45

Het huis aan West Sixteenth Street in Steepletown was nog kleiner dan hij het zich herinnerde. Bijna een miniatuurhuis, een poppenhuis.

Twee verdiepingen. Witte gevelbeplating die van aluminium of vinyl kon zijn, je moest erop tikken om het zeker te weten. Zwarte luiken die niet groot genoeg waren om echte luiken te zijn.

Nick droeg twee bruine boodschappenzakken van de Family Fare-supermarkt, waar hij onderweg even naartoe was geweest. Hij belde aan en hoorde de carillonklanken.

Het duurde bijna een halve minuut voordat Cassie naar de deur kwam. Ze droeg een zwart gebreid topje en een zwarte stretchbroek. Haar gezicht was bleek, droevig en volmaakt. Ze had glossy oranje lipstick aangebracht, wat een beetje vreemd was, maar het stond haar goed. Ze zag er ook beter uit, minder vermoeid dan gisteren.

‘Hé, je bent echt gekomen.’ Cassie maakte de deur open en leidde hem langs de vaas met de droogbloemen en de ingelijste merklap naar de kleine huiskamer. Hij hoorde ‘One Is the Loneliest Number’ uit de kleine speakers van een draagbare cd-speler komen. Niet de oude versie van Three Dog Night. Een moderne cover. Een vrouw met een stem als kruidnagelsigaretten. Cassie zette de muziek af.

Nick pakte de dingen uit die hij had gekocht: brood, eieren, sap, melk, mineraalwater, fruit, twee flesjes ijsthee. ‘Zet maar weg wat je niet lekker vindt,’ zei hij. Toen pakte hij twee sandwiches uit en legde ze ceremonieel op kartonnen borden. ‘Kalkoen of rosbief?’

Ze keek aarzelend naar de rosbief. ‘Te bloederig,’ zei ze. ‘Ik heb het liefst dat mijn vlees goed doorbakken is.’

‘Dan neem ik hem,’ zei Nick. ‘Neem jij de kalkoen.’

Ze aten in stilte. Om wat te doen te hebben vouwde hij de verpakkingen van de sandwiches tot keurige vierkantjes op. Ze dronk het meeste van haar ijsthee op en speelde met het dopje. De sfeer was een beetje gespannen, en Nick vroeg zich af waarom ze hem had uitgenodigd. Hij zocht naar iets om te zeggen, maar voordat hij iets vond, zei ze: ‘Hé, wat je al niet van een flessendop kunt leren. Hier staat: “Een feit – de laatste letter die aan het Engelstalige alfabet werd toegevoegd, was de J.”’

Nick probeerde iets te bedenken wat hij daarop kon zeggen, maar ze ging verder: ‘Moet jij niet een Fortune 500-bedrijf leiden of zoiets?’

‘Wij zijn geen beursgenoteerde onderneming. Trouwens, ik had een saaie lunch, maar die heb ik afgezegd.’

‘Nu voel ik me schuldig.’

‘Dat hoeft niet. Ik was blij dat ik een excuus had om niet te gaan.’

‘Weet je, ik stond gisteren echt van je te kijken.’

‘Waarom?’

‘Je was helemaal niet “Nick de Beul”. Misschien zijn mensen nooit wat je verwacht. Zoals ze zeggen: stille wateren…’

‘… raken verstopt met algen?’

‘Zoiets. Je weet hoe het is – je ziet iemand die een wanhopige indruk maakt, en je moet gewoon een hand uitsteken om te helpen.’

‘Jij maakt niet zo’n wanhopige indruk.’

‘Ik heb het over jou.’

Nick kreeg een kleur. ‘Sorry?’

Ze stond op om water op te zetten. Toen ze bij het gasstel stond, zei ze: ‘We hebben allebei een verlies geleden. Het is zoals Rilke zegt – als we iets verliezen, vormt het een kring om ons heen. Een ononderbroken curve.’

‘Huh. Als kind had ik een Spirograaf.’

‘Ik dacht dat je een typische ondernemingsman zou zijn. Totdat ik je ontmoette. Maar weet je wat ik nu denk?’ Ze keek kalm maar diep in zijn ogen. ‘Ik denk dat je een echte familieman bent.’

Hij schraapte zijn keel. ‘Ja, nou, zeg dat maar tegen mijn zoon. Zeg dat maar tegen Lucas.’

‘Voor zo’n jongen is het een slechte leeftijd om je moeder te verliezen,’ zei Cassie zacht. Ze pakte een theepot uit een kastje, en twee mokken.

‘Is daar dan ook een goede leeftijd voor?’

‘Die jongen heeft je waarschijnlijk dringend nodig.’

‘Ik geloof dat hij daar heel anders over denkt,’ zei Nick een beetje bitter.

Cassie wendde haar ogen af. ‘Je zegt dat omdat hij alleen is met zijn woede en zich tegen jou keert. Nietwaar? Want jij bent veilig. Maar jullie komen er wel doorheen. Jullie houden van elkaar. Jullie zijn een gezin.’

‘Dat waren we.’

‘Weet je hoe gelukkig je kinderen zich mogen prijzen?’

‘Tja.’

Ze keek hem aan. ‘Ik wed dat een president-directeur zich ook een soort gezinshoofd voelt.’

‘Ja,’ zei Nick scherp. ‘Misschien van zo’n eskimofamilie. Waar ze oma op een ijsschots zetten als ze geen walvisblubber meer binnenbrengt.’

‘Ik wed dat die ontslagen moeilijk voor je waren.’

‘Moeilijker voor de mensen die werden ontslagen.’

‘Mijn vader had veel problemen, maar ik denk dat hij zich op de been kon houden doordat hij een baan had. Toen hij merkte dat ze hem niet meer wilden, stortte hij in.’

Nick had een gevoel alsof er een metalen band om zijn borst zat die steeds strakker werd aangetrokken. Hij knikte.

‘Ik was kwaad op Stratton,’ zei Cassie. ‘En eerlijk gezegd was ik ook kwaad op jou. Misschien vat ik die dingen te persoonlijk op omdat ik een vrouw ben. Maar misschien had het een extra ongunstige uitwerking op hem. Bij iemand met een psychische stoornis weet je dat nooit.’

‘Cassie,’ begon Nick, maar wat hij wilde zeggen, kwam er niet uit.

‘Maar dat was voordat ik jou leerde kennen. Jij wilde dat niet doen. De mensen in Boston dwongen je. Want uiteindelijk is Stratton een onderneming.’

‘Ja.’

‘Maar het is voor jou nooit alleen maar een onderneming geweest, hè? Ik besef net iets. In de afgelopen twee jaar moet een Stratton-werknemer zich ongeveer zo gevoeld hebben als de dochter van een schizofreniepatiënt. De ene dag ben je een geliefd gezinslid, de volgende dag ben je een unit, een kostenpost, iets wat kan worden afgekapt.’ Ze leunde met haar armen over elkaar op het aanrecht.

‘Ik vind het heel erg van je vader,’ zei Nick. ‘Erger dan ik je kan vertellen.’ En met nog meer reden dan ik je kan vertellen.

‘Mijn vader…’ Cassies stem was zacht, haperend. ‘Hij… Hij wilde niet zo zijn als hij was. Het maakte zich gewoon van hem meester. Hij wilde een goede vader zijn, zoals jij. Hij wilde…’ Cassie begon hortend adem te halen, en Nick besefte dat ze huilde. Haar gezicht was rood en omlaag gekeerd, en ze hield een hand over haar ogen. De tranen liepen rijkelijk over haar wangen.

Nick stond abrupt op, zodat zijn stoel over de linoleumvloer schraapte, en sloeg zijn armen om haar heen.

‘O, Cassie,’ zei hij zachtjes. ‘Het spijt me zo.’

Ze was klein en vogelachtig, met smalle knokige schouders. Ze maakte een geluid alsof ze hikte. Ze rook naar iets gekruids, iets new age-achtigs – patchoeli, was dat het? Nick schaamde zich bij het besef dat hij geprikkeld werd.

‘Het spijt me zo,’ zei hij opnieuw.

‘Zeg dat niet steeds.’ Cassie keek naar hem op en glimlachte vaag door haar tranen heen. ‘Jij kunt er niets aan doen.’

Nick herinnerde zich dat hij een keer een fitting probeerde te repareren terwijl hij dacht dat de stroom eraf was. Er was een akelig, tintelend gevoel door zijn arm gegolfd, en hij had er even over gedaan om te beseffen dat er stroom door de schroevendraaier lekte. Hij voelde nu ook zoiets, een schuldgevoel dat als een elektrische stroom door zijn lichaam golfde. Hij wist niet hoe hij moest reageren.

Maar Cassie zei: ‘Ik denk dat je een goed mens bent, Nicholas Conover.’

‘Je kent me niet,’ zei hij.

‘Ik ken je beter dan je denkt,’ zei ze, en hij voelde dat haar armen tegen zijn rug drukten om hem naar haar toe te trekken. Toen stond ze blijkbaar op haar tenen. Haar gezicht was dicht bij hem en haar lippen drukten tegen de zijne.

Het moment om te weigeren, om zich terug te trekken, kwam en ging. Nick reageerde bijna in een reflex. Ditmaal kuste hij haar terug. Hij voelde de plakkerige tranen op zijn gezicht en zijn handen gingen vanaf haar schouders omlaag.

‘Mmm,’ zei ze.

De ketel floot.

Na afloop lag ze nog een hele tijd op hem in hun gladde zweet, haar mond tegen zijn borst gedrukt. Hij voelde dat haar hartslag, snel als van een vogeltje, geleidelijk tot bedaren kwam. Hij streelde haar haar, drukte zijn neus tegen haar porseleinen hals, rook iets in haar haar, een conditioner of zoiets. Hij voelde haar borsten tegen zijn maag.

‘Ik weet niet wat ik moet zeggen,’ begon Nick.

‘Zeg dan niets.’ Ze glimlachte en steunde op haar ellebogen tot ze rechtop op hem zat. Ze krabde licht met haar nagels over het bovenste deel van zijn borst en liet ze verward raken in zijn borsthaar.

Nick verschoof zijn zitvlak over de ruwe stof van de bank in de huiskamer. Hij werkte zich omhoog, sloeg zijn armen om haar heen en boog zich naar voren tot hij ook rechtop zat.

‘Sterke man,’ zei ze.

Haar borsten waren klein en rond, de tepels roze en nog rechtop als opgestoken duimen. Haar taille was erg smal. Ze stak haar hand over hem uit naar de tafel naast de bank, en toen ze dat deed, streken haar borsten over zijn gezicht. Hij kuste ze vlug. Ze pakte een pakje Marlboro en een Bic-aansteker, nam een sigaret uit het pakje en hield het hem voor.

‘Nee, dank je,’ zei Nick.

Ze haalde haar schouders op, stak de sigaret aan, inhaleerde en blies een dunne straal rook uit.

‘“Laat mij wonen in een huis langs de kant van de weg en een vriend van de mensen zijn,”’ citeerde Nick.

‘Ja.’

‘Borduurwerk van oma?’

‘Mijn moeder vond het in een rommelwinkel. Ze vond het een mooie spreuk.’

‘Hoe lang is het geleden dat je hier weg bent gegaan?’

‘Ik ben net dertig geworden. Ik ben weggegaan toen ik een jaar of twaalf was. Een hele tijd dus. Maar ik kwam nu en dan terug om mijn vader op te zoeken.’

‘En toen ging je naar school in Chicago.’

‘Je probeert het Cassie Stadler-verhaal op een rijtje te krijgen? Veel succes.’

‘Ik vroeg het me alleen maar af.’

‘Mijn moeder hertrouwde toen ik elf was. Met een orthodontist. Hij had zelf ook twee kinderen; van mijn leeftijd en een beetje ouder. Laten we zeggen dat we niet de Brady’s waren, je weet wel, uit die televisieserie. Dokter Reese moest niet veel van me hebben. En de kleine Reese-jes, Bret en Justin, ook niet. Ten slotte stuurde hij me naar de Lake Forest Academy, vooral om me kwijt te zijn.’

‘Dat moet moeilijk voor je geweest zijn.’

Ze inhaleerde en hield de rook even in haar longen. Toen ze die weer had uitgeblazen, zei ze: ‘Ja en nee. In sommige opzichten bewezen ze me een dienst. Ik kwam op die school tot bloei. Ik was een vroegrijp kind. Ik had op mijn eindexamen de beste cijfers van mijn jaar. Je had me moeten zien toen ik zeventien was. Een veelbelovende jonge staatsburger. Niet het psychiatrisch geval dat je nu voor je ziet.’

‘Jij lijkt me helemaal geen psychiatrisch geval.’

‘Omdat ik niet kwijl en geen slechte bril draag?’ Ze keek scheel. ‘Daar trappen ze altijd weer in.’

‘Je praat erover alsof het een grote grap is.’

‘Waarschijnlijk is het inderdaad een grap. Een kosmische grap die ons verstand te boven gaat. Gods grap. Je kunt niets anders doen dan glimlachen en knikken en doen alsof je hem begrijpt.’

‘Op die manier kun je het nog ver brengen,’ zei Nick. Hij keek op zijn horloge en zag dat het al twee uur geweest was. Met een schok besefte hij dat hij naar kantoor terug moest.

Ze zag het. ‘Tijd om te vertrekken.’

‘Cassie, ik…’

‘Ga maar, Nick. Je hebt een bedrijf te leiden.’

Bedrijfsongeval
Cover.xhtml
Backcover.xhtml
Halftitle.xhtml
Titlepage.xhtml
Copyright.xhtml
Dedication.xhtml
Part0001.xhtml
Section0001.xhtml
Section0002.xhtml
Section0003.xhtml
Section0004.xhtml
Section0005.xhtml
Section0006.xhtml
Section0007.xhtml
Section0008.xhtml
Section0009.xhtml
Section0010.xhtml
Section0011.xhtml
Section0012.xhtml
Section0013.xhtml
Section0014.xhtml
Part0002.xhtml
Section0015.xhtml
Section0016.xhtml
Section0017.xhtml
Section0018.xhtml
Section0019.xhtml
Section0020.xhtml
Section0021.xhtml
Section0022.xhtml
Section0023.xhtml
Section0024.xhtml
Section0025.xhtml
Section0026.xhtml
Section0027.xhtml
Section0028.xhtml
Section0029.xhtml
Section0030.xhtml
Section0031.xhtml
Section0032.xhtml
Section0033.xhtml
Section0034.xhtml
Section0035.xhtml
Section0036.xhtml
Part0003.xhtml
Section0037.xhtml
Section0038.xhtml
Section0039.xhtml
Section0040.xhtml
Section0041.xhtml
Section0042.xhtml
Section0043.xhtml
Section0044.xhtml
Section0045.xhtml
Section0046.xhtml
Section0047.xhtml
Section0048.xhtml
Section0049.xhtml
Section0050.xhtml
Section0051.xhtml
Section0052.xhtml
Section0053.xhtml
Section0054.xhtml
Section0055.xhtml
Section0056.xhtml
Section0057.xhtml
Section0058.xhtml
Section0059.xhtml
Section0060.xhtml
Part0004.xhtml
Section0061.xhtml
Section0062.xhtml
Section0063.xhtml
Section0064.xhtml
Section0065.xhtml
Section0066.xhtml
Section0067.xhtml
Section0068.xhtml
Section0069.xhtml
Section0070.xhtml
Section0071.xhtml
Section0072.xhtml
Section0073.xhtml
Section0074.xhtml
Section0075.xhtml
Section0076.xhtml
Section0077.xhtml
Section0078.xhtml
Section0079.xhtml
Section0080.xhtml
Section0081.xhtml
Section0082.xhtml
Section0083.xhtml
Section0084.xhtml
Section0085.xhtml
Section0086.xhtml
Section0087.xhtml
Part0005.xhtml
Section0088.xhtml
Section0089.xhtml
Section0090.xhtml
Section0091.xhtml
Section0092.xhtml
Section0093.xhtml
Section0094.xhtml
Section0095.xhtml
Section0096.xhtml
Section0097.xhtml
Section0098.xhtml
Section0099.xhtml
Section0100.xhtml
Section0101.xhtml
Section0102.xhtml
Section0103.xhtml
Section0104.xhtml
Section0105.xhtml
Section0106.xhtml
Section0107.xhtml
Section0108.xhtml
Section0109.xhtml
Epilogue.xhtml
Acknowledgements.xhtml