74
Nick zette zijn aktetas in de hal neer. De vloer van antiek, opnieuw verzaagd grenenhout – het eiken parket dat daar had gelegen had Laura’s goedkeuring niet kunnen wegdragen – glansde in het donkergele licht dat van de kroonlijsten aan het plafond kwam. Onwillekeurig verwachtte hij het klik klik klik van Barneys hondennagels op de vloer te horen, het rinkelen van zijn halsband, en toen dat blije geluid uitbleef, stemde dat hem droevig.
Het was bijna acht uur. De bespreking met de commissie voor marketingstrategie was bijna twee uur uitgelopen; hij had in een pauze naar huis gebeld en Marta gevraagd eten klaar te maken voor de kinderen. Ze had gezegd dat Julia bij haar vriendin Jessica was. Lucas zou dus de enige zijn.
Hij hoorde stemmen vanboven komen. Had Lucas iemand bij zich? Nick ging de trap op en het vage stemmengeluid ging over in een gesprek.
Het was Cassies stem, besefte hij verrast. Cassie en Lucas. Wat deed ze hier? De trap was stevig gebouwd, zonder gepiep en gekraak als in het vorige huis, of het huis waarin hij was opgegroeid. Ze hadden hem niet naar boven horen komen. Zijn huid prikte toen hij op de overloop bleef staan luisteren. Voor de verandering stond Lucas’ deur open.
‘Dit hoort bij natuurkunde thuis,’ hoorde hij Lucas klagen. ‘Waarom zou een dichter weten hoe er een eind aan de wereld komt?’
‘Denk je dat het gedicht daarover gaat? Dat er een eind aan de wereld komt?’ Cassies hese stem.
Hij was opgelucht. Cassie hielp Lucas met zijn huiswerk. Dat was alles.
‘Vuur of ijs. Zo zal de wereld eindigen. Dat zegt hij.’
‘Verlangen en haat,’ zei Cassie. ‘Het menselijk hart kan smelten, en het kan bevriezen. Denk niet aan de ruimte buiten de aarde. Denk aan de ruimte daarbinnen. Denk niet aan de wereld. Denk aan jouw wereld. Frost kan een ongelooflijk duistere dichter zijn, maar hij is ook een dichter van de intimiteit. Nou, wat zegt hij hier?’
‘De grens tussen liefde en haat is smal.’
‘Maar liefde en verlangen zijn niet hetzelfde, hè? Er is de liefde binnen het gezin, maar dat noemen we geen verlangen. Want van verlangen spreek je bij afwezigheid, nietwaar? Naar iets verlangen is iets willen, en je wilt altijd datgene wat je niet hebt.’
‘Misschien.’
‘Denk aan Silas in het vorige gedicht dat ze je opgaven. Hij staat op het punt om te sterven en hij komt thuis.’
‘Alleen is het niet zijn huis.’
‘In dat gedicht zegt Warren: “Thuis is de plaats waar ze je moeten binnenlaten als je erheen moet gaan.” Een van de beroemdste regels die Frost ooit heeft geschreven. Is dat liefde of verlangen? Hoe komt er een eind aan zijn wereld?’
Nick, die zich geneerde omdat hij stond te luisteren, liep enkele passen in de richting van zijn slaapkamer. Cassies stem zakte af tot een zangerig gemurmel. Ze vroeg iets, en Lucas’ puberbariton klonk ongeduldig hard. ‘Sommigen zeggen dit, anderen zeggen dat. Dan denk ik: neem nou een besluit.’
Nick bleef weer staan luisteren.
‘Die Frost is retecool,’ zei Lucas. ‘Dat gedicht is net een stroom. Maar hij begint met vuur.’
‘Veel dingen beginnen met vuur, Luke. Het gaat erom hoe ze eindigen.’
Nick vroeg zich af of hij naar hen toe moest gaan. Vroeger zou hij niet hebben geaarzeld, maar Lucas was veranderd. Het was goed wat daar gebeurde, maar waarschijnlijk was het ook kwetsbaar. Lucas wilde niet meer dat Nick hem met zijn huiswerk hielp, en nu hij in de vijfde klas zat, had hij ook niet veel meer aan Nick. Maar Cassie had op de een of andere manier kans gezien met hem in gesprek te komen, en ze wist er alles van – ze was een natuurtalent. De beste van de klas.
Ten slotte liep Nick langs Lucas’ kamer om hen te laten weten dat hij thuis was. Hij liep door naar zijn eigen slaapkamer. Trok zijn kleren uit, poetste zijn tanden, nam een snelle douche. Toen hij de gang weer op kwam, zat Lucas alleen in zijn kamer achter de computer te werken.
‘Hé, Luke,’ zei hij.
Lucas keek zonder zijn gebruikelijke norse blik naar hem op.
Nick wilde hem vragen of Cassie hem had geholpen en dat hij blij was dat Lucas zich op zijn huiswerk concentreerde. Maar hij hield zich in. Misschien vond Lucas zo’n opmerking te opdringerig. ‘Waar is Cassie?’ vroeg hij.
Lucas haalde zijn schouders op. ‘Beneden, denk ik.’
Hij ging naar beneden om Cassie te zoeken, maar ze was niet in de huiskamer of de keuken, niet op een van de gebruikelijke plaatsen. Hij riep haar naam, maar er kwam geen antwoord.
Nou, ze heeft het recht om in mijn huis rond te snuffelen, dacht hij. Per slot van rekening heeft ze mij bij haar medicijnkastje betrapt.
Maar dat zou ze toch niet doen?
Hij liep door de keuken naar de achtergang, deed de albasten lamp aan en liep door naar zijn studeerkamer.
Daar zou ze vast niet zijn.
Zoals bijna altijd was de deur van zijn studeerkamer open en brandde er licht. Cassie zat achter zijn bureau.
Zijn hart bonkte. Hij liep vlugger en omdat de vloerbedekking zijn voetstappen dempte, was hij niet te horen. Niet dat hij van plan was haar te besluipen.
De bureauladen stonden een beetje open, zag hij.
Allemaal, behalve de onderste, die hij op slot had. Ze stonden maar een beetje open, alsof ze haastig waren geopend en gesloten.
En hij wist dat hij dat niet had gedaan. Hij gebruikte die bureauladen bijna nooit, en als hij ze gebruikte, deed hij ze altijd helemaal dicht, want anders zag het bureau er zo slordig uit.
Ze zat in zijn zwarte leren Symbiosis-stoel en schreef op een geel schrijfblok.
‘Cassie.’
Ze schrok en slaakte een gilletje. ‘O! Doe dat nooit meer!’ Ze legde haar hand over haar borsten.
‘Sorry,’ zei hij.
‘O… god, ik was in mijn eigen wereld. Nee, ik moet me verontschuldigen. Ik zou hier niet moeten zijn. Maar ja, ik ben iemand die zich niet zo aan grenzen stoort.’
‘Het geeft niet.’ Hij probeerde het te laten klinken alsof hij het meende.
Ze zag blijkbaar meteen dat de laden een beetje open waren blijven staan en duwde ze helemaal dicht. ‘Ik zocht naar een pen en iets om op te schrijven,’ zei ze. ‘Ik hoop dat je het niet erg vindt.’
‘Nee,’ zei hij. ‘Het geeft niet.’
‘Ik had een idee, en ik moest dat meteen opschrijven. Dat heb ik wel vaker.’
‘Een idee?’
‘Gewoon… gewoon iets wat ik wil schrijven. Op een dag, als ik alles voor elkaar heb.’
‘Een roman of een verhaal?’
‘O nee. Niet iets wat verzonnen is. Er zijn al te veel verzinsels in mijn leven. Ik hoop dat je het niet erg vindt dat ik vanavond ben gekomen. Ik heb gebeld, weet je, maar Marta zei dat je op je werk was, en Lucas en ik raakten aan de praat, en hij zei dat hij niet wijs kon worden uit een gedicht. Toevallig was dat een van de gedichten waar ik iets van weet. En dus…’
‘Hé,’ zei Nick. ‘Je doet Gods werk. Ik ben bang dat ik jullie stoorde toen ik thuiskwam.’
‘Hij gaat nu de eerste alinea’s van zijn poëzieopstel schrijven. Kijken waar het heen gaat.’
‘Je kunt goed met hem overweg,’ zei Nick. Je bent geweldig, dacht hij.
Misschien was dat alles. Ze was naar het huis gekomen om Lucas met een gedicht van Robert Frost te helpen.
‘Heb je ooit lesgegeven?’
‘Dat heb ik je verteld,’ zei Cassie. ‘Ik heb zo ongeveer alles gedaan.’ Het licht van de speldenknopjes in het plafond viel op haar haar en liet het fonkelen. Ze zag er nog steeds als een verschoppeling uit, maar haar huid was niet meer zo doorschijnend. Ze leek gezonder. De wallen onder haar ogen waren weg. ‘“Hij denkt dat hij, als hij hem dat kan leren, misschien iets goeds kan zijn voor iemand op de wereld.”’
‘Huh?’
Cassie schudde haar hoofd. ‘Dat is maar een regel uit “Death of a Hired Man”. Een gedicht over thuis. Over familie.’
‘En de ware betekenis van Kerstmis?’
‘Jullie Conovers!’ zei ze. ‘Wat moet ik toch met jullie?’
‘Ik heb wel een paar ideeën,’ zei Nick, en hij probeerde te grijnzen. ‘God, jij bent goed in alles, hè?’
‘En dat zeg jij? Het alfamannetje? De man die alles kan?’
‘Was dat maar waar. Van alle president-directeuren in het land ben ik misschien wel het slechtst in wiskunde.’
‘Is er een sport die je niet beheerst?’
Hij dacht even na. ‘Ik heb nooit leren paardrijden.’
‘Hoefïj zergooien ? ’
‘Dat is geen sport.’
‘Boogschieten wel.’
‘Daar ben ik vrij goed in.’
‘Schieten?’
Hij werd dood vanbinnen. Na een fractie van een seconde schudde hij even met zijn hoofd en keek perplex. Een seconde lang had hij een wazige blik in zijn ogen.
‘Je weet wel,’ zei ze. ‘Schijfschieten of hoe ze het ook noemen. Op de schietbaan.’
‘Nee,’ zei hij. Hij hoorde de opzettelijke nonchalance in zijn stem alsof hij op grote afstand was. Hij liet zich in een Windsor-stoel met rieten zitting zakken die altijd splinters in zijn achterste dreigde te steken. Toen ze verhuisden, had Laura zijn favoriete oude leren clubfauteuil verbannen. Een stoel uit een studentenhuis, had ze hem genoemd. Hij wreef over zijn ogen om de angst te verdrijven. ‘Sorry, ik was even van de kaart. Lange dag gehad.’
‘Wil je erover praten?’
‘Nu niet. Sorry. Ik bedoel, dank je, maar een andere keer. Ik praat liever over iets anders dan mijn werk.’
‘Kan ik avondeten voor je maken?’
‘Je kookt?’
‘Nee,’ gaf ze met een lachje toe. ‘Je hebt al een van mijn drie specialiteiten gehad. Maar Marta heeft vast wel iets voor je klaargezet in die spookkeuken van je.’
‘Spookkeuken?’
‘Ja. Toen ik hier aankwam, was je aannemer er ook, en die heeft me er alles over verteld.’
‘Bijvoorbeeld waarom zijn mensen er een eeuwigheid over doen om een aanrecht neer te zetten?’
‘Je kunt het ze niet kwalijk nemen. Je maakt ze gek, zegt hij. Hij kan geen handtekeningen krijgen wanneer hij ze nodig heeft. Dat soort dingen.’
‘Ik moet te veel beslissingen nemen. Daar heb ik geen tijd voor. En ik wil niet dat het verkeerd gaat.’
‘Wat bedoel je met “verkeerd”?’
Nick zweeg even. ‘Laura wist erg precies wat ze wilde.’
‘En jij wilt dat alles zo wordt als zij wilde. Het moet een soort monument voor haar worden.’
‘Hang nou niet de psychiater uit.’
‘Maar misschien ben je ook bang om het af te maken, want als het voorbij is, is er ook iets anders voorbij.’
‘Cassie, kunnen we van onderwerp veranderen?’
‘Het is dus net als met Penelope in de Odyssee. Overdag weeft ze aan een kleed, en ’s nachts haalt ze het weer uit. Op die manier komt het nooit af. Ze houdt daarmee de vrijers op een afstand en doet eer aan de vertrokken Odysseus.’
‘Ik weet niet eens waar je het over hebt.’ Nick haalde diep adem. ‘Volgens mij wel.’
‘Alleen is het nu zover dat ik die verrekte keuken echt klaar wil hebben. Het was haar grote project, en ja, zolang het nog aan de gang was, was het of ze nog aan het werk was. Dat is eigenlijk absurd, maar evengoed. Maar weet je, ik wil nu alleen nog maar dat die plastic afdekking verdwijnt, en ik wil de vuilcontainer weg hebben, en de wagens van de aannemer, al die dingen. Ik wil dat dit een echt huis wordt. Geen bouwproject. Niet iets wat in wording is. Gewoon een huis waar de Conovers wonen.’ Een korte stilte. ‘De Conovers die er nog zijn.’
‘Ik begrijp het,’ zei ze. ‘Nou, waarom ga je niet ergens met me uit eten?’ Ze glimlachte vaag. ‘Samen uit.’