19
>Hoe graag hij het ook zou willen, Nick kon de wekelijkse cijfertjeslunch met Scott McNally niet gemakkelijk afzeggen, niet nu de belangrijke kwartaalbespreking met de raad van bestuur voor de deur stond. Hij voelde zich koortsig, klam, misselijk. Hij had ook geen behoefte aan gezelschap, en dat was ongewoon voor hem. Zijn gebruikelijke uitbundigheid was gedempt. Hij voelde dat er een felle hoofdpijn kwam opzetten, en hij had in geen jaren hoofdpijn gehad. Zijn maag was onrustig, alsof hij een kater had. Hij kon nu niet tegen koffie, al had hij daar eigenlijk wel behoefte aan om wakker en alert te blijven.
Een kok van het bedrijfsrestaurant had een lunch voor hen tweeën op het ronde tafeltje naast zijn thuishonk gezet. Het waren de gebruikelijke dingen – een broodje aubergine en Parmezaanse kaas voor Scott, een broodje tonijn en een kop tomatensoep voor Nick. Gevouwen linnen servetten, glazen met ijswater en een glazen waterkan, cola light voor hen beiden. Nick at meestal alleen een broodje aan zijn bureau, tenzij hij een werklunch had. En tot aan Laura’s dood had ze altijd zijn lunch voor hem ingepakt – een broodje tonijn, een zakje Fritos, wortelstokjes – en in zijn aktetas gedaan. Dat was een kleine traditie die terugging tot hun vroegste tijd, toen ze geen geld hadden, en hij was eraan gewend geraakt. Het was een van die kleine dingen die Laura graag voor hem deed, zelfs toen ze lesgaf en in de morgen bijna geen tijd had voordat ze naar de universiteit ging. Ze deed ook altijd een liefdesbriefje in het papieren lunchzakje, en daar moest hij om glimlachen als hij het vond. Het was wel eens gebeurd dat hij een informele lunch met Scott of een andere manager had en een van Laura’s briefjes naar buiten was gefladderd. Dan had hij zich een beetje gegeneerd gevoeld, maar was hij ook heimelijk trots geweest. Hij had al haar briefjes bewaard zonder het haar te vertellen. Na haar dood had het niet veel gescheeld of hij had ze weggegooid of verbrand of zoiets, want het was te pijnlijk om ze in bezit te hebben. Maar hij kon het niet opbrengen om dat te doen. En dus lag er een keurig stapeltje gele Post-It-briefjes in Laura’s prachtige handschrift in de onderste la van zijn bureau op kantoor, met een elastiek eromheen. Soms kwam hij in de verleiding om ze te bekijken, maar uiteindelijk kon hij dat niet. Het was te pijnlijk.
‘Je ziet er belabberd uit,’ zei Scott, die meteen op zijn broodje aanviel. ‘Ben je ziek?’
Nick schudde zijn hoofd, nam zorgvuldig een slok uit zijn glas, huiverend van het ijswater. ‘Ik mankeer niets.’
‘Nou, dit helpt misschien,’ zei Scott. ‘Ik weet hoe je over de cijfers denkt. Misschien kun je beter een kussen pakken.’ Hij haalde een aantal samengehechte papieren uit zijn tas en schoof een setje naar Nick toe, naast zijn bord.
Nick keek ernaar. Overzicht van inkomsten en kasstroom, balans.
‘Moet je toch eens zien,’ zei Scott. ‘Wat kunnen ze die broodjes lekker roosteren! Misschien grillen ze ze zelfs, weet ik veel.’ Hij nam een slok cola light. ‘Eet jij niet?’
‘Geen honger.’
Nick keek zonder belangstelling naar de cijfers, terwijl Scott het blikje cola light bestudeerde. ‘Ik heb gehoord dat de kunstmatige zoetstof in dit spul op het gemoed van ratten kan werken.’
Nick bromde iets. Hij luisterde niet.
‘Ooit een gedeprimeerde rat gezien?’ ging Scott verder. ‘Opgerold tot een balletje en zo? Soms vinden ze hun hol gewoon niet de moeite waard, weet je.’ Hij nam een grote hap van zijn broodje.
‘Wat is Stratton Asia Ventures?’ vroeg Nick.
‘Je leest voetnoten. Erg goed. Dat is een dochterbedrijf dat ik heb opgericht om in de operaties van Stratton in Azië en het Pacifisch gebied te investeren. We hadden een plaatselijke dochter nodig om vergunningen aan te vragen en van bepaalde belastingverdragen met de Verenigde Staten te profiteren.’
‘Mooi. Legaal?’
‘Op het randje,’ zei Scott. ‘Maar natuurlijk is het legaal. Iets wat slim is, hoeft nog niet illegaal te zijn, Nick.’
Nick keek op. ‘Ik begrijp het niet,’ zei hij. ‘Onze inkomsten zijn gestegen?’
Scott knikte. Hij kauwde op zijn grote hap en maakte grommende geluiden om aan te geven dat hij wilde praten maar het niet kon. Toen zei hij, met zijn mond nog halfvol voedsel: ‘Blijkbaar.’
‘Ik dacht… Jezus, Scott, je zei dat we naar de bliksem gingen.’ Scott haalde zijn schouders op en keek hem schelms aan. ‘Daar heb je mij voor. Je weet dat ik altijd meespeel. Ik ben je beste voorhoedespeler, nietwaar?’
‘Mijn beste voorhoedespeler? Scott, heb jij in je leven ooit aan sport gedaan?’
Scott hield zijn hoofd schuin. ‘Waar heb je het over? Ik was de ster van het wiskundeteam van de Stuyvesant High School.’
‘Wacht even.’ Nick ging naar het begin van het rapport terug en las de cijfers nog wat aandachtiger. ‘Goed, wacht even. Je bedoelt dat onze internationale activiteiten met twaalf procent omhoog zijn gegaan? Hoe zit dat?’
‘Lees de cijfers maar. De cijfers liegen niet. Het staat daar allemaal zwart op wit.’
‘Ik heb vorige week met George Colesandro in Londen gepraat, en die klaagde steen en been. Wil je zeggen dat hij de cijfers verkeerd leest? De man heeft een microprocessor in plaats van hersenen.’
Scott schudde zijn hoofd. ‘Stratton UK rapporteert in Britse ponden, en het pond is sterk gestegen ten opzichte van de dollar,’ zei hij met zijn brede grijns. ‘Je moet altijd de laatste wisselkoersen gebruiken, nietwaar?’
‘Dus het is gegoochel. Gerotzooi met wisselkoersen.’ Nick was tot het uiterste gespannen, en het gaf hem een goed gevoel om aan iets anders te denken dan aan de afgelopen vrijdagnacht. Maar tegelijk was het ongelooflijk wat Scott blijkbaar deed. Het was tenhemelschreiend. ‘We gaan helemaal niet omhoog – we gaan omlaag. Je… je goochelt met de cijfers.’
‘Volgens de standaardboekhoudpraktijken moeten we de juiste wisselkoersen gebruiken.’ Die standaardpraktijken hadden zo ongeveer kracht van wet.
‘Hoor eens, Scott, je vergelijkt appels met peren. Je gebruikt een andere wisselkoers dan het vorige kwartaal. Daardoor doe je het voorkomen alsof we het beter deden.’ Nick wreef over zijn ogen. ‘Heb je in Azië en het Pacifisch gebied hetzelfde gedaan?’
‘Ja, overal.’ Scott kneep zorgelijk zijn ogen half dicht.
‘Scott, dit is hartstikke illegaal.’ Nick smeet het rapport op de tafel. ‘Wat wil je me aandoen?’
‘Jóu? Dit heeft niet met jou te maken.’ Scott had een rood gezicht en sloeg zijn ogen neer. ‘Ten eerste is er niets illegaals aan. Misschien gaan we inderdaad tot de rand, maar daar niet overheen. En laat me je wat vertellen. Als ik die cijfers niet een beetje verfraai, komen onze vrienden uit Boston als een stoomwals over ons heen gedenderd. Dan halen ze hier alles overhoop. Ik zeg je dat dit een volkomen legitieme manier is om met de cijfers te werken.’
‘Je… je smeert lipstick op een varken, Scott.’
‘Nou, misschien een beetje gloss. Zeg, als je mensen te eten krijgt, maak je toch je huis schoon? Voordat je je auto verkoopt, ga je ermee naar de autowasstraat. Zo precies kijken de directieleden niet.’
‘Dus je bedoelt dat we het kunnen doen zonder dat iemand ons doorheeft,’ zei Nick.
Scott haalde zijn schouders weer op. ‘Ik bedoel, Nick, dat de baan van iedereen hier op het spel staat, ja? Ook die van jou en mij. Op deze manier winnen we op zijn minst wat tijd.’
‘Nee,’ zei Nick. Hij trommelde met zijn vingertoppen op het doorzichtige plastic omslag. ‘We geven ze de echte cijfers. Begrepen?’ Scott kreeg een kleur, alsof hij zich schaamde of kwaad maakte, of allebei. Hij had er duidelijk grote moeite mee om kalm te blijven. Blijkbaar kostte het hem veel inspanning om zijn stem niet tegen zijn baas te verheffen. ‘Goh, en ik hoopte nog wel dat er een belastingtruc naar me genoemd zou worden,’ zei hij na een korte stilte.
Nick knikte en glimlachte vreugdeloos. Hij dacht aan Hutch, de vroegere financieel directeur. Henry Hutchens was briljant als het om financiën ging, en hij was een typische boekhouder – niemand kende de finesses van de ouderwetse balans zo goed als hij – maar hij wist weinig van gestructureerde financiën en derivaten en al die blitse nieuwe financiële instrumenten die je tegenwoordig moest gebruiken om het hoofd boven water te houden.
Hutch zou zoiets nooit hebben gedaan. Aan de andere kant zou hij waarschijnlijk ook niet hebben geweten hoe het moest.
‘Je zei toch dat we vanavond met Todd Muldaur gaan dineren?’
‘Om acht uur,’ zei Nick. Hij zag ertegen op. Todd had hem een paar dagen geleden gebeld om te zeggen dat hij toevallig in Fenwick moest zijn – alsof iemand daar ooit toevallig iets te zoeken had – en met hem wilde dineren. Dat kon nooit gunstig zijn.
‘Nou, ik heb tegen hem gezegd dat ik hem voor het diner de nieuwste financiële gegevens zou voorleggen.’
‘Mooi, maar laten we dan wel zorgen dat die gegevens op keiharde feiten gebaseerd zijn.’
‘Keiharde feiten in een financieel verslag?’ Scott schudde zijn hoofd. ‘Dat bestaat niet. Het is net als dat verhaal over die beroemde wetenschapper. Hij geeft een lezing over astronomie en na afloop komt er een oud dametje naar hem toe en die zegt tegen hem dat hij het helemaal verkeerd heeft – de wereld is in werkelijkheid een grote platte schotel op de rug van een gigantische schildpad. En de wetenschapper zegt: maar waar staat die schildpad dan op? En het oude dametje zegt: “Jij bent erg slim, jongeman, erg slim, maar zo kom je er niet – het zijn schildpadden, helemaal tot beneden toe.”’
‘Wil je me daarmee geruststellen?’
Scott haalde zijn schouders op.
‘Ik wil dat je Todd de echte, onopgesmukte cijfers geeft, hoe beroerd die er ook uitzien.’
‘Goed,’ zei Scott, en hij sloeg zijn ogen neer. ‘Jij bent de baas.’