28
De begraafplaats Mount Pleasant was niet de grootste van Fenwick, en ook niet bijzonder goed verzorgd. Hij bevond zich op een heuvel boven een drukke snelweg en lag er nogal verlaten bij, zelfs voor een begraafplaats. Nick was er nooit eerder geweest, maar hij had dan ook een hekel aan begraafplaatsen en kwam er zo min mogelijk. Wanneer hij bij een uitvaart aanwezig moest zijn, ging hij naar de kerk of de aula en miste hij dit deel. Laura’s dood had begrafenissen moeilijker gemaakt, niet gemakkelijker.
Maar hij was laat. Hij had de dienst in de aula gemist, want hij had een belangrijke telefonische vergadering met de topmannen van Steelcase en Herman Miller niet kunnen verzetten. Ze hadden gesproken over een lobbypoging om een idioot wetsvoorstel in het Congres van de baan te krijgen.
Hij parkeerde zijn Suburban langs de stoeprand in de buurt van de plaats waar de ceremonie werd gehouden. Er was een groepje mensen in donkere kleren, misschien tien of twaalf mensen in totaal. Hij zag een predikant, een zwarte vrouw, een bejaard echtpaar, vijf of zes mannen die misschien collega’s van Stadler waren geweest, een aantrekkelijke jonge vrouw die de dochter van de man moest zijn. Ze was tenger, met grote ogen en kort punkhaar dat eruitzag alsof het met een hakmes was gekapt. Hij had in de krant gelezen dat ze negenentwintig was en in Chicago woonde.
Nick ging er aarzelend naartoe en hoorde de dominee, die naast de kist stond, zeggen: ‘Zegen dit graf. Moge het lichaam van onze broeder Andrew hier in vrede rusten tot U hem tot glorie wekt, als hij U van aangezicht tot aangezicht zal zien en de heerlijkheid van de eeuwige God zal kennen, die leeft en heerst, nu en in de eeuwigheid.’ Sommige van zijn woorden gingen verloren in het verkeerslawaai.
Enkele aanwezigen draaiden zich naar hem om. De Stratton-mannen herkenden hem en keken een beetje langer. Nick meende verbazing te zien, misschien zelfs een beetje verontwaardiging, al was hij daar niet zeker van. De mooie dochter keek verdoofd, als een hert dat in koplampen staart. Naast haar stond de zwarte vrouw, die ook erg aantrekkelijk was. Ze keek Nick indringend aan en hij zag dat de tranen over haar wangen liepen. Nick vroeg zich af wie ze was. Er waren niet zoveel zwarten in de stad.
Hij was niet voorbereid op de aanblik van de glanzende mahoniehouten kist. De kist stond op het mechanisme om hem te laten zakken, dat verscholen zat achter groen geplooid fluweel. Nick herinnerde zich dat van Laura’s begrafenis. Hij schrok ervan. Op de een of andere manier had hij er meer moeite mee om naar die grote mahoniehouten kist met afgeronde randen te kijken dan naar Andrew Stadlers lichaam, toen dat ineengezakt op zijn gazon lag. Dit was definitiever, echter. Dit was een man met een familie – in elk geval een dochter – en vrienden. Misschien was hij een gevaarlijke schizofreen geweest die zijn medicijnen niet innam – maar hij was ook iemands papa. Die mooie jonge vrouw met dat piekerige haar en die porseleinachtige huid. De tranen sprongen Nick in de ogen. Hij geneerde zich.
De zwarte vrouw keek weer naar hem. Wie was ze?
De Stratton-mannen keken ook weer naar hem. Ze zagen natuurlijk zijn tranen en ergerden zich aan de hypocrisie. Nick de Beul die stond te grienen bij het graf van iemand die hij had ontslagen, dachten ze natuurlijk.
Toen het voorbij was en de kist langzaam en geluidloos in het graf was gezakt, wierpen de aanwezigen aarde en bloemen op de kist. Sommigen omhelsden de dochter, pakten haar hand vast, mompelden woorden van leedwezen. Toen het juiste moment aangebroken leek te zijn, ging hij naar haar toe.
‘Mevrouw Stadler, ik ben Nick Conover. Ik ben de…’
‘Ik weet wie u bent,’ zei ze koel. Ze had een heel klein knopje op de rechterkant van haar neus, een glinstering van licht.
‘Ik heb uw vader niet persoonlijk gekend, maar ik wilde u vertellen hoe erg ik dit vind. Hij was een gewaardeerde medewerker.’
‘Zo gewaardeerd dat u hem ontsloeg.’ Ze zei dat heel rustig, maar de bitterheid was duidelijk te horen.
‘De ontslagen zijn moeilijk geweest voor ons allemaal. Zoveel waardevolle mensen die hun baan verloren.’
Ze zuchtte. Blijkbaar wilde ze er niet langer over praten. ‘Mijn vaders hele wereld stortte in toen hij zijn baan verloor.’
Hij had zich mentaal voorbereid op woede, want daar werd hij vaak mee geconfronteerd als hij vroegere Stratton-personeelsleden tegenkwam, maar met deze reactie wist hij niet goed raad, deze reactie van een vrouw die haar vader begroef, hier op deze begraafplaats. ‘Het was verschrikkelijk wat hij moest doormaken.’ Hij zag dat de zwarte vrouw de woordenwisseling belangstellend volgde, al stond ze zo ver van hen vandaan dat ze misschien niet kon horen wat ze zeiden.
Stadlers dochter glimlachte zuur. ‘Laat één ding duidelijk zijn, meneer Conover. Wat mij betreft, hebt u mijn vader vermoord.’