66
Toen hij bij Cassie aankwam, stortregende het. Hij parkeerde op haar pad, rende naar de voordeur, belde aan en stond daar nat te worden. Geen reactie; hij belde opnieuw.
Geen reactie. Hij belde een derde keer en keek op zijn horloge. Het was twintig voor een, dus hij was op tijd. Tussen halfeen en een uur, had ze gezegd. Natuurlijk kon dat verschillende dingen betekenen; misschien had ze gewild dat hij een exacte tijd noemde.
Drijfnat, huiverend van de koude regen, klopte hij op de deur en belde opnieuw. Hij zou andere kleren moeten aantrekken als hij op kantoor was; hij had daar reservekleding. Het was niet de bedoeling dat de president-directeur van Stratton als een verzopen kat door het hoofdkantoor liep.
Ten slotte draaide hij de knop om, en tot zijn verrassing ging de deur open. Hij ging naar binnen en riep: ‘Cassie?’
Geen antwoord.
Hij liep de keuken in. ‘Cassie, ik ben het. Nick. Ben je daar?’
Niets.
Hij ging de huiskamer in, maar daar was ze ook niet. Nu begon hij zich zorgen te maken. Ze maakte een kwetsbare indruk, en haar vader was net gestorven. Wie kon zeggen wat ze zichzelf zou aandoen?
‘Cassie?’ riep hij, nu luider. Ze was niet beneden. In de huiskamer was de zonwering dicht. Hij trok twee latjes opzij en keek naar buiten, maar daar was ze ook niet.
Nerveus ging hij naar boven. Hij riep haar naam weer. De bovenverdieping was nog donkerder en groezeliger dan de begane grond. Geen wonder dat ze hem niet boven wilde hebben. Twee deuren aan weerskanten van een korte gang, en twee aan de uiteinden. Geen van de deuren was dicht. Hij begon met de kamer aan het eind van de gang. Dat was een slaapkamer met niet veel meer dan een tweepersoonsbed en een kaptafel. Het bed was opgemaakt. De kamer zag eruit alsof hij niet werd gebruikt en rook ook zo, alsof er een tijdlang niemand was geweest. Hij nam aan dat het Andrew Stadlers kamer was. Hij ging naar de kamer aan het andere eind van de gang, met een slordig onopgemaakt bed, een spijkerbroek die binnenstebuiten op de vloer lag en de geur van patchoeli en sigaretten. Dat was natuurlijk Cassies kamer.
‘Cassie,’ riep hij opnieuw, terwijl hij een van de andere kamers probeerde. Die rook sterk naar verf, en al voor hij naar binnen ging, wist hij dat Cassie daar haar atelier had. En inderdaad stond er een half-voltooid doek op een ezel. Het was een vreemd schilderij, een vrouw omringd door felle oranje en gele vegen. Andere schilderijen stonden tegen de muren, en ze leken allemaal een variatie op datzelfde bizarre beeld van die zwartharige jonge vrouw, naakt, haar mond verwrongen in een schreeuw. Het leek wel wat op dat beroemde schilderij van Edvard Munch, De Schreeuw. Op elk schilderij werd de vrouw omringd door concentrische gele en oranje vegen, als een zonsondergang, of misschien vuur. Het waren verontrustende schilderijen, maar ze was vrij goed, vond Nick, al wist hij niet veel van kunst. Hij vroeg zich af of hun berichten elkaar gekruist hadden.
Nou, ze was hier ook niet, en dat betekende dat er iets mis moest zijn, of anders hadden hun berichten elkaar misschien gekruist in de paar uur sinds hij zijn mailtje had verstuurd. Misschien was ze van gedachten veranderd, of moest ze plotseling ergens heen, en had ze hem gemaild om hem dat te vertellen en was dat mailtje niet aangekomen. Zulke dingen gebeurden.
Hij probeerde de laatste deur, maar dat was een badkamer. Hij moest dringend pissen en pakte toen een badhandoek om zijn overhemd en broek enigszins af te drogen. Hij hing de handdoek weer aan de stang en wierp, voordat hij wegging, een blik in het medicijnkastje met spiegeldeurtjes. Eigenlijk vond hij het maar niks dat hij aan het snuffelen was.
Afgezien van de gebruikelijke cosmetica en vrouwenproducten stonden er een paar bruine plastic medicijnflesjes met ‘Zyprexa’ en ‘lithium’ op het etiket. Hij wist dat lithium werd voorgeschreven aan manisch depressieven, maar hij wist niet waar dat andere middel voor was. Hij zag Andrew Stadlers naam op beide etiketten staan.
De medicijnen van haar vader, dacht hij. Die heeft ze nog niet weggegooid.
‘Ze zijn niet allemaal van hem, weet je.’
Hij schrok zich wild van Cassies stem en kreeg meteen een kleur.
‘Dat lithium – dat is van mij,’ zei ze. ‘Ik heb er de pest aan. Het maakt me dik en bezorgt me puistjes. Het is net of ik weer een tiener ben.’ Ze wuifde met een ongeopend pakje sigaretten naar hem en hij wist meteen waar ze was geweest.
‘Cassie… Jezus, het spijt me.’ Hij deed niet eens alsof hij naar een pijnstiller zocht of zoiets. ‘Ik schaam me diep. Ik wilde niet snuffelen. Ik bedoel, ik was aan het snuffelen, maar ik had dat niet moeten doen…’
‘Zou je ook snuffelen om te kijken of het regent? Het is toch wel duidelijk. Als je iemand ontmoet die op de middelbare school de beste van de klas was, en die werd toegelaten op elke universiteit waar ze maar heen wilde – en ze heeft helemaal niets bereikt, nou, dan moet je je toch afvragen hoe dat komt. Waarom verdient ze geen topsalaris bij Corning of werkt ze niet aan signaaltransductie in het Alfred Einstein College of Medicine?’
‘Luister, Cassie…’
Cassie bewoog haar wijsvinger in een kringetje over haar slaap. ‘Je moet er maar van uitgaan dat dit meisje ze niet allemaal op een rijtje heeft.’
‘Zo moet je niet praten.’
‘Zou je je beter voelen als ik een witte jas aantrok en over catecholamineniveaus in de voorhersenen van de hypothalamus praatte? Als ik mijn wetenschappelijke scholing aan het werk zette? Is dat minder kwetsend? Het is niet informatiever.’
‘Ik geloof niet dat je gek bent.’
‘Zo gek als een deur,’ zei Cassie, de stem van Forrest Gump imiterend.
‘Kom nou, Cassie.’
‘Laten we naar beneden gaan.’
Toen ze op de bobbelige bruine bank in de huiskamer zaten, vertelde Cassie verder: ‘Volledige beurs voor de Carnegie Mellon. Ik wilde naar het MIT, maar mijn stiefvader wilde geen rooie cent aan me besteden, en zelfs met financiële hulp zou het nog een hele toer worden. Het eerste jaar was zwaar. Niet de studie zelf, maar de klasgenoten. Mijn dispuuthuis brandde in het eerste jaar af; de helft van de meisjes kwam om. Ik was er kapot van. Ik kwam hier terug en wilde mijn kamer niet meer uit. Ben nooit naar de universiteit teruggegaan.’
‘Je was getraumatiseerd.’
‘Ik raakte ook verslaafd aan cocaïne, valium en noem maar op. Natuurlijk deed ik aan zelfmedicatie. Het duurde een paar jaar voor ik erachter was dat ik een “bipolaire stoornis” had. Ik ben zes maanden opgenomen geweest voor depressiviteit. Maar de medicijnen die ze me voorschreven, werkten goed.’
‘Een beter leven door de chemie.’
‘Ja. Maar inmiddels was ik van het Pad afgedwaald.’
‘Het Pad? Is dat iets religieus?’
‘Het Pad, Nick. Het Pad. Jfj ging naar de Michigan State University, studeerde bedrijfswetenschappen, kreeg een baan bij de allerbeste onderneming op het gebied van kantoormeubilair, en je had het min of meer voor elkaar, zolang je maar hard bleef werken en niet in je neus peuterde en niet te veel mensen tegen je in het harnas joeg.’
‘Ik snap het. En jij…?’
‘Ik raakte van het Pad af. Of ik verdwaalde. Misschien was ik in het bos en kwam er een hevige windvlaag die bladeren over mijn pad blies, zodat ik in de verkeerde richting ging. Misschien hebben de vogeltjes mijn spoor van broodkruimels opgegeten. Ik zeg niet dat ik geen doel in mijn leven heb. Misschien is het mijn doel dat ik alle andere mensen een waarschuwend verhaal te vertellen heb.’
‘Ik geloof niet dat de wereld zo hard is,’ zei Nick.
‘Mensen als jij geloven dat nooit,’ zei Cassie.
‘Het is nooit te laat.’
Cassie kwam naar hem toe en drukte zich tegen zijn borst. ‘Is het niet mooi om dat te denken?’ mompelde ze.