91
Fallom zat in diepe gedachten verzonken op haar kooi toen Blits de hut betrad. Fallom keek even op en toen weer omlaag.
Blits zei rustig: 'Wat is er aan de hand, Fallom?'
Fallom zei: 'Waarom heeft Trevize zo'n hekel aan mij?'
'Waarom denk je dat hij een hekel aan jou heeft?'
'Hij kijkt me zo... ongeduldig aan. Is dat het goede woord?'
'Dat kan het goede woord zijn.'
'Hij kijkt me ongeduldig aan als ik bij hem ben. Dan verwringt zijn gezicht zich altijd een beetje.'
'Trevize heeft het erg moeilijk nu, Fallom.'
'Omdat hij Aarde zoekt?'
'Ja.'
Fallom dacht even na en zei toen: 'Hij wordt vooral ongeduldig als ik iets in beweging denk.'
Blits' lippen gingen stijf op elkaar. 'Ik heb je toch verteld, Fallom, dat je dat niet moet doen, vooral niet als Trevize in de buurt is.'
'Nou, gisteren, hier in deze hut, hij stond in de deuropening en ik had niets in de gaten. Ik wist niet eens dat hij naar me keek. Het was trouwens maar een van Pels boekfilms en ik probeerde die op een hoek te balanceren. Ik deed niemand kwaad.'
'Het maakt hem zenuwachtig, Fallom en ik wil dat je ermee ophoudt, of hij nu kijkt of niet.'
'Wordt hij er zenuwachtig van omdat hij het niet kan?'
'Wie zal het zeggen?'
'Kun jij het doen?'
Blits schudde langzaam haar hoofd. 'Nee, dat kan ik niet.'
'Maar jij wordt er niet zenuwachtig van als ik het doe. En Pel ook niet.'
'Mensen verschillen nu eenmaal.'
'Dat weet ik,' zei Fallom plotseling zo bits dat Blits er onzeker van werd.
'Wat weet je, Fallom?'
'Dat ik inderdaad anders ben.'
'Natuurlijk. Dat zei ik daarnet. Geen twee mensen zijn hetzelfde.'
'Ik heb een andere vorm. Ik kan dingen verplaatsen.'
'Dat klopt.'
En Fallom zei plotseling opstandig: 'Ik moet dingen verplaatsen. Trevize heeft geen reden om daarover kwaad op mij te zijn en jij moet me ook niet tegenhouden.'
'Maar waarom moet jij dingen verplaatsen?'
'Om te oefenen. Dat is toch het woord?'
'Ja, ja.'
'Jemby heeft altijd gezegd dat ik moet oefenen met mijn ... met mijn ...'
'Transductie-lobben?'
'Ja. Ze moeten sterk worden. En als ik groot ben kan ik al de robots stroom geven. Zelfs Jemby.'
'Fallom, wie heeft al die robots van stroom voorzien?'
'Bander.' Fallom sprak de naam zonder emotie uit.
'Kende jij Bander dan?'
'Natuurlijk. Ik heb hem vele malen gezien. Ik zou het volgende hoofd van het landgoed worden. Het landgoed-Bander zou het landgoed-Fallom worden. Dat heeft Jemby me verteld.'
'Bedoel je dat Bander naar jouw kamer ...'
Falloms mond viel van ontsteltenis open tot een volmaakte letter O. Met verstikte stem zei ze: 'Bander zou nooit zelf naar mijn kamer komen . ..' Ze begon te hijgen. Toen zei ze: 'Ik heb Banders beeld gezien.'
Blits vroeg aarzelend: 'Hoe heeft Bander jou behandeld?'
Fallom keek Blits ietwat verbaasd aan. 'Bander vroeg me altijd of ik iets nodig had; of het goed met me ging. Maar Jemby was altijd bij me zodat ik nooit iets nodig had.'
Ze boog haar hoofd en staarde naar de vloer. Toen legde ze haar handen over haar ogen en zei ze: 'Maar toen stopte Jemby. Ik denk dat dat komt omdat Bander ook gestopt werd.'
Blits zei: 'Waarom denk je dat?'
'Ik heb erover nagedacht. Bander gaf stroom aan alle robots en toen Jemby stopte en alle andere robots, toen moet Bander ook gestopt zijn. Is dat soms niet waar?'
Blits zweeg.
Fallom zei: 'Maar als jullie me naar Solaria terugbrengen zal ik Jemby en de andere robots stroom geven en dan zal ik weer gelukkig zijn.'
Ze snikte.
Blits zei: 'Ben je dan niet gelukkig bij ons, Fallom? Een heel klein beetje? Soms?'
Fallom richtte haar betraande gezicht naar Blits en met bevende stem zei ze terwijl ze nee schudde: 'Ik wil Jemby.'
In een smartelijke opwelling van medeleven sloeg Blits haar armen om het kind. 'O Fallom, wat zou ik jou graag weer bij Jemby brengen!' En toen merkte ze plotseling dat ze ook huilde.