Hoofdstuk 3
Bijna zonder haar pas in te houden overhandigde Laura Hill het formulier aan de bewaker. De man begon te zeggen dat ze er eerst mee langs de administratie moest gaan, maar voor hij zijn zin kon afmaken had ze al gezegd dat ze dat later wel zou doen, het enige wat op dit moment telde was de patiënt naar zijn kamer brengen. De bewaker zei niets meer.
Laura, Roger en verpleger McManus liepen in de richting van de kamers, waarbij ze nog langs twee controleposten moesten en door de gemeenschappelijke ruimte, waar verschillende patiënten hen geïnteresseerd nakeken. Ze werden opgewacht door Robert Scott, hoofdverpleegkundige van paviljoen C met wie Roger bevriend was. Hij ontving ze met een formele groet en vertelde zonder plichtplegingen welke kamer in orde was gebracht; hij was op de hoogte en zou geen vragen stellen. Als dokter Hill en directeur Grant overeen waren gekomen de regels te omzeilen, ging hij zich er niet mee bemoeien.
Het waren moderne kamers, met één wand helemaal van glas. De deur kon met een afstandsbediening of met een code worden geopend. Scott deed zijn kaartje in de opening, toetste de code in en met een zacht zuigend geluidje gaf de deur mee. Laura duwde de rolstoel naar binnen; Roger en McManus pakten Ted onder zijn oksels vast en zetten hem op het bed. Het hoefijzer viel van zijn schoot en kletterde op de plavuizen. Laura bukte zich en pakte het op, ze keek er even naar en gaf het aan Ted terug. Het kalmeringsmiddel was zo langzamerhand uitgewerkt, daardoor kon hij zijn vingers om het metaal klemmen.
‘Laat me maar even een moment alleen met hem.’
De twee mannen keken elkaar bezorgd aan. Ten slotte stemden ze in. Teds handen en voeten waren geboeid, hij kon zijn handen bijna niet bewegen.
Roger en McManus voegden zich bij Scott op de gang. Deze laatste hield de kamer voortdurend in de gaten. Als de dokter iets overkwam, was dat wel zijn verantwoordelijkheid en hij wist eigenlijk niets van die vent. Hij kon wel mooi weer spelen en bij de eerste de beste gelegenheid de vrouw proberen te wurgen. Er waren patiënten in dit paviljoen die dat en erger zouden doen als de gelegenheid, hoe klein ook, zich voordeed.
Aan de andere kant van het glas ging Laura naar Ted toe.
‘Morgen gaan we praten,’ zei ze. ‘Probeer wat te rusten, je bent hier in goede handen.’
Ted staarde wat voor zich uit, zijn oogleden nog steeds halfgesloten. Toen Laura zich omkeerde om de kamer uit te gaan, bewoog hij zijn ogen een beetje om haar na te kijken.
McManus kwam later met een andere verpleger terug en samen hielpen ze hem in een nieuw grijs uniform. Op enig moment ging Ted op zijn zij liggen. Het bed was redelijk comfortabel.
’s Nachts werd hij een paar keer gedesoriënteerd wakker. Vanuit zijn bed ontwaarde hij de schemerige gang en de tegenoverliggende kamer waar een man van een jaar of vijftig met een van haat vertrokken gezicht naar hem keek.