41
Hij zette het bord met de omelet op de tafel voor haar neer, met een vork en een papieren servetje en een kop thee. Die kop, zag hij te laat, had het oude Stratton-logo uit de jaren zeventig op de zijkant. Ze stortte zich op het voedsel en at alsof ze uitgehongerd was. ‘Wanneer hebt u vandaag voor het laatst gegeten?’ vroeg Nick. ‘Nu,’ zei ze. ‘Ik vergat te eten.’
‘Hè?’
‘Ik had andere dingen aan mijn hoofd. Hé, dit is niet slecht.’
‘Dank u.’
‘Ik had niet gedacht dat u zo goed kon koken.’
‘Zo ver als dit gaat mijn kookkunst ongeveer.’
‘Ik voel me al veel beter. Dank u. Ik dacht dat ik van mijn stokje ging.’
‘Graag gedaan. Ik zag wat salami in de koelkast, maar ik dacht dat u veganist zou zijn of zoiets.’
‘Veganisten eten geen eieren,’ zei ze. ‘Hm. God, weet u, er zijn soorten lintwormen die zichzelf opeten als ze geen voedsel vinden.’
‘Blij dat ik hier op tijd was.’
‘De president-directeur van Stratton maakt een verrekt goeie omelet. Wacht maar tot de kranten dat horen.’
‘Hoe bent u in Chicago terechtgekomen?’
‘Lang verhaal. Ik ben hier opgegroeid. Maar toen ik negen of tien was, kreeg mijn moeder genoeg van de gekte van mijn vader. Dat was voordat er schizofrenie bij hem was vastgesteld. Ze verhuisde naar Chicago en liet me hier bij mijn vader achter. Een paar jaar later ging ik bij haar en haar nieuwe man wonen. Hé, dit is mijn huis, en ik ben geen goede gastvrouw.’
Ze stond op, liep naar een van de onderkastjes en maakte de deur open. Er stond een verzameling stoffige flessen in, vermout en Bailey’s Irish Cream en dat soort dingen. ‘Laat me raden – u bent iemand voor whisky.’
‘Ik moet naar huis, naar de kinderen.’
‘O,’ zei ze. ‘Ja.’ Haar gezicht had iets opgejaagds, iets van een verschoppeling, en dat trof hem. Hij had tegen Marta gezegd dat hij een uur of zo weg zou zijn; een uur erbij zou niet zoveel verschil maken.
‘Maar misschien kan een beetje whisky geen kwaad.’
Ze straalde, bukte zich en haalde een fles Jameson’s te voorschijn. ‘Ierse, geen Schotse. Is dat goed?’
‘Ja hoor.’
Ze pakte een tumbler van geslepen glas uit hetzelfde kastje. ‘Oei,’ zei ze terwijl ze een stofwolk uit het glas blies. Ze hield het onder de stromende kraan. ‘Ik ga rocks zeggen.’
‘Hm?’
‘Ijsblokjes. U drinkt uw whisky on the rocks.’ Ze ging naar de antieke Frigidaire, maakte het vriesvak open en pakte er het soort ijsbak uit dat Nick in geen tientallen jaren had gezien, aluminium met een hendel die je omhoogtrok om het ijs in blokjes te breken. Ze trok de hendel naar achteren, en het ijs maakte een knerpend geluid dat hem aan zijn kinderjaren deed denken. Het deed hem ook aan zijn vader denken, die van whisky on the rocks hield, elke avond en te veel.
Ze liet een handvol van de scherpe blokjes in het glas vallen, schonk er zo’n vijf centimeter whisky overheen en gaf hem het glas. Ze keek hem recht in de ogen, de eerste keer dat ze dat deed. Haar ogen waren groot en grijsgroen en helder, en Nick voelde iets in zijn kruis. Hij schaamde zich meteen. Jezus, dacht hij.
‘Dank u,’ zei hij. In het glas was famous grouse gegraveerd. Het was zo’n reclameglas dat je in de slijterij kreeg, in één verpakking met de fles.
‘En u?’
‘Ik houd niet van whisky,’ zei ze. De ketel begon schel te fluiten. Ze pakte hem van de brander, vond een doos theezakjes in een la en schonk zich een kop kruidenthee in.
‘Wat voor gevoel is het om thuis te zijn?’ De whisky had een aangenaam scherpe smaak en hij voelde de werking meteen. Hij herinnerde zich trouwens niet wanneer hij zelf voor het laatst iets had gegeten.
‘Vreemd,’ zei ze, terwijl ze aan de tafel ging zitten. ‘Het roept veel herinneringen bij me op. Goede, en ook minder goede herinneringen.’ Ze keek hem aan. ‘Ik denk niet dat u dat begrijpt.’
‘Probeer het maar eens.’
‘Weet u hoe het is om een ouder met een ernstige geestesziekte te hebben? Je bent een kind en je begrijpt niet wat er aan de hand is.’
‘Ja. Hoe zou je dat ook kunnen begrijpen?’
Cassie deed haar ogen dicht en het leek of ze ergens anders was. ‘Dus je bent zijn dochter en hij houdt van je. Hij knuffelt je zoals niemand je kan knuffelen en drukt zijn voorhoofd tegen dat van jou aan en je voelt je zo veilig, zo geliefd, en alles in de wereld is goed. En dan, op een dag, is hij anders – alleen heeft hij het gevoel dat jij anders bent.’
‘Door de ziekte.’
‘Hij kijkt je aan en je bent een vreemde voor hem. Je bent nu niet zijn dochter, van wie hij houdt. Misschien lijk je op haar, maar hij trapt er niet in, hij weet dat je vervangen bent door iets of iemand anders. Hij kijkt je aan en hij ziet een robot, weet je. En je zegt: “Papa!” Je bent drie of vier of vijf en je spreidt je armen en wacht op je superspeciale knuffel. En hij zegt: “Wie ben jij? Wie ben jij echt?” En hij zegt: “Ga weg! Ga weg! Ga weg!”’ Haar mimiek was griezelig; Nick ving een glimp op van de nachtmerrie die ze had doorgemaakt. ‘Je beseft dat hij doodsbang voor je is. En het is anders dan alles wat je ooit hebt meegemaakt. Want het is iets anders dan wat er gebeurt als je je misdraagt; dan wordt mama of papa boos en wordt er tegen je geschreeuwd. Ieder kind weet hoe dat is. Ze zijn kwaad. Maar je weet dat ze nog steeds van je houden, en ze weten nog steeds dat je bestaat. Ze denken niet dat je een buitenaards wezen bent. Ze zijn niet bang voor je. Wanneer een ouder schizofrenie heeft, is het heel anders. Het maakt zich van hen meester, en plotseling besta je niet meer voor hem. Je bent geen dochter meer, maar een bedrieger, een indringer. Een… buitenstaander. Iemand die daar niet thuishoort.’ Ze glimlachte bedroefd.
‘Hij was ziek.’
‘Hij was ziek,’ herhaalde Cassie. ‘Maar een kind begrijpt dat niet. Een kind kan dat niet begrijpen. Zelfs wanneer iemand het me had uitgelegd, zou ik het waarschijnlijk niet hebben begrepen.’ Ze snoof en haar ogen liepen vol met tranen. Ze fronste haar wenkbrauwen, wendde zich af en veegde haar ogen af aan haar T-shirt, zodat haar platte buik te zien was, haar kleine uitpuilende navel. Nick deed zijn best om niet te kijken.
‘Heeft niemand je ooit verteld wat er aan de hand was?’
‘Toen ik een jaar of dertien was, kwam ik er eindelijk achter. Mijn moeder wilde het niet accepteren en wilde er ook niet over praten. Dat is ook nogal krankzinnig, als je er goed over nadenkt.’
‘Ik kan me niet voorstellen wat je moest doormaken.’ En dat kon hij inderdaad niet – niet wat ze had moeten doormaken, en ook niet wat ze door de dood van haar vader opnieuw moest doormaken. Hij zou heel graag iets voor haar willen doen.
‘Nee, dat kun je je niet voorstellen. Maar het tast je geest aan. In mijn geval tenminste wel.’
Ze drukte haar kin tegen haar borst en streek met haar vingers door haar piekerige haar. Toen ze opkeek, waren haar wangen nat. ‘Je hoeft dit niet aan te horen,’ zei ze, haar stem gesmoord van de tranen. ‘Je kunt beter weggaan.’
‘Cassie,’ zei hij. Hij fluisterde het en het klonk veel persoonlijker dan zijn bedoeling was geweest.
Een tijdlang haalde ze snel en ondiep adem. Toen ze weer sprak, klonk haar stem gespannen. ‘Je moet naar je kinderen,’ zei ze. ‘Niets is belangrijker dan je gezin.’
‘Mijn gezin stelt tegenwoordig niet veel meer voor.’
‘Dat moet je niet zeggen,’ zei Cassie. Ze keek fel naar hem op. ‘Zo moet je verdomme nooit praten. Nóóit.’ Er was iets in haar opgelaaid, als een heel luciferboekje, en het zakte bijna even snel weer af. Maar wie kon dat deze vrouw kwalijk nemen, die zo kortgeleden haar vader had begraven? En toen herinnerde hij zich waarom.
‘Sorry,’ zei hij. ‘Het was niet makkelijk voor de kinderen, en ik doe niet bepaald mijn werk.’
‘Hoe is ze gestorven?’ Haar stem was zacht. ‘Hun moeder.’
Hij nam weer een slokje. Er speelde zich een snelle scène in zijn hoofd af, onrustig, een slecht gemonteerde film. De korreltjes glas overal in Laura’s haar. De voorruit als een spinnenweb. ‘Ik wil er liever niet over praten.’
‘O, het spijt me.’
‘Je hoeft je niet te verontschuldigen. Het was een begrijpelijke vraag.’
‘Nee, je… huilt.’
Hij besefte dat hij dat deed, en toen hij zich beschaamd afwendde, inwendig vloekend op de drank, stond ze van haar stoel op en kwam naar hem toe. Ze legde haar kleine warme hand op zijn gezicht, boog zich dicht naar hem toe en drukte haar lippen op de zijne.
Geschrokken deinsde hij terug, maar ze kwam dichterbij, drukte haar lippen harder tegen de zijne en legde haar andere hand op zijn borst.
Hij wendde zijn hoofd af. ‘Cassie, ik moet naar huis.’
Cassie glimlachte teleurgesteld. ‘Ga maar,’ zei ze. ‘Je kinderen wachten.’
‘Eigenlijk de oppas. Ze vindt het erg als ik later thuiskom dan ik beloof.’
‘Je dochter – hoe heet ze ook weer?’
‘Julia.’
‘Julia. Mooie naam. Ga naar Julia en Luke. Ze hebben je nodig. Ga naar je omheinde enclave terug.’
‘Hoe weet je dat ik daar woon?’
‘Mensen praten. Het is perfect.’
‘Wat?’
‘Dat jij in een omheinde enclave woont.’
‘Ik ben daar niet echt het type voor.’
‘O, volgens mij wel,’ zei ze. ‘Meer dan je zelf beseft.’