3
Hij rende op het gegil af en trof Julia naast het zwembad aan. Ze gilde met horten en stoten en zat op de arduinstenen rand. Haar handen sloegen in het water en haar kleine rug zwaaide heen en weer. Marta stond dichtbij, hulpeloos en ontzet, haar hand voor haar mond.
Toen zag Nick waarom Julia zo gilde, en hij voelde zich meteen misselijk.
In bessenrood water dreef een donkere vorm, helemaal uitgestrekt, omringd door glanzende witte ingewanden. Het bloed concentreerde zich in een donkere wolk om het karkas heen; het water werd lichter en roziger naarmate het verder van de behaarde bruine massa vandaan was.
Het karkas was niet meteen herkenbaar als Barney, hun oude labrador/golden retriever. Hij wilde het eerst niet geloven en moest nog eens kijken. Op de arduinsteen, niet ver van de plaats waar Julia jammerend zat neergeknield, lag een bebloed koolstofstalen Henckels-mes uit hun keukenset.
Nu begreep hij opeens veel meer: het ongewoon grote aantal politieagenten, de ondervraging, zelfs het feit dat Barney hem niet meteen met geblaf had begroet, zoals hij altijd deed.
Twee politiemannen waren foto’s aan het maken. Ze praatten met elkaar en hun gedempte gesprek werd onderbroken door knetterende geluiden uit hun radio’s. Ze praatten nonchalant met elkaar, alsof er niets bijzonders was gebeurd. Dit was hun dagelijks werk. Niemand gaf blijk van medeleven of bezorgdheid. Nick merkte dat hij woedend werd, maar hij moest nu vooral zijn dochter troosten.
Hij ging vlug naar haar toe, liet zich op zijn knieën zakken en legde zijn hand op haar rug. ‘Schatje,’ zei hij. ‘Schatje.’
Ze draaide zich om, sloeg haar armen om zijn hals en jammerde luidkeels. Haar adem kwam bij horten en stoten en was warm en vochtig. Hij hield haar stevig vast, alsof hij het trauma uit haar kleine lichaam kon persen, alles weer normaal kon maken, haar weer het gevoel kon geven dat ze veilig was.
‘O, schatje, ik vind het zo erg.’ Ze haalde krampachtig adem, alsof ze hikte. Hij hield haar nog steviger vast. Al haar tranen smolten samen in de holte van haar hals. Hij voelde dat ze haar shirt doorweekten.
Tien minuten later, toen Marta met Julia naar binnen was gegaan, sprak Nick met agent Manzi. Hij deed nu niet meer zijn best om zijn woede in te houden. ‘Wat gaan jullie hieraan doen?’ bulderde Nick. ‘Waar wachten jullie op? Die inbraken zijn al maanden aan de gang, en jullie hebben er helemaal niks aan gedaan.’
‘Neemt u me niet kwalijk, meneer,’ zei Manzi neutraal.
‘Jullie hebben geen rechercheur op de zaak gezet, jullie hebben geen onderzoek ingesteld, jullie hebben de lijsten van ontslagen Stratton-medewerkers niet nagetrokken. Jullie hebben maanden de tijd gehad om die verrekte gek tegen te houden. Waar wachten jullie op? Moet die krankzinnige een van mijn kinderen vermoorden voordat jullie de zaak serieus nemen?’
Manzi’s kalmte – bespeurde Nick een soort voldoening, was dat mogelijk? – was om razend van te worden. ‘Nou, meneer, zoals ik al zei: u zou er eens over kunnen denken uw beveiliging uit te breiden…’
‘Mijn beveiliging? En jullie dan? Is dit verdomme niet jullie werk?’
‘U hebt het zelf gezegd, meneer: u hebt vijfduizend personeelsleden van Stratton ontslagen. Tegen zoveel vijanden kunnen wij u niet beschermen. U moet echt uw beveiligingssysteem uitbreiden.’
‘Ja, en wat gaan jullie doen? Hoe gaan jullie mijn gezin beschermen?’
‘Laat ik eerlijk tegen u zijn, meneer. Stalkingzaken zijn altijd erg moeilijk.’
‘U bedoelt dat u er verdomd weinig aan kunt doen, nietwaar?’ Manzi haalde zijn schouders op. ‘U hebt het gezegd. Ik niet.’