34
Toen Nick in de auto zat en op weg naar huis was, liet zijn mobieltje een vreemd gesynthetiseerde, symfonische fanfare horen – hij was er nooit aan toegekomen een ander deuntje in te stellen.
Hij keek naar de nummerherkenning en zag dat het Eddie Rinaldi was. Hij nam op, want hij wilde niet dat Julia via de speakers hoorde wat Eddie te zeggen had. Ze zat op de achterbank van de Suburban, in het duister gebogen over het programma van De tovenaar van Oz. Ze had nog steeds die groene schmink van zinkoxide op, en Nick voorzag al grote problemen voor bedtijd, als hij zou eisen dat ze het spul van haar gezicht waste.
‘Hé, Eddie,’ zei hij.
‘Daar ben je dan. Had je je telefoon uit?’
‘Ik was bij Julia’s schooltoneelstuk.’
‘Goed,’ zei hij. Eddie, die geen kinderen had en ook geen plannen had om ze te krijgen, en zich er evenmin voor interesseerde, vroeg nooit naar zijn kinderen als het niet absoluut noodzakelijk was. ‘Ik dacht erover om even langs te komen.’
‘Kan het niet wachten?’
Een korte stilte. ‘Ik denk van niet. We moeten praten. Het duurt misschien maar vijf minuten.’
‘Is er een probleem?’ Nick was plotseling gespannen.
‘Nee, nee. Geen probleem. Maar we moeten even praten.’
Eddie ging languit in de luie stoel in Nicks studeerkamer zitten, zijn benen wijd alsof het zijn eigen huis was.
‘Er is een rechercheur van Ernstige Delicten met me komen praten,’ zei hij terloops.
Nick voelde dat zijn ingewanden koud werden. Hij boog zich op zijn bureaustoel naar voren. Daar zat hij dan, een paar meter verwijderd van de plaats waar het gebeurd was. ‘Hè?’ zei hij.
Eddie haalde zijn schouders op, alsof het niets voorstelde. ‘Standaardprocedure. Routine.’
‘Routine?’
‘Ze werkt alles af. Dat moet ze wel. Het zou slordig zijn als ze het niet deed.’
‘Het is een vrouw.’ Nick dacht even aan die bijzonderheid en ging daarmee de hoofdzaak uit de weg: zat er nu al een rechercheur van Ernstige Delicten op de zaak?
‘Een zwarte dame.’ Eddie had het nog veel grover kunnen zeggen. Zijn racisme was voor niemand een geheim, maar misschien had hij in de loop van de jaren geleerd dat het niet maatschappelijk aanvaardbaar was, zelfs niet bij zijn oude maten. Of misschien wilde hij Nick op dat moment niet tegen zich in het harnas jagen.
‘Ik wist niet dat de politie van Fenwick die had.’
‘Ik ook niet.’
Er volgde een lange stilte waarin Nick de klok kon horen tikken. Het was een zilveren klok met de inscriptie FENWICK BURGER VAN HET JAAR. Die klok was hem drie jaar geleden toegekend. Toen alles nog geweldig ging. ‘Wat wilde ze?’
‘Wat denk je? Ze vroeg naar Stadler.’
‘Wat vroeg ze over hem?’
‘Je weet wel. Wat je zou verwachten. Of hij bedreigingen had uitgesproken, dat soort dingen.’
Eddie draaide eromheen, en dat stond Nick helemaal niet aan. Er zat iets niet goed. ‘Waarom praatte ze met jou?’
‘Hé, man, ik ga over de beveiliging, weet je nog wel?’
‘Nee. Ze moet een specifieke reden hebben gehad om met jou te gaan praten. Wat laat je weg, Eddie?’
‘Laat ik iets weg? Ik laat niets weg, jongen. Luister nou. Ze wist dat ik bij de politie naar Stadler had geïnformeerd.’
Dus dat was het. Door achtergrondonderzoek naar Stadler te doen had hij in feite zichzelf aan de politie verraden. ‘Shit.’
‘Kom nou. Ik heb nooit met de man zelf gepraat.’
‘Nee,’ zei Nick, met zijn hand onder zijn kin. ‘Je belt naar de politie, vraagt naar een ontslagen personeelslid dat de hond van je baas heeft afgeslacht, en een paar dagen later wordt die man dood gevonden. Dat ziet er niet goed uit.’
Eddie schudde zijn hoofd en rolde minachtend met zijn ogen. ‘Alsof het iets van de maffia is of zo? Maak het nou even. De man gaat door het lint, doet zieke dingen – dan is het alleen maar een kwestie van tijd voordat je ruzie krijgt met de verkeerde.’
‘Ja.’
‘In het hondenhok, ach, kom nou. Ze hebben niets wat mij – of jou – met Stadler in verband brengt.’
‘Waar vroeg ze dan naar?’
‘Ach, ze wilde weten of jij ooit met Stadler had gepraat, of je contact met die man had gehad. Ik heb tegen haar gezegd dat je waarschijnlijk niet eens wist wie hij was. Dat klopt ook wel zo ongeveer.’ Nick ademde langzaam in en hield de lucht binnen om zichzelf tot rust te brengen. ‘En als dat nu eens zo was? Wat veronderstelt ze? Dat ik achter die kerel aan ben gegaan? Dat ik hem heb vermoord?’ Nick hoorde de gekwetste toon in zijn eigen stem, alsof hij zelf begon te geloven dat hij onschuldig was.
‘Nee, ze zocht alleen naar kruimels. Maar maak je geen zorgen; ik heb haar goed aangepakt. Geloof me, toen ze wegging, wist ze dat het een dood spoor was.’
‘Hoe weet jij dat?’
‘Kom nou, ik kan dat merken. Even serieus, Nick. De president-directeur van Stratton die een van zijn eigen personeelsleden vermoordt? Nee toch? Dat gelooft niemand.’
Nick zweeg een hele tijd. ‘Ik hoop het.’
‘Ik wilde je alleen maar even op de hoogte stellen. Voor het geval ze met jou komt praten.’
Nick borst trok zich samen. ‘Zei ze dat ze dat ging doen?’ zei hij. ‘Nee, maar misschien doet ze dat. Het zou me niet verbazen.’
‘Ik had die naam nog nooit gehoord,’ zei Nick. ‘Ja? Of heb jij haar iets anders verteld?’
‘Precies. Ik zei tegen haar dat je het druk hebt, dat ik mijn werk doe, dat jij er niet bij betrokken bent.’
‘Goed.’
‘Dus je dacht dat een van je ontslagen personeelsleden misschien gek was geworden en je hond had doodgemaakt. Maar je belde de politie en dacht dat die het wel zou afhandelen. Je had geen flauw idee wie het kon zijn geweest.’
‘Precies.’
‘De man die dood is gevonden, kan dezelfde zijn geweest, of niet, daar heb jij geen idee van. Zoiets.’
Nick knikte. Hij repeteerde het antwoord in zijn hoofd, keerde het om en om, porde tegen de zachte plekken. ‘Er is niets wat mij met die zaak in verband brengt?’ zei hij na enkele ogenblikken.
Een lange stilte. Eddie antwoordde met een soort smeulende verontwaardiging. ‘Ik heb mijn werk gedaan, Nick. Dat begrijp je toch?’
‘Natuurlijk. Maar ik vraag je nu om als een rechercheur te denken. Een rechercheur die een moord onderzoekt.’
‘Zo denk ik, man. Als een rechercheur.’
‘Geen vingerafdrukken, niets van dien aard, op het… lichaam? Vezels, dna, weet ik veel?’
‘Nick, ik heb je al gezegd dat we daar niet over gaan praten.’
‘Nu wel. Ik wil het weten.’
‘Het lichaam was clean, Nick,’ zei Eddie. ‘Ja? Helemaal clean. Zo clean als ik het kon krijgen in de tijd die we hadden.’
‘En het wapen?’
‘Wat is daarmee?’
‘Wat heb je ermee gedaan? Je hebt het toch niet nog steeds?’
‘Dacht je dat ik achterlijk was? Kom nou.’
‘Waar is het dan?’
Eddie blies lucht uit. Het klonk als ‘pah’. ‘Op de bodem van de rivier, als je het echt wilt weten.’ Zoals veel steden in Michigan lag Fenwick aan een van de vele waterwegen die naar Lake Michigan leidden.
‘De patroonhulzen ook?’
‘Ja–’
‘En als het toch wordt gevonden?’
‘Besef je wel hoe onwaarschijnlijk dat is?’
‘Ik zei…’
‘Zelfs als ze het vinden, brengen ze het niet met mij in verband.’
‘Waarom niet? Het is toch jouw pistool?’
‘Het is een weggooiertje, Nick!’
‘Een wat?’
‘Een wapen dat iemand heeft gedumpt. Ik heb het opgeraapt op een plaats delict in Grand Rapids. Het zal van een crackdealer geweest zijn, en die kan het overal vandaan hebben. In elk geval zijn er geen gegevens van. Geen papieren, geen vergunning, niets. Het is clean.’
Nick had gehoord van politiemensen die wapens inpikten die ze op plaatsen van misdrijven aantroffen, maar hij wist dat je dat niet mocht doen en het zat hem niet lekker dat Eddie het nu toegaf. Als hij dat deed, wat deed hij dan nog meer?
‘Dat weet je zeker,’ zei Nick.
‘Helemaal zeker.’
‘En de bewakingscamera’s?’
Eddie knikte. ‘Hé, ik ben een professional, weet je nog wel? Daar heb ik ook voor gezorgd.’
‘Hoe?’
‘Waarom wil je dat weten?’
‘Ik moet het weten. Mijn eigen bewakingscamera’s hebben geregistreerd dat ik die kerel doodschoot.’
Eddie deed zijn ogen dicht en schudde geërgerd met zijn hoofd. ‘Ik heb de harde schijf van de digitale videorecorder opnieuw geformatteerd. Die nacht is weg. Nooit gebeurd. Het systeem begon de volgende dag opnamen te maken. Dat is toch geloofwaardig? We hadden het de vorige dag pas geïnstalleerd.’
‘Geen spoor?’
‘Niets. Hé, maak je nou geen zorgen. Als die vrouw met jou komt praten, werk je mee en vertel je haar alles wat je weet, en dat is nul komma nul, hè?’ Eddie liet een droog lachje horen.
‘Ja. Weet ik dat ze met jou heeft gepraat?’
Eddie haalde zijn schouders op. ‘Moet je zelf weten. Laten we zeggen dat ik er nog niet aan toegekomen ben. Jij hebt er toch niets mee te maken?’
‘Precies.’
Eddie stond op. ‘Maak je nou maar niet druk. Ga slapen. Je ziet er beroerd uit.’
‘Dank je.’ Nick stond op om Eddie uit te laten, maar dacht toen aan iets. ‘Eddie,’ zei hij. ‘Die nacht. Je zei dat het jouw pistool was, dat het jou met alles in verband bracht, nietwaar? Daarom had ik geen keus.’
Eddie keek hem met doffe ogen aan. ‘Ja?’
‘Nu zeg je dat de herkomst van het pistool niet na te gaan is. Dat het helemaal niet met jou in verband staat. Dat snap ik niet.’
Een lange stilte.
‘Ik kan geen risico’s nemen, Nicky,’ zei Eddie ten slotte. ‘Je moet nooit risico’s nemen.’
Nick leidde Eddie zijn studeerkamer uit en hoorde voetstappen op de trap. Hij zag een been in spijkerbroek, een gymschoen, de trap op verdwijnen.
Lucas.
Kwam hij net thuis? Kon hij hun gesprek hebben gehoord? Nee, dan had hij voor de deur van de studeerkamer moeten staan luisteren. Lucas deed dat niet, vooral niet omdat het hem helemaal niet interesseerde wat zijn vader deed.
Maar evengoed.
Nick vroeg het zich af. Weer een zorg erbij.