Dit is een kleine stad, en u weet ook wel dat mensen praten. Ik hoop echt dat dit alles discreet gebeurt.’
‘Discreet?’
‘Zonder dat het publiek het merkt. Ik kan het er echt niet bij hebben dat mensen ook nog horen dat de politie me heeft ondervraagd en mijn huis heeft doorzocht in verband met die verschrikkelijke moord. Wat ik bedoel, is dat ik wil dat mijn naam erbuiten blijft.’
‘Uw naam blijft erbuiten,’ herhaalde ze, en ze dacht: wat zeg je nu precies?
‘Weet u, ik ben de president-directeur van een grote onderneming in een stad waar niet iedereen gek op me is. Het laatste wat ik wil, is dat er geruchten de ronde doen – dat mensen dingen gaan verzinnen over een onderzoek naar Nick Conover. Begrijpt u?’
‘Ja.’ Ze voelde die tinteling weer, alsof ze ineens kippenvel had.
‘Ik bedoel, hé, we weten allebei dat ik geen verdachte ben. Maar voor je het weet, gaan er allerlei geruchten.’
‘Ja.’
‘Weet u, het is net zoals ze zeggen. Een leugen is de halve wereld al rond voordat de waarheid kans heeft gezien zijn broek aan te trekken.’
‘Dat vind ik een mooi gezegde,’ zei ze. Dat vond ze ook vreemd. Wanneer een onschuldige werd ondervraagd over een moord, praatte hij daar bijna altijd over met zijn vrienden. Hij was verontwaardigd en protesteerde. Een onschuldige die in de schijnwerpers stond, wilde de steun van zijn vrienden, en daarom vertelde hij iedereen hoe schandalig het was dat de politie hem verdacht.
Nick Conover wilde niet dat de mensen wisten dat de politie in hem geïnteresseerd was.
Dat was niet de reactie van een onschuldige.