33
De gloednieuwe gehoorzaal van de Fenwick Elementary School deed niet onder voor veel theaterzalen van universiteiten: pluchen stoelen, geweldige akoestiek, professioneel geluids- en belichtingssysteem. Het heette het Devries Theater en het was een geschenk van Dorothy Stratton Devries, ter ere van wijlen haar echtgenoot.
Toen Nick op de Fenwick Elementary zat, was er helemaal geen gehoorzaal geweest. Bijeenkomsten werden in de gymzaal gehouden, en alle kinderen zaten dan op de splinterige houten banken. Nu leek het wel of de vierdeklassers hun jaarlijkse toneelstuk in een Broadway-theater opvoerden.
Nick keek om zich heen en was blij dat hij was gekomen. Alle ouders waren er, en ook grootouders. Zelfs ouders die bijna nooit naar gebeurtenissen op school kwamen, zoals Emily Renfro’s vader Jim, die plastisch chirurg was. Jacqueline Renfro was klassenmoeder of zoiets, maar haar man had het meestal te druk met het verrichten van facelifts of het neuken van zijn receptioniste. Sommige ouders hadden videocamera’s en stonden al klaar om de productie vast te leggen, al zou niemand later ooit nog naar de beelden kijken.
Zoals altijd was hij laat. Tegenwoordig kwam hij overal laat aan. Marta had Julia een uur geleden afgezet, zodat zij en de andere vierdeklassers hun met de hand gemaakte kostuums konden aantrekken, kostuums waaraan ze al maanden op school hadden gewerkt. Julia was opgewonden, want ze mocht de Boze Heks van het Westen spelen – haar eigen keuze, een rol waarvoor ze auditie had gedaan en waarom ze had gesmeekt. Ze had geen auditie gedaan voor Dorothy, de rol die alle andere meisjes wilden spelen. Nicks kleine robbedoes had geen zin om een braaf typetje met een gevlochten pruik en een katoenen jurk te spelen. Ze wist dat de heks de show stal. Dat waardeerde hij in haar.
Ze verwachtte niet dat hij er zou zijn. Hij had al een paar keer tegen haar gezegd dat hij naar een diner voor zijn werk moest en dat hij daar niet onderuit kon. Ze was teleurgesteld geweest, maar had zich erbij neergelegd. Daarom was ze des te blijer toen ze haar papa in de zaal zag. In werkelijkheid beschouwde Nick het uitzitten van het schooltoneelstuk natuurlijk als een van die vervelende ouderlijke plichten waar je nu eenmaal aan vastzat, zoals het verschonen van poepluiers, een bezoek aan The Lion King On Ice (eigenlijk alles On Ice), of kijken naar de Teletubbies en niet laten blijken wat een lullige types dat waren.
Het achterste gedeelte van de zaal was afgezet, en aan de voorkant waren er niet veel plaatsen meer over. Hij keek om zich heen, zag hier en daar een paar plaatsen, een zee van afgewende blikken en een paar onvriendelijke gezichten. Misschien werd hij een beetje paranoïde. Het schuldgevoel brandde op zijn gezicht. Hij was ervan overtuigd dat mensen alleen maar naar hem hoefden te kijken om te weten wat hij had gedaan.
Maar dat was het natuurlijk niet. Ze hadden om andere redenen een hekel aan hem: omdat hij Nick de Beul was, omdat hij een plaatselijke held was geweest en zich tegen hen had gekeerd. Hij zag de Renfro’s, zag hun ijzige blikken voordat ze zich afwendden. Ten slotte zag hij één vriendelijk gezicht, iemand die hij uit zijn middelbareschooltijd kende en wiens zoon bij Julia in de klas zat.
‘Hé, Bobby,’ zei hij, en hij ging op de plaats zitten die Bob Casey had vrijgemaakt door zijn jasje te verplaatsen. Casey, een kale man met een rood gezicht en een enorme bierbuik, was effectenmakelaar en had al meermalen geprobeerd Nick voor zaken te interesseren. Hij was een grappenmaker die sinds zijn schooltijd geen andere wapenfeiten op zijn naam had gebracht dan dat hij lange stukken dialoog uit Monty Python, de National Lampoon of Airplane-films uit zijn hoofd kon opzeggen.
‘Nick!’ zei Casey hartelijk. ‘De grote avond, hè?’
‘Nou en of. Hoe gaat het met Gracie?’
‘Goed. Goed.’
Er volgde een lange, onbehaaglijke stilte. Toen zei Bob Casey: ‘Ooit zoiets als deze zaal gezien? Zoiets hadden wij niet.’
‘We mochten blij zijn als we de gymzaal mochten gebruiken.’
‘Luxe!’ zei Casey met zijn Monty Python-stem. ‘Luxe! Wij moesten elke ochtend vijftig kilometer door een sneeuwstorm naar school lopen – de helling op, in beide richtingen. En we vonden het geweldig!’ Nick glimlachte. Hij vond het wel grappig, maar kon niet lachen. Casey merkte dat Nick mat reageerde en zei: ‘Nou, jij hebt een zwaar jaar achter de rug, hè?’
‘Niet zo zwaar als veel mensen hier.’
‘Kom nou, Nick. Je hebt je vrouw verloren.’
‘Ja, nou…’
‘Hoe gaat het met het huis?’
‘Bijna klaar.’
‘Het is al een jaar bijna klaar, hè?’ grapte hij. ‘Gaat het goed met de kinderen? Met Julia blijkbaar wel.’
‘Ze is geweldig.’
‘Ik hoorde dat Luke het moeilijk heeft.’
Nick vroeg zich af hoeveel Bob Casey van Lukes moeilijkheden wist – waarschijnlijk meer dan Nick zelf. ‘Ach, je kent dat wel. Hij is zestien.’
‘Moeilijke leeftijd. En hij heeft maar één ouder.’
Het stuk was wat je van een vierdeklasstuk kon verwachten – een Stad van Smaragd die ze helemaal zelf geschilderd hadden, een pratende appelboom van beschilderd golfkarton. De muziekleraar die slordig op de digitale Yamaha-piano speelde. Julia, de Heks, vergat steeds haar tekst en verstijfde dan. Je kon de ouders in het publiek de tekst bijna horen voorzeggen – ‘Papavers!’ en: ‘Ik krijg je nog wel, mijn schoonheid!’
Toen het voorbij was, deed Jacqueline Renfro veel moeite om Nick op te zoeken en te zeggen: ‘Arme Julia.’ Ze schudde haar hoofd. ‘Het kan niet makkelijk voor haar zijn.’
Nick fronste zijn voorhoofd.
‘Nou ja, met maar één ouder, en je bent er bijna nooit.’
‘Ik ben er zoveel als ik kan,’ antwoordde hij.
Jacqueline haalde haar schouders op. Ze had haar zegje gedaan en liep door. Maar haar man, Jim, kwam achter haar aan. Hij droeg een bruin tweedjasje en een blauw button-downoverhemd en zag er nog steeds als een Princeton-student uit. Hij wees met zijn vinger naar Nick en knipoogde. ‘Ik zou niet weten hoe ik me zonder Jackie moest redden,’ zei hij op vertrouwelijke toon. ‘Ik weet niet hoe jij je redt. Maar ja, Julia is een geweldige meid – je mag je erg gelukkig prijzen.’
‘Dank je.’
Jim Renfro glimlachte te enthousiast. ‘Maar ja, weet je wat het met gezinnen is? Als ze te groot worden, kun je ze niet kleiner maken.’ Een opgewekte, zelfgenoegzame knipoog. ‘Heb ik gelijk of niet?’
Er kwamen allerlei reacties bij Nick op – te veel. Geen van alle was geweldloos. Hij had het vreemde gevoel dat er een deksel omhoogkwam, dat de bloedkleppen opensprongen.
Op dat moment kwam Julia naar hem toe rennen. Ze had haar zwarte kartonnen punthoed en haar groene schmink nog op. ‘Je bent gekomen!’ zei ze.
Hij sloeg zijn armen om haar heen. ‘Dit wou ik niet missen.’
‘Hoe was ik?’ vroeg ze. Er klonk geen enkele bezorgdheid in haar stem door, geen enkel besef dat ze het had verknoeid. Ze zwol van trots. Hij was gek op dat kleine meisje.
‘Je was geweldig,’ zei hij.