Hoofdstuk 6
Zodra hij in de gemeenschappelijke ruimte kwam, vielen de gesprekken stil; er waren verbaasde gezichten, maar ook wantrouwige. De presentator van een spelprogramma was de enige die de spanning negeerde en grappige vragen bleef afvuren vanaf het tv-scherm.
Robert Scott, hoofdverpleegkundige van paviljoen C, stelde Ted voor aan de rest van de patiënten. Hij waarschuwde dat hij geen problemen wilde en liep weg. McManus hield toezicht vanuit de kamer ernaast door een raam met gewapend glas. Er was nog een verpleger bij hem.
In het vertrek waren drie uiteenlopende groepen: de grootste groep zat voor de televisie, de andere twee groepen zaten aan de tafels, waar respectievelijk werd geschaakt en gekaart. De enige einzelgänger was Mike Dawson, die op de brede vensterbank in zijn boek las. Toen hij Ted in het oog kreeg stak hij zijn hand op, maar meteen daarna was hij weer in zijn boek verdiept en lette verder niet op hem. Ted liep de zaal in, geneigd om zich bij het groepje schakers aan te sluiten, maar hij wist niet of dat wel een goed idee was.
Naarmate de rest hun aandacht voor hem verloor, begon het geroezemoes aan te zwellen. De kaartspelers praatten aan één stuk door, terwijl de televisiekijkers dat bij vlagen deden, ze beantwoordden vragen of waren verwikkeld in een of andere discussie. Ted liep naar de boekenkast en begon de inhoud te bekijken, hoewel hij op een subtiele manier zijn aandacht gericht hield op de twee schaakspelers en het groepje eromheen. Hij stond ongeveer drie meter bij ze vandaan en kon een snelle blik op het schaakbord werpen. De partij was net begonnen en ze speelden geen bekende opening, wat hem niet verbaasde. Terwijl hij net deed of hij de titels van de boeken las, speelde hij in zijn hoofd intussen de partij. Zwart won.
Een van degenen die aan het kaarten waren, een slungelige en schuwe man, merkte als eerste Teds interesse voor boeken op. Hij wees met een trillende vinger naar hem waarop zijn kaartmaten zich naar Ted omdraaiden. Ze keken even en maakten lachend grapjes over hem, daarna gingen ze weer verder met hun spel.
Het was ongeveer twintig minuten later toen de kleine man die Ted vanuit zijn kamer had gezien, die Lester bleek te heten, in gezelschap van een kameraad uit de tuin kwam. Hij droeg geen handboeien meer en zodra hij Ted in de gaten kreeg, raakte hij buiten zinnen.
‘Hij heeft mijn apparatuur gestolen!’ schreeuwde hij luid. Toen Ted zich omdraaide, rende Lester met een noodgang de zaal door, waarop Mike Dawson van de vensterbank sprong om hem tegen te houden en er opwinding ontstond in de aangrenzende kamer van de verpleegkundigen. Een aantal aanwezigen lachte en probeerde het naderende conflict op te stoken. Lester herhaalde zijn beschuldiging keer op keer en gesticuleerde heftig, maar kwam niet dichterbij. Mike was voor hem gaan staan en dat was voldoende om hem tegen te houden.
‘Ze hebben niets van je gestolen,’ zei Mike rustig. ‘Ga naar buiten.’
‘Ik maak hem dood! Hij heeft mijn apparatuur!’ Lesters kale kop liep rood aan, de aders in zijn nek zwollen op, hij maaide met zijn armen en benen als een bokser.
De verpleger die McManus vergezelde, kwam het kamertje uit en liep met een vermoeide uitdrukking op zijn gezicht de ruimte in. Met handgebaren bracht hij iedereen tot zwijgen. De uit de kluiten gewassen kerel zag eruit als een Viking en hij zou Lester met één hand tegen de grond kunnen werken, hoe driftig het mannetje ook was. Maar het was Dawson die de controle over de situatie had.
‘Hou je gemak,’ drong hij aan.
‘Hij is gisteravond aangekomen,’ zei Lester, terwijl hij als een gekooid dier heen en weer liep, ‘ik heb hem wel gezien. Hij heeft mijn apparatuur gestolen en nu heb ik niets om mee te communiceren.’
Ted bleef voor de boekenkast staan en lette op de gezichten die op hem gericht waren. Misschien kwam het door het woord ‘gestolen’ dat hij onwillekeurig zijn hand naar zijn broekzak bracht en aan het hoefijzer voelde. Lester zag het en ontplofte.
‘Hij heeft het daar, in zijn zak! Fouilleer hem dan!’
De verpleger schudde zijn hoofd. Mike deed een stap in de richting van Lester en prikte bestraffend een vinger in zijn borst.
‘Niemand heeft jouw apparatuur,’ zei hij streng. ‘En laat me nou rustig lezen als je geen problemen wilt.’
Het dreigement sorteerde effect. Lester was nog steeds onrustig, maar ook doodnerveus. Zijn stem brak.
‘Maar, Mike, zonder mijn apparatuur kan ik geen verslag uitbrengen. Ze hebben mijn verslag nodig, dat weet je best.’
‘Dat kan me geen bal schelen. Laat ze het maar komen halen met hun Millennium Falcon, als ze er zo om verlegen zitten. Jij rot op naar de tuin en ik wil je hier niet meer zien. Begrepen?’
Lester knikte. Er was geen spoor meer van zijn tomeloze woede. Hij ging er met gebogen hoofd vandoor.
Mike gebaarde naar de verpleger en glimlachte. Geen dank hoor… Vervolgens knipoogde hij naar Ted en ging weer in de vensterbank zitten om verder te lezen.
Ted liep naar de tafel waar het schaakspel inmiddels halverwege was en een stuk minder interessant. Degene die met wit speelde stond nu duidelijk achter en staarde naar zijn stukken alsof hij ze met geestkracht wilde verplaatsen. Zijn tegenspeler wachtte ontspannen zijn beurt af en keek afwisselend weer naar het schaakbord en naar zijn bescheiden publiek. Teds aanwezigheid leek hem te hinderen, maar hij zei niets.
‘Kom op, Sketch, ik heb niet de hele dag de tijd! Ik zal Scott vragen of hij voor ons aan zo’n dubbele klok kan komen, dan kan ik jullie sneller inmaken.’
Sketch voelde zich niet aangesproken, hij bleef in de partij verdiept. Tegen een ervaren speler zou hij geen schijn van kans maken, bedacht Ted, hoewel er nog een kleine mogelijkheid was als hij zijn paard van F5 op H6 zette.
Een van de toeschouwers bemoeide zich ermee: ‘Je hebt hem bijna, hè Lolo?’ Hij sloeg met zijn vuist in zijn handpalm. ‘Je wordt verpletterd als een vlieg, Sketch.’
‘Hou je waffel,’ zei een ander uit het publiek. ‘Jij weet niet eens hoe je de stukken moet verplaatsen. Dit heet schaken, wist je dat?’
Ze lagen allemaal dubbel, behalve degene die werd aangesproken en Sketch, die, nog steeds in opperste concentratie, weifelend zijn arm onder de tafel vandaan haalde om eindelijk een zet te doen. Zijn vingers zweefden in de buurt van zijn paard op F5. Er waren twee mogelijkheden: H6, wat nog een sprankje hoop gaf, en H4, wat hem de das om zou doen.
Hij koos H4.
‘Jij bent geen partij voor mij, Sketch!’ riep Lolo terwijl hij een pion vooruitschoof, die daardoor gevaarlijk dicht bij zijn promotie tot dame kwam. ‘Eens kijken hoe je je hieruit redt.’
Sketch zat alweer te prakkiseren.
Ted besloot ergens anders te gaan kijken. Het zou nog uren duren voor Laura langskwam.
Hij was net op weg naar de deur toen hij merkte dat Dawson was opgehouden met lezen en zijn ogen niet van hem afhield. Zonder te weten of het wel een goed idee was, liep hij naar hem toe, misschien om hem te bedanken voor zijn bemoeienis met Lester.
‘Jij wist het, hè?’ zei Dawson opeens. ‘Dat van dat paard op H4.’
Even wist Ted niet waar hij het over had. Toen het tot hem doordrong, haalde hij zijn schouders op.
‘Ik schaakte een beetje toen ik jong was.’
‘Ik ook, maar niet professioneel, hoor,’ zei Dawson. ‘Misschien kunnen jij en ik een keer spelen.’
Hij stelde hem op de proef.
‘Ja hoor.’ Ted liep verder.
‘Wacht even.’
Dawson nam hem aandachtig op.
‘Laat mij met je meegaan. Lester is daar ook nog.’
Op dat moment realiseerde Ted zich dat er opnieuw een stilte was gevallen in de kamer. Behalve de televisiepresentator leek iedereen op hen tweeën te letten. Hij dacht aan wat McManus die ochtend tijdens het douchen had gezegd. Als je bij Dawson in de gunst bent, zul je geen problemen met de anderen hebben.
Het was een erg ruime tuin. Er waren wandelpaden, waar op dat moment een paar patiënten in hun eentje rondslenterden, goed verzorgde bloembedden en bladerrijke bomen. Lester was met een klein groepje bij het basketbalveld, sommigen zaten op een bankje, anderen stonden ernaast, allemaal waren ze onmiddellijk met hun aandacht bij de twee mannen.
‘Dus je weet niet waarom je hier zit?’ vroeg Mike.
Ted keek hem vol ongeloof aan. In het ochtendlicht leek hij nog steeds de verstandigste man van de wereld. Als hij hem de nacht ervoor niet betrapt had met die krankzinnige uitdrukking op zijn gezicht was het moeilijk te begrijpen wat Dawson in het Lavender deed.
Net als jij en toch zit je hier.
Ze liepen naar een van de verste banken, die onder een enorme dennenboom stond.
‘Nou?’ drong Mike aan toen ze gingen zitten.
‘Het is niet zo dat ik het niet weet,’ zei Ted een beetje gelaten. ‘Ik was de afgelopen weken bij dokter Hill in behandeling. Ik heb een tumor… niet behandelbaar, en mijn arts meende dat de therapie me zou helpen om dat te verwerken. Om eerlijk te zijn had hij gelijk. Ik dacht dat ik niets aan de gesprekken met dokter Hill zou hebben, maar ze hielpen wel. Een beetje. Nu is ze alleen veel te ver gegaan.’
Op het basketbalveld waren Lester en de anderen een partijtje begonnen. De bal stuiterde op het beton met het kenmerkende scherpe geluid.
‘Heeft dokter Hill je tegen je zin laten opnemen?’
‘Ja.’
Mike tastte in zijn zak en haalde een pakje sigaretten tevoorschijn. Hij bood Ted er een aan, maar die sloeg het aanbod af.
‘Ik rookte ook niet,’ zei Mike terwijl hij een vergulde aansteker bij zijn sigaret hield. Hij nam een lange haal. Vervolgens observeerde hij de sigaret tussen zijn vingers en zei cryptisch: ‘Soms denk ik dat ik alleen maar rook om anders te zijn dan de vent die ik daarbuiten was.’
Ted staarde naar de aansteker. Mike zag het en zei: ‘Naarmate je hun vertrouwen wint, gaat het beter. Mijn dagen hier zijn nu best rustig. Het zijn de nachten die me zwaar vallen.’
‘Waarom zit je hier?’
‘Hebben ze je dat niet verteld?’
Ted schudde zijn hoofd.
Mike keek naar de grond, zichtbaar geëmotioneerd, zelfs nog voor hij zijn mond opendeed.
‘Ik heb de familie van mijn beste vriend vermoord.’
In de verte klonk het stuiteren van de bal.
‘Ik was heel erg ziek,’ ging Mike verder. Hij zat nu in elkaar gedoken, bijna kleiner geworden, met zijn onderarmen op zijn knieën en zijn blik strak op de grond gericht. ‘Als er opeens een massale uitbraak plaatsvond of als ik om een absurde reden vrijgelaten zou worden… dan zou ik weigeren.’ En verbitterd voegde hij eraan toe: ‘De dochter van mijn vriend overleefde het. Mezelf aan deze dennenboom verhangen zou onrechtvaardig zijn ten opzichte van haar. Te makkelijk.’
Ted zweeg.
‘Weet je, gek worden verandert de zaak niet echt,’ ging Mike verder. ‘Het is geen bevrijding, bedoel ik. In plaats van naar de gevangenis te gaan, houden ze je op een plek als deze vast. Maar er blijft altijd een deel van je verantwoordelijk; verantwoordelijk voor het feit dat je dat andere deel niet hebt tegengehouden. Want een deel van je weet het. Dat weet alles.’
Hij deed Ted aan Wendell denken in het gereedschapshok van de leegstaande fabriek…
Er zit bepaalde informatie hier, in je hoofd, die je verdacht maakt.
Mike staarde een poosje in gedachten naar de lucht en leek dingen te overdenken uit een verleden dat hem niet met rust liet. Hij tikte met een vinger op zijn slaap en keek Ted met grote, angstaanjagende ogen aan.
‘Je hoofd is een toverdoos. Vol met trucs. Het slaagt er altijd in je te waarschuwen. En ook om je een vluchtroute te bieden. Een deur…’
Doe de deur open. Het is je laatste uitweg.
Ted dacht aan de dennenboom die hun beschutting bood, en aan het lichaam van Mike Dawson dat aan een tak bungelde op het ritme van een zachte bries.
‘Je zult wel gelijk hebben.’
Mike glimlachte. Opnieuw was het een vriendelijk, begripvol gezicht.
‘Misschien klopt het wat je zegt en ben je hier morgen weg. Of niet, en dan gaan we hier weer op deze bank zitten. Iedereen moet vroeg of laat die deur opendoen.’
Mike Dawson ging staan. Hij rekte zich uit en maakte zijn borst breed; zijn rugwervels kraakten.