1

Het kantoor van de president-directeur van de Stratton Corporation was eigenlijk helemaal geen kantoor. Op het eerste gezicht zou je het een ‘cubicle’ noemen, maar bij de Stratton Corporation – die maakte de stijlvolle, zilverkleurige panelen rondom het geborsteld stalen Stratton Ergon-bureau van de president-directeur – is cubicle een vies woord. Je werkte niet in een cubicle in een ‘cube farm’; nee, je ‘multitaskte’ op je ‘thuishonk’ in een ‘open systeem’.

Nicholas Conover, de president-directeur van Stratton, leunde achterover in zijn leren Stratton Symbiosis-stoel, een zetel van topklasse, en probeerde zich te concentreren op de stroom cijfers uit de mond van zijn financieel directeur, Scott McNally, een kleine, bescheiden nerd met een griezelige voorliefde voor cijfers. Scott was cynisch en gevat, maar dan wel op een scherpe, enigszins boosaardige manier. Hij was ook een van de intelligentste mannen die Nick ooit had gekend. Toch was er niets waar Nick zo’n hekel aan had als aan budgetbesprekingen.

‘Verveel ik je, Nick?’

‘Moet je dat nog vragen?’

Scott stond bij het gigantische plasmascherm en raakte het met de stylus aan om de PowerPoint-beelden op te roepen. Hij was amper een meter vijftig lang, meer dan dertig centimeter kleiner dan Nick. Hij had allerlei zenuwtrekjes, maakte nerveuze bewegingen met zijn schouders, en zijn nagels waren afgekloven tot op het leven. Hij was ook zijn haar aan het verliezen, al was hij nog in de dertig; zijn schedel was kaal met alleen nog een randje wild krulhaar. Hij had geld genoeg, maar het leek wel of hij sinds de universiteit altijd hetzelfde blauwe button-down Oxford-shirt, versleten bij de boord, had gedragen. Als hij sprak, gingen zijn bruine ogen schichtig heen en weer, verzonken in diepe blauwpaarse holten.

Terwijl hij maar doorpraatte over de afvloeiingen, en voorrekende hoeveel ze dit jaar zouden kosten en hoeveel ze het volgend jaar zouden besparen, frommelde hij met zijn andere hand aan wat er van zijn slordige haar was overgebleven.

Nicks bureau werd zorgvuldig leeg gehouden door zijn geweldige secretaresse, Marjorie Dykstra. De enige dingen die zich daarop bevonden, waren zijn computer (draadloos toetsenbord en dito muis, geen irritant rattennest van draden, plat scherm), een rode modeltruck met het Stratton-logo op de zijkant, en ingelijste foto’s van zijn kinderen. Hij keek steeds even naar die foto’s, in de hoop dat Scott zou denken dat hij alleen maar in de ruimte staarde en zich op de eindeloos durende presentatie concentreerde.

Waar komt het op neer, jongen? zou hij willen zeggen. Zullen ze in Boston tevreden zijn of niet?

Maar Scott ging maar door over kostenbesparingen, outplacementkosten, meetsystemen, werknemers als ‘eenheden’, als staafgrafïeken op een PowerPoint-dia. ‘De huidige gemiddelde leeftijd van de personeelsleden is 47,789 jaar, met een standaardafwijking van 6,92,’ zei Scott. Toen hij met de aluminium stylus het scherm aanraakte, zag hij Nick wazig kijken, en hij keek hem met een vaag glimlachje aan. ‘Maar leeftijd is alleen maar een cijfer, hè?’

‘Is er ook goed nieuws?’

‘Ach, het is maar geld.’ Scott zweeg even. ‘Dat was een grapje.’

Nick keek naar de rij foto’s in hun zilveren lijsten. Sinds Laura’s dood, vorig jaar, gaf hij om nog maar twee dingen: zijn baan en zijn kinderen. Julia was tien, en op haar schoolfoto zat ze er stralend bij, haar kastanjebruine krulhaar een wirwar, haar enorme, vochtige bruine ogen fonkelend, haar grote nieuwe tanden een beetje scheef, haar glimlach zo natuurlijk en oogverblindend dat het was of ze uit de foto naar voren sprong. Lucas was zestien. Net als zijn zusje had hij donker haar, en hij was opvallend knap, met een markante kin en de korenblauwe ogen van zijn moeder. Een jongen die de harten van tienermeisjes sneller liet slaan. Lucas glimlachte naar de camera, een glimlach die Nick na het ongeluk niet meer bij hem had gezien.

Er was maar één foto van hen vieren. Ze zaten op de veranda van het oude huis, Laura in het midden, en ze raakten haar allemaal aan, hun handen op haar schouder of om haar middel. Ze was het middelpunt van het gezin. Daar was een grote leegte voor in de plaats gekomen. Haar geamuseerde, twinkelende blauwe ogen keken recht in de camera, openhartig en evenwichtig, met een beetje binnenpret. En natuurlijk zat Barney, hun dikke logge mengeling van labrador en golden retriever, met zijn hondenglimlach op zijn hurken voor het hele gezin. Barney stond op alle gezinsfoto’s, zelfs op de laatste foto die met Kerstmis was gemaakt, die waarop Lucas net zo dreigend keek als Charles Manson.

‘Todd Muldaur krijgt een rolberoerte,’ zei Nick, opkijkend naar Scott. Muldaur was vennoot in Fairfield Equity Partners in Boston, de beleggingsfïrma die nu eigenaar was van de Stratton Corporation. Om het maar ronduit te zeggen: Todd was Nicks baas.

‘Dat zit er wel in,’ beaamde Scott. Hij keek plotseling om, en even later hoorde Nick de kreten ook.

‘Wat…?’ zei Scott. Ergens dichtbij riep een diepe mannenstem. Er was ook een vrouwenstem, blijkbaar Marge.

‘U hebt geen afspraak, meneer!’ riep Marge, haar stem schel en angstig. Het antwoord bestond uit onverstaanbaar gegrom. ‘Trouwens, hij is er niet, en als u niet meteen weggaat, meneer, moet ik de bewaking bellen.’

Een kolossale gestalte dreunde tegen een van de zilverkleurige panelen rondom Nicks werkstation en gooide het bijna om. Het was een baardige reus van achter in de dertig. Hij droeg een geruit flanellen overhemd waarvan de knoopjes los waren, met daaronder een zwart Harley-Davidson-T-shirt. Het was een krachtpatser met een tonronde borstkas. De man kwam hem bekend voor. Een fabrieksarbeider? Iemand die kortgeleden was ontslagen?

De man werd gevolgd door Marge, die wilde gebaren maakte. ‘U mag hier niet naar binnen!’ riep ze uit. ‘Gaat u hier onmiddellijk weg, of ik bel de bewaking.’

De reus bulderde met een stem als een misthoorn: ‘Moet je kijken! De baas zelf. De beul.’

Er ging een kille angst door Nick heen. Hij besefte dat de budgetbespreking misschien wel het hoogtepunt van die dag was geweest.

De man, waarschijnlijk een werknemer die in de nieuwste afvloeiingsronde was ontslagen, keek hem met wilde ogen aan.

Nick dacht aan krantenberichten over woedende werknemers – ‘rancuneuze ex-personeelsleden’, werden ze altijd genoemd – mensen die ontslagen waren en naar hun werkplek terugkwamen en daar om zich heen schoten.

‘Ik herinner me net een telefonische vergadering waar ik te laat voor ben,’ mompelde Scott McNally, en hij perste zich langs de indringer. ‘Als je me wilt excuseren.’

Nick kwam langzaam uit zijn stoel en richtte zich op met zijn volle lengte van een meter vijfentachtig. De woedende man met de baard was veel groter.

‘Wat kan ik voor u doen?’ vroeg Nick beleefd en kalm, zoals je een dobermannpincher zou proberen te sussen.

‘Wat jij voor mij kunt doen? Nou moet ik toch wel heel hard lachen. Jij kan niks meer voor mij doen, klootzak, en ook niks meer mét mij.’

Marge, die nog achter hem met haar handen stond te zwaaien, zei: ‘Nick, ik bel de bewaking.’

Nick stak zijn hand op om haar tegen te houden. ‘Dat is vast niet nodig,’ zei hij.

Marge kneep haar ogen bijna dicht om te kennen te geven dat ze het er helemaal niet mee eens was, maar knikte toen en liep behoedzaam achteruit.

De man met de baard kwam een stap naar voren en zette zijn kolossale borst op, maar Nick week geen centimeter. Dit was iets uit het oerwoud: de indringer was een baviaan die zijn tanden ontblootte en schreeuwde en paradeerde om een roofdier af te schrikken. De man rook naar ranzig zweet en sigarenrook.

Nick vocht tegen de grote verleiding om de man tegen de vlakte te slaan. Hij zei tegen zichzelf dat hij, president-directeur van Stratton, zulke dingen niet kon doen. Daar kwam nog bij dat als die man een van de vijfduizend werknemers van Stratton was die in de afgelopen twee jaar waren ontslagen, hij het volste recht had om zich kwaad te maken. Hij moest de man laten uitrazen en tot rust laten komen, als een ballon waar de lucht uit loopt.

Nick wees naar een vrije stoel, maar de man met de baard wilde niet gaan zitten. ‘Hoe heet u?’ vroeg Nick een beetje zachter.

‘Dat had ouwe Devries nooit hoeven vragen,’ zei de man meteen. ‘Die kende iedereen z’n naam.’

Nick haalde zijn schouders op. Dat was maar een mythe. De joviale, vaderlijke Milton Devries – Nicks voorganger – was bijna veertig jaar president-directeur van Stratton geweest. De oude man was populair geweest, maar hij had echt geen tienduizend namen gekend.

‘Ik ben niet zo goed in namen als de oude man,’ zei Nick. ‘Dus help me maar een handje.’

‘Louis Goss.’

Nick stak zijn hand naar hem uit, maar Goss nam hem niet aan. In plaats daarvan wees Goss met zijn dikke wijsvinger naar hem. ‘Toen jij achter je dure computer ging zitten, achter je dure bureau, en de helft van de jongens in de stoelenfabriek ontsloeg, heb je je toen ook afgevraagd wie die mensen zijn?’

‘Meer dan je denkt,’ zei Nick. ‘Zeg, ik vind het jammer dat je je baan bent kwijtgeraakt…’

‘Ik ben hier niet omdat ik mijn baan ben kwijtgeraakt – ik heb namelijk dienstjaren. Ik ben hier om tegen je te zeggen dat als iemand hier weg moet, jij het bent. Omdat je één keer per maand door de fabriek loopt, denk je zeker dat je iets weet van de mensen die daar werken? Dat zijn mensen, jongen. Vierhonderdvijftig mannen en vrouwen die ’s morgens om vier uur opstaan en de vroege dienst draaien om hun gezin te eten te geven en hun huur of hun hypotheek te betalen en voor hun zieke kinderen en stervende ouders te zorgen, ja? Weet je wel dat sommigen van die jongens door jou hun huis gaan verliezen?’

Nick deed zijn ogen even dicht. ‘Louis, wil je alleen tegen me praten of wil je ook horen wat ik te zeggen heb?’

‘Ik wil je een beetje gratis advies geven, Nick.’

‘Alle waar is naar zijn geld.’

De man negeerde hem. ‘Denk jij er nou maar serieus over na of je door wilt gaan met die afvloeiingen. Want als je die morgenvroeg niet afblaast, gaat de hele zaak plat.’

‘Wat bedoel je?’

‘Ik heb de helft, misschien wel driekwart van de jongens op de werkvloer achter me. Nog meer, als we eenmaal beginnen. Morgen melden we ons allemaal ziek, Nick. En we blijven ziek tot mijn maten hun baan terug hebben.’ Goss glimlachte met zijn tabaksbruine tanden, genietend van dit moment. ‘Als jij doet wat goed is, doen wij dat ook. Iedereen blij.’

Nick keek Goss aan. Hoeveel van wat hij zei was bluf? Een wilde staking kon de onderneming lamleggen, vooral wanneer zo’n staking oversloeg naar andere fabrieken.

‘Denk daar maar eens over na, als je vanavond in je Mercedes naar je omheinde enclave rijdt,’ ging Goss verder. ‘Denk maar eens na: wou je naar de bliksem gaan en het hele bedrijf met je meeslepen?’

Het is een Chevrolet Suburban, geen Mercedes, wilde Nick zeggen, maar toen dacht hij aan de term ‘omheinde enclave’. Hoe wist Goss waar hij woonde? Daar had niets over in de krant gestaan, al praatten mensen natuurlijk altijd… Was dit een versluierde bedreiging?

Toen Goss de reactie op Nicks gezicht zag, glimlachte hij. Het was een naargeestige grijns. ‘Ja, dat klopt. Ik weet waar je woont.’

Nick voelde dat zijn woede oplaaide als een plas benzine waarin een brandende lucifer was gegooid. Hij sprong overeind en kwam bliksemsnel naar voren tot zijn gezicht nog maar een paar centimeter van dat van Louis Goss vandaan was. ‘Wat wil je daarmee zeggen?’ Het kostte hem al zijn zelfbeheersing om de man niet aan te vliegen, om de kraag van zijn flanellen shirt niet vast te pakken en strak te trekken om die dikke nek. Toen hij zo dichtbij was, besefte hij dat Goss’ kolossale lichaam voor het grootste deel uit vet bestond, niet uit spieren.

Goss kromp ineen en deinsde een beetje terug.

‘Dacht je dat niet iedereen weet dat je in een kast van een villa in een omheinde enclave woont?’ zei Goss. ‘Dacht je dat iemand anders in dit bedrijf daar het geld voor heeft?’

Nicks woede zakte meteen weer. Hij voelde een soort opluchting; hij had het verkeerd begrepen. Vergeleken met wat hij even had gedacht, stelde de bedreiging die Louis had uitgesproken niet veel voor. Hij boog zich nog dichter naar hem toe, porde met zijn vinger tegen Goss’ borst, tegen het witte streepje tussen ‘Harley’ en ‘Davidson’.

‘Ik wil je wat vragen, Louis. Weet je nog, de grote personeelsbijeenkomst in de stoelenfabriek, twee jaar geleden? Toen ik tegen jullie zei dat de onderneming diep in de stront zat en dat er waarschijnlijk mensen weg moesten, maar dat ik dat zoveel mogelijk wilde voorkomen? Jij was toch niet ziek op die dag?’

‘Ik was erbij,’ mompelde Goss.

‘Weet je nog dat ik vroeg of jullie allemaal wat minder uren wilden draaien, dan kon iedereen zijn baan houden? Weet je nog wat iedereen zei?’

Goss zweeg. Hij wendde zijn ogen af, wilde Nick niet recht aankijken.

‘Jullie zeiden allemaal nee, dat kon niet. Van salarisverlaging kon geen sprake zijn.’

‘Jij hebt makkelijk…’

‘En ik vroeg of jullie bereid waren allemaal te bezuinigen op jullie ziektekostenverzekering, crèchevoorzieningen en lidmaatschappen van de sportclub. Nou, hoeveel mensen staken hun hand op om te zeggen: ja, goed, we doen een stapje terug? Weet je dat nog?’

Goss schudde onwillig met zijn hoofd.

‘Nul. Er ging verdomme niet één hand omhoog. Niemand wilde ook maar een uur werk verliezen; niemand wilde ook maar één extra voorziening missen.’ Hij hoorde hoe het bloed door zijn oren suisde, voelde dat hij een kleur kreeg van verontwaardiging. ‘Denk je dat ik vijfduizend banen heb geschrapt, jongen? Nou, in werkelijkheid heb ik vijfduizend banen geréd. Want de jongens in Boston die eigenaar van deze onderneming zijn, spelen het keihard. Ze kijken naar onze grootste concurrent en zien dat die geen metaal meer buigt, dat die zijn meubilair niet meer in Michigan maakt. Alles wordt tegenwoordig in China gemaakt, Louis. Daarom zitten ze onder onze prijzen. Dat douwen die jongens uit Boston door mijn strot bij elke gelegenheid die ze krijgen.’

‘Daar had ik geen idee van,’ mompelde Louis Goss. Hij schuifelde met zijn voeten. Hij wist niets anders te bedenken.

‘Dus ga je gang maar, Louis. Ga maar staken. En dan sturen ze een nieuwe president-directeur, en vergeleken met hem ben ik moeder Teresa. Iemand die al onze fabrieken sluit zodra hij ook maar een stap in dit gebouw heeft gezet. En als je dan je baan wilt houden, Louis, moet je verdomd snel Chinees leren.’

Louis zweeg enkele ogenblikken, en toen hij sprak, deed hij dat met een zachte, doffe stem. ‘Je gaat mij ontslaan, hè?’

‘Jou?’ Nick snoof. ‘Jij bent de ontslagpremie niet waard. En ga nou als de gesmeerde bliksem aan het werk en maak dat je uit mijn… werkruimte komt.’

Enkele seconden nadat Louis Goss was weggesjokt, kwam Marge terug. ‘Je moet naar huis, Nick,’ zei ze. ‘Nu meteen.’

‘Naar huis?’

‘Het is de politie. Er is een probleem.’

Bedrijfsongeval
Cover.xhtml
Backcover.xhtml
Halftitle.xhtml
Titlepage.xhtml
Copyright.xhtml
Dedication.xhtml
Part0001.xhtml
Section0001.xhtml
Section0002.xhtml
Section0003.xhtml
Section0004.xhtml
Section0005.xhtml
Section0006.xhtml
Section0007.xhtml
Section0008.xhtml
Section0009.xhtml
Section0010.xhtml
Section0011.xhtml
Section0012.xhtml
Section0013.xhtml
Section0014.xhtml
Part0002.xhtml
Section0015.xhtml
Section0016.xhtml
Section0017.xhtml
Section0018.xhtml
Section0019.xhtml
Section0020.xhtml
Section0021.xhtml
Section0022.xhtml
Section0023.xhtml
Section0024.xhtml
Section0025.xhtml
Section0026.xhtml
Section0027.xhtml
Section0028.xhtml
Section0029.xhtml
Section0030.xhtml
Section0031.xhtml
Section0032.xhtml
Section0033.xhtml
Section0034.xhtml
Section0035.xhtml
Section0036.xhtml
Part0003.xhtml
Section0037.xhtml
Section0038.xhtml
Section0039.xhtml
Section0040.xhtml
Section0041.xhtml
Section0042.xhtml
Section0043.xhtml
Section0044.xhtml
Section0045.xhtml
Section0046.xhtml
Section0047.xhtml
Section0048.xhtml
Section0049.xhtml
Section0050.xhtml
Section0051.xhtml
Section0052.xhtml
Section0053.xhtml
Section0054.xhtml
Section0055.xhtml
Section0056.xhtml
Section0057.xhtml
Section0058.xhtml
Section0059.xhtml
Section0060.xhtml
Part0004.xhtml
Section0061.xhtml
Section0062.xhtml
Section0063.xhtml
Section0064.xhtml
Section0065.xhtml
Section0066.xhtml
Section0067.xhtml
Section0068.xhtml
Section0069.xhtml
Section0070.xhtml
Section0071.xhtml
Section0072.xhtml
Section0073.xhtml
Section0074.xhtml
Section0075.xhtml
Section0076.xhtml
Section0077.xhtml
Section0078.xhtml
Section0079.xhtml
Section0080.xhtml
Section0081.xhtml
Section0082.xhtml
Section0083.xhtml
Section0084.xhtml
Section0085.xhtml
Section0086.xhtml
Section0087.xhtml
Part0005.xhtml
Section0088.xhtml
Section0089.xhtml
Section0090.xhtml
Section0091.xhtml
Section0092.xhtml
Section0093.xhtml
Section0094.xhtml
Section0095.xhtml
Section0096.xhtml
Section0097.xhtml
Section0098.xhtml
Section0099.xhtml
Section0100.xhtml
Section0101.xhtml
Section0102.xhtml
Section0103.xhtml
Section0104.xhtml
Section0105.xhtml
Section0106.xhtml
Section0107.xhtml
Section0108.xhtml
Section0109.xhtml
Epilogue.xhtml
Acknowledgements.xhtml