15

Audrey Rhimes’ pieper ging af in het halfduister.

Ze schrok wakker uit een heerlijke droom over haar kinderjaren, een warme zomerdag, omlaag over een glijbaan waar geen eind aan kwam, in de sterk hellende achtertuin van haar ouderlijk huis. Normaal gesproken zou ze halfzeven niet vroeg vinden, maar ze had tot twaalf uur dienst gehad, en daarna was er het gebruikelijke gedoe met Leon geweest, en dus had ze hooguit vier uur slaap gekregen.

Ze voelde zich zo rauw en kwetsbaar als een kuiken dat net uit het ei was gekropen.

Audrey hield van routine en regelmaat. Die eigenschap paste niet goed bij haar werk als rechercheur op de afdeling Ernstige Delicten van het politiekorps Fenwick. Op elk uur van de dag of de nacht kon de telefoon gaan. Hoewel ze niet meer wist waarom, had ze deze baan gewild en had ze ervoor gevochten. Ze was niet alleen de enige zwarte rechercheur van Ernstige Delicten, maar ook de enige vrouw – en dat bleek het grootste probleem te zijn.

Leon kreunde, rolde zich om, begroef zijn hoofd onder een kussen.

Ze glipte uit bed en liep geluidloos door de schemerige slaapkamer, rakelings langs een stel lege bierblikjes dat Leon daar had laten liggen. Ze ging naar de keukentelefoon en belde de centrale.

Er was een lijk gevonden in een vuilcontainer bij het 500-blok van Hastings Street. Een deel van de stad waar alle verdorvenheid van de stad zich scheen te concentreren, alle prostitutie en drugs en geweld en schietpartijen. Als daar een dode werd gevonden, kon dat van alles betekenen, inclusief drugs of bendes, maar de kans was groot dat het erg weinig betekende. Was dat gevoelloos van haar? Zo zag ze het liever niet. In het begin was ze geschokt door de reacties van de nabestaanden, zelfs de moeders, die zich er bijna bij neerlegden dat ze een zoon hadden verloren. Ze hadden hun zoons al eerder verloren. Ze zeiden bijna nooit dat hun zoon onschuldig was, want ze wisten wel beter.

Toen Audrey hoorde wie haar die ochtend zou oppikken, dus met wie ze aan deze zaak zou werken – de walgelijke Roy Bugbee – voelde ze dat haar lichaam verstijfde van ergernis. Meer dan ergernis, moest ze zichzelf toegeven. Iets sterkers. Dit was geen loffelijk gevoel, geen edelmoedige impuls.

Toen ze zich aankleedde – ze had altijd een schone outfit in de kast zei ze in stilte een van haar favoriete bijbelregels op, uit Romeinen 15: ‘De God nu der volharding en der vertroosting geve u eensgezind van hetzelfde gevoelen te zijn naar Christus Jezus.’ Ze hield van die tekst, al gaf ze toe dat ze hem niet helemaal begreep. Maar ze begreep er wel uit dat de Heer ons eerst leert wat ware vertroosting en ware volharding waren, en dat hij ons daar vervolgens van doordringt. Door dit op te zeggen kon ze Leons humeurigheid van de laatste tijd doorstaan, en zijn drankprobleem. Het gaf haar een sereniteit waaraan ze dringend behoefte had. Ze had zich tot doel gesteld de hele bijbel aan het eind van het jaar te hebben uitgelezen, maar door haar onregelmatige werktijden zou dat er niet van komen.

Roy Bugbee was ook rechercheur bij Ernstige Delicten en hij had een grote hekel aan haar, al wist ze niet waarom. Hij kende haar niet. Hij kende alleen haar uiterlijke verschijning, haar sekse en de kleur van haar huid. Zijn woorden deden haar pijn, zij het nooit zo erg als die van Leon.

Ze pakte haar spullen bij elkaar, haar Sig-Sauer en haar handboeien, de kaartjes waarop de rechten van arrestanten stonden afgedrukt, de aanvraagformulieren voor materialen, en haar PT, haar radio. Terwijl ze wachtte, zat ze in Leons favoriete stoel, een versleten roestbruine fauteuil, en sloeg ze haar oude, in leer gebonden King James-bijbel open, die nog van haar moeder was geweest, maar ze had nauwelijks de tijd om de plaats te vinden waar ze gebleven was, want toen kwam rechercheur Bugbee al in zijn burgerwagen voorrijden.

Hij was slonzig. De dienstauto, die hij tot zijn grote geluk had gekregen – zij had er niet een – was bezaaid met frisdrankblikjes en piepschuimen Quarter Pounder-dozen. Er hing een lucht van oude friet en sigarettenrook.

Hij zei geen gedag of goedemorgen. Audrey wenste hem wel goedemorgen; ze wilde zich niet verlagen tot zijn kinderachtigheid. In een onbehaaglijke stilte zat ze tussen de viezigheid. Ze zag de ketchuppakjes op de vloer bij haar voeten en hoopte dat ze niet ook op de zitting onder haar donkerrode mantelpakje zaten. Dat kreeg ze er nooit meer uit.

Na een paar minuten zei hij iets. Hij had net richting aangegeven bij een rood verkeerslicht. ‘Je hebt geluk, hè?’ Bugbees blonde haar was hoog naar achteren gekamd. Zijn wenkbrauwen waren zo licht dat je ze bijna niet kon zien.

‘Pardon?’

Hij lachte rauw. ‘Ik bedoel niet met je man. Als Owens niet stomdronken was geweest toen de centrale belde, zou je hem hebben gekregen. Maar geluksvogel die je bent: je kreeg mij.’

‘Mm hm,’ zei ze vriendelijk. Toen ze pas bij Ernstige Delicten werkte, waren er maar twee mannen die met haar wilden praten, en Owens was een van hen. De anderen deden alsof ze niet bestond. Als ze ‘goedemorgen’ zei, zeiden ze niets terug. Er was natuurlijk geen damestoilet – niet voor één vrouw – en dus moest ze dat van de mannen gebruiken. Een van de mannen piste altijd precies op de bril om haar te pesten. Haar collega-rechercheurs vonden dat erg grappig. Ze had gehoord dat het Bugbee was, en ze geloofde dat. Hij had ‘grappen’ met haar uitgehaald waaraan ze liever niet terugdacht. Ten slotte was ze maar naar het toilet van de arrestantencellen op de benedenverdieping gegaan.

‘Lijk gevonden in een vuilcontainer in Hastings Street,’ ging Bugbee verder. ‘Het zat als een burrito in puinzakken.’

‘Hoe lang ligt het daar al?’

‘Geen idee. Als je maar niet gaat staan kotsen.’

‘Ik zal mijn best doen. Wie heeft het lijk gevonden, een dakloze die naar eten zocht?’

‘Een vuilnisman. Als je je laat gaan zoals bij dat kleine zwarte meisje, laat ik je van de zaak afhalen.’

De kleine Tiffany Akins, zeven jaar oud, was een paar maanden eerder in haar armen gestorven. Ze hadden haar vader in de boeien geslagen, maar toen Ernstige Delicten op het toneel verscheen, waren haar moeder en de vriend van haar moeder al aan hun schotwonden overleden. Audrey had haar tranen niet kunnen bedwingen. Dat mooie kleine meisje in haar SpongeBob-pyjama had haar eigen kind kunnen zijn, als ze kinderen had kunnen krijgen. Ze begreep niet hoe een vader zich zo door zijn woede en jaloezie kon laten verblinden dat hij niet alleen zijn vrouw en haar minnaar maar ook zijn eigen dochtertje doodde.

Ze reciteerde in zichzelf: De God nu der volharding en der vertroosting geve u eensgezind van hetzelfde gevoelen te zijn…

‘Ik zal mijn best doen, Roy,’ zei Audrey.

Bedrijfsongeval
Cover.xhtml
Backcover.xhtml
Halftitle.xhtml
Titlepage.xhtml
Copyright.xhtml
Dedication.xhtml
Part0001.xhtml
Section0001.xhtml
Section0002.xhtml
Section0003.xhtml
Section0004.xhtml
Section0005.xhtml
Section0006.xhtml
Section0007.xhtml
Section0008.xhtml
Section0009.xhtml
Section0010.xhtml
Section0011.xhtml
Section0012.xhtml
Section0013.xhtml
Section0014.xhtml
Part0002.xhtml
Section0015.xhtml
Section0016.xhtml
Section0017.xhtml
Section0018.xhtml
Section0019.xhtml
Section0020.xhtml
Section0021.xhtml
Section0022.xhtml
Section0023.xhtml
Section0024.xhtml
Section0025.xhtml
Section0026.xhtml
Section0027.xhtml
Section0028.xhtml
Section0029.xhtml
Section0030.xhtml
Section0031.xhtml
Section0032.xhtml
Section0033.xhtml
Section0034.xhtml
Section0035.xhtml
Section0036.xhtml
Part0003.xhtml
Section0037.xhtml
Section0038.xhtml
Section0039.xhtml
Section0040.xhtml
Section0041.xhtml
Section0042.xhtml
Section0043.xhtml
Section0044.xhtml
Section0045.xhtml
Section0046.xhtml
Section0047.xhtml
Section0048.xhtml
Section0049.xhtml
Section0050.xhtml
Section0051.xhtml
Section0052.xhtml
Section0053.xhtml
Section0054.xhtml
Section0055.xhtml
Section0056.xhtml
Section0057.xhtml
Section0058.xhtml
Section0059.xhtml
Section0060.xhtml
Part0004.xhtml
Section0061.xhtml
Section0062.xhtml
Section0063.xhtml
Section0064.xhtml
Section0065.xhtml
Section0066.xhtml
Section0067.xhtml
Section0068.xhtml
Section0069.xhtml
Section0070.xhtml
Section0071.xhtml
Section0072.xhtml
Section0073.xhtml
Section0074.xhtml
Section0075.xhtml
Section0076.xhtml
Section0077.xhtml
Section0078.xhtml
Section0079.xhtml
Section0080.xhtml
Section0081.xhtml
Section0082.xhtml
Section0083.xhtml
Section0084.xhtml
Section0085.xhtml
Section0086.xhtml
Section0087.xhtml
Part0005.xhtml
Section0088.xhtml
Section0089.xhtml
Section0090.xhtml
Section0091.xhtml
Section0092.xhtml
Section0093.xhtml
Section0094.xhtml
Section0095.xhtml
Section0096.xhtml
Section0097.xhtml
Section0098.xhtml
Section0099.xhtml
Section0100.xhtml
Section0101.xhtml
Section0102.xhtml
Section0103.xhtml
Section0104.xhtml
Section0105.xhtml
Section0106.xhtml
Section0107.xhtml
Section0108.xhtml
Section0109.xhtml
Epilogue.xhtml
Acknowledgements.xhtml