95
Het was een uur rijden naar het internationaal vliegveld Gerald R. Ford en daarna vijf uur vliegen naar het vliegveld van Boston, de luchthaven Logan, waar net zoveel mensen leken te zijn als in heel Fenwick. Nick kwam langs een Legal Seafoods-restaurant, een W.H. Smith-boekwinkel en een Brookstone-noviteitenwinkel voordat hij de lift naar Grondtransport bereikte. Tussen een groepje particuliere chauffeurs zag hij een man met een olijfbruine huid, gekleed in een blauwe blazer en een grijze broek, die een kaart met NICOLAS CONVER omhooghield. Dat kwam er dicht genoeg bij.
Fairfield Partners was de hoofdhuurder van een immens gebouw van glas en graniet aan Federal Street in het hart van Boston. Willard Osgoods kantoor bevond zich op de zesendertigste en zevenendertigste verdieping. Op de receptie overheersten duifgrijs fluweel en tropische houtsoorten, en Nick verwachtte dat hij tijd genoeg zou krijgen om alle details te bestuderen, want het zou wel even duren voordat hij bij de Grote Man werd toegelaten. Maar tot zijn verbazing zei de rossig blonde receptioniste dat hij meteen naar binnen kon gaan. Nick vroeg zich af of hij te laat was, maar volgens zijn horloge was hij eerder een paar minuten te vroeg.
Toen hij door de glazen deur liep, werd Nick opgewacht door een andere blonde vrouw, die een bril met een rood plastic montuur droeg. ‘Meneer Conover,’ zei ze. ‘Goede vlucht gehad?’
‘Jazeker,’ zei Nick.
‘Kan ik u iets brengen? Water, frisdrank, koffie?’
‘Ik heb niets nodig,’ zei Nick, die grote passen moest nemen om haar bij te houden.
‘Het is jammer dat Todd op reis is. Hij zou u graag gedag hebben gezegd als hij wist dat u kwam.’
Ongetwijfeld, dacht Nick. ‘Nou, misschien doet u er goed aan om even met meneer Osgood te overleggen voordat u Todd of iemand anders vertelt dat ik hier ben geweest.’
‘Ja,’ zei ze vlug. ‘Natuurlijk.’
Het kantoor van Fairfield Partners was enorm hoog en had een glazen wand: van twee verdiepingen was een vide gemaakt. Aan de wanden hingen ingelijste tijdschriftomslagen waarop Willard Osgood te zien was – met een vishengel op het omslag van Field & Stream, in een blauw pak met gele das op dat van Forbes. Osgoods brede, bebrilde gezicht en de tevreden en toch bezorgde uitdrukking daarop waren altijd hetzelfde, alsof het hoofd op andere modellen was gePhotoshopt.
Ten slotte wees ze naar een geelbruine leren bank in wat er als een enorme wachtruimte uitzag, en zei: ‘Gaat u zitten. Ik laat u hier achter.’
Nick keek om zich heen, zag het grote glazen bureau en allerlei vistrofeeën aan de wand. Pas na een tijdje kreeg hij in de gaten dat dit Willard Osgoods eigen kantoor was. Hij keek uit de ramen aan weerskanten en zag de haven van Boston in de verte, met daarachter een paar kleine eilandjes.
Even later kwam Willard Osgood zelf binnen: het brede, verweerde gezicht, de brillenglazen als bodems van colaflesjes – het leek wel of hij uit die tijdschriftomslagen was geknipt. Nick stond op en besefte dat Osgood zo’n vijf centimeter groter was dan hij.
‘Nick Conover,’ zei Osgood met een bulderende stem, en hij gaf hem een vriendschappelijke klap op zijn schouder. ‘Ik hoop dat je hebt gezien wat voor stoel ik achter mijn bureau heb staan.’ Hij wees naar de Stratton Symbiosis-stoel.
Nick grijnsde. ‘Hij beviel je zo goed dat je het hele bedrijf kocht.’ Osgood trok zijn borstelige wenkbrauwen op. ‘Heb ik daar goed aan gedaan?’
‘Ik hoop dat de stoel je nog steeds bevalt. Het is nog steeds een goed bedrijf.’
‘Wat doe jij dan hier in Boston?’
‘Ik wil je vragen me te helpen een probleem op te lossen.’ Osgood keek tegelijk verbaasd en geamuseerd. ‘Laat me die Stratton-stoel gebruiken,’ zei hij na enkele ogenblikken, en hij liep naar zijn bureau. Nick ging tegenover hem zitten. ‘Ik kan altijd beter denken als ik zit.’
Nick begon meteen. ‘Als ik het me goed herinner heb je, toen je in Fenwick was, tegen ons gezegd dat je een bedrijf vaak het liefst eeuwig vasthield.’
‘Aha,’ zei Osgood, die het blijkbaar begreep. Hij knipperde een paar keer met zijn ogen, vouwde zijn handen op zijn bureau en schraapte zijn keel. ‘Nick, ik heb je vast ook wel mijn regel nummer één verteld: nooit geld verliezen.’
Osgood wist dat Todd de onderneming verkocht, besefte Nick nu. Dus misschien had Cassie het mis. Maar wist hij alles? ‘Die les is Todd Muldaur blijkbaar vergeten, als hij hem al ooit heeft geleerd,’ zei hij.
‘Todd heeft een moeilijk jaar achter de rug,’ zei Osgood meteen. Hij klonk een beetje geërgerd. ‘Maar daar zijn heel goede verklaringen voor.’
‘Ja, nou, “een verklaring is geen excuus”, zoals je ook graag mag zeggen.’
Osgood glimlachte en legde daarmee een schitterende rij porseleinkronen bloot. ‘Ik zie dat het evangelie zich verspreidt.’
‘Toch vraag ik me af of een van die verklaringen soms inhoudt dat er niemand op de winkel past. Want daar zinspeelt Todd op. Hij zegt dat je niet veel meer op kantoor bent. Dat je je tegenwoordig misschien meer voor vliegvissen interesseert dan voor winstmarges.’ Osgoods glimlach drong bijna tot zijn ogen door. ‘Ik hoop dat je dat niet gelooft.’
‘Ik weet niet wat ik moet denken.’
‘Mijn luitenants bedoelen daar natuurlijk mee dat mijn tijd voorbij is. Dat willen ze graag denken, want het betekent dat hun tijd is aangebroken.’ Osgood leunde in zijn stoel achterover, maar natuurlijk wilde de ergonomische Stratton Symbiosis-stoel hem niet helemaal naar achteren laten kantelen, zoals oudere stoelen zouden doen. ‘Ik zal je een verhaal vertellen, maar je mag het niet doorvertellen, begrepen?’
Nick knikte.
‘Een paar jaar geleden ging ik met Todd naar Islamorada, Florida, voor de jaarlijkse trek van de tarpon. Natuurlijk verscheen hij met zijn gloednieuwe Sage-hengel en zijn Abel-spoel, en hij droeg een leren riem met een gratenvis op de gesp.’ Hij bulderde even van het lachen. ‘Het ontbrak hem niet aan zelfvertrouwen. Hij zei dat hij veel aan vliegvissen had gedaan bij een duur hotel in Alaska, het soort gelegenheid met gourmetmaaltijden en een sauna en een gids die alles voor je doet behalve je reet afvegen. En dus liet ik hem in de boeg staan en zag ik hem urenlang zijn lijn uitgooien. Die arme kerel gooide hem telkens weer uit, werd steeds gefrustreerder, zijn lijn ging steeds weer verkeerd, en de vliegen kwamen tegen zijn achterste aan.’ Hij knipperde een paar keer met zijn ogen. ‘Ten slotte vond ik dat ik genoeg lol had gehad. Ik stond op en nam dertig meter lijn. Zodra ik een school vissen zag naderen, liet ik de vlieg gaan. De vissen hapten toe en twee meter tarpon ging de lucht in. Kun je me nog volgen? Eén school vissen – één poging – één worp – en één vis de boot in.’
‘Goed,’ zei Nick, die het een mooi verhaal vond maar zich afvroeg wat het betekende.
‘Volgens mij wist Todd niet dat je het met dure apparatuur en een mooie Ex Officio-broek niet redt. Het gaat om ervaring. Je moet het gewoon keer op keer doen. Er zijn jaren van oefenen voor nodig. Daar kan niets tegen op.’
‘Hoe maak je tarpon klaar?’
‘O, nee, nee, je moet hem niet eten. Dat is het mooie. Je gooit hem terug. Het gaat alleen om het gevecht.’
‘Huh,’ zei Nick. ‘Het lijkt me geen sport voor mij.’
‘Als ik het goed begrijp, gaat het bij ijshockey ook om het gevecht. En dan heb je op het eind niet eens een vis in je handen.’
‘Zo kun je het ook bekijken.’
‘Maar je hebt wel gelijk. Todd heeft fouten gemaakt. Hij heeft een paar keer misgegokt.’
‘Ik denk dat de term “paniekvoetbal” meer op zijn plaats is.’ Osgood vond het niet grappig. ‘Ik weet heel goed wat er gebeurt,’ zei hij korzelig.
‘O ja? Dat vraag ik me af.’ Nick boog zich naar hem toe, haalde een map uit zijn tas en schoof hem over het bureau. Osgood maakte hem open, schoof zijn bril naar zijn voorhoofd en bekeek de papieren. Het viel Nick op dat de horizontale lijnen in Osgoods voorhoofd recht en regelmatig waren, alsof ze met een liniaal waren getrokken.
Osgood keek even op. ‘Ik wou dat hij het niet op deze manier had gedaan.’
‘Welke manier?’
‘Jou erbuiten houden. Zo doe ik het niet graag. Ik speel graag open kaart. Nu begrijp ik waarom je met me komt praten. En waarom je zo van streek bent.’
‘O, nee,’ zei Nick vlug. ‘Ik begrijp heel goed waarom hij mij erbuiten hield. Hij wist dat ik sterk gekant was… ben… tegen een verkoop als deze. Ik had niet de macht om het tegen te houden, maar waarschijnlijk was hij bang dat ik stennis zou maken en het misschien zelfs in de openbaarheid zou brengen. Daarom deed hij het liever buiten mij om. Tegen de tijd dat ik erachter zou komen, zou het een voldongen feit zijn. Dan zou het te laat zijn.’
‘Zoiets. Maar zoals ik al zei: het is niet mijn manier om de dingen te doen.’
‘Todd had een snelle geldinjectie nodig om na al zijn mislukte speculaties met halfgeleiders de firma te redden. En een beursgang duurt een eeuwigheid. Ik snap het.’
‘Ik heb tegen Todd gezegd dat jij niet onredelijk bent, Nick. Hij had je op de hoogte moeten stellen.’
‘Misschien had hij jou ook op de hoogte moeten stellen. Hij had je bijvoorbeeld kunnen vertellen wie de peetmoeder achter Pacific Rim Investors in werkelijkheid is. Al ging hij er waarschijnlijk van uit dat jij, met je politieke overtuigingen, niet wilde horen waar het geld vandaan komt.’ Nick zweeg even. ‘Het Volksbevrijdingsleger.’ Osgood knipperde met zijn ogen.
‘Dat is het Chinese leger,’ legde Nick uit. ‘Het leger van communistisch China.’
‘Ik weet wat dat is,’ zei Osgood kortaf. ‘Als ik mijn huiswerk niet had gedaan, zou ik niet zover gekomen zijn.’
‘Je wist dit,’ zei Nick.
‘Allemachtig, natuurlijk wist ik het. Er is niets illegaals aan, mijn vriend.’
‘Het Chinese leger,’ herhaalde Nick. Hij hoopte dat die term de oude conservatief wakker zou schudden.
‘O, kom nou, het gaat om kantoormeubilair. Niet om Patriot-raketten of kernwapens of zoiets. Bureaus en stoelen en archiefkasten. Je kunt niet beweren dat we onze vijanden het touw verkopen waarmee ze ons gaan ophangen.’
‘Maar heb je ook naar de cijfers over Stratton gekeken die Todd aan Pacific Rim Investors heeft voorgelegd?’
Osgood schoof de map van zich af. ‘Ik doe niet aan micromanagement. Ik kijk niet over de schouders van mijn mededirecteuren. Nick, we hebben het allebei druk…’
‘Misschien zou je dat moeten doen. Want weet je, de balans die Todd hun heeft voorgelegd, was bedrog. Opgesteld door mijn financieel directeur, Scott McNally, die weet hoe je lipstick op een varken moet smeren.’
Weer die blinkende porseleinkronen in zijn mond. ‘Nick, misschien ben je een beetje te lang in het Middenwesten geweest, maar zo’n houding van James Stewart in een film als Mr. Smith Goes to Washington werkt hier niet.’
‘Ik heb het niet over moraliteit, Willard. Ik heb het over illegaliteit.’
Osgood maakte een geërgerd gebaar in Nicks richting. ‘Er zijn allerlei manieren om de boekhouding te doen. Trouwens, we hebben een clausule tegen processen achteraf, zelfs wanneer de koper spijt krijgt.’
‘Daar weet je ook van,’ zei Nick met doffe stem.
Osgoods blik boorde zich dwars door hem heen. ‘Conover, als je probeert alles te achterhalen, verspil je jouw tijd en de mijne. Het paard is de stal uit. De tijd van klagen is voorbij. Wel, zijn we nu klaar?’ Osgood stond op en drukte op een knop van zijn intercom. ‘Rosemary, wil je meneer Conover even uitlaten?’
Maar Nick bleef op zijn stoel zitten. ‘Ik ben nog niet klaar,’ zei hij.