58

Ouderdom is als een vliegtuig dat door noodweer vliegt. Als je eenmaal aan boord bent, is er niets meer aan te doen.

–Golda Meir

‘Dus de seks is allejezus sensationeel, toch?’ wilde Allison weten.

      ‘Ik denk het, ja,’ zei Eden. Ze roerde vier klontjes rietsuiker door haar cappuccino.

      ‘Hoezo, “ik denk het”?’ vroeg Allison.

      ‘Je hebt gelijk,’ antwoordde Eden, die haar handen warmde aan de gloeiend hete mok. ‘Ik ben gek op hem. Het is zo’n leuke man en ik ben hem zo dankbaar, weet je dat? Ik heb het gevoel dat hij me heeft opgeraapt en afgestoft nadat Otto me min of meer met het oud papier had weggegooid. Hij gaf me weer het gevoel dat ik mooi en speciaal was.’

      ‘O, o,’ zei Allison en ze leunde alwetend achterover in haar stoel. ‘Hij is er geweest.’

      ‘Wat? Wacht, waarom zeg je dat?’ vroeg Eden.

      ‘Ik ken jou. Die toon.’

      ‘Nee, nee, het is alleen...’ Edens stem stierf weg. ‘Ik vind Chase zo geweldig, hij is zo’n geweldige man maar... Ik voel de laatste tijd een vreemd soort... verlangen.’

      ‘Waarnaar? Mijn therapeut zou misschien zeggen naar de jeugd,’ zei Allison. ‘Dat is niet zo gek. Rond mijn twintigste papte ik aan met Jan en alleman. Jij zat aan Otto en Cole vast! Misschien mis je gewoon die periode uit je leven; je ging niet met een miljoen mannen naar bed zoals de rest.’

      ‘Het gaat niet om dat miljoen mannen...’ zei Eden, die haar stem weer liet wegsterven terwijl ze in haar koffie roerde. Ze raapte eindelijk de moed bij elkaar om Allisons nieuwsgierige blik van de andere kant van de tafel te beantwoorden. ‘Het gaat maar om eentje.’

      ‘Wie?’

      Dit was te gênant. Eden kon het amper aan zichzelf toegeven, laat staan hardop zeggen, zelfs al was het tegen haar beste vriendin.

      ‘Laat maar,’ zei ze en ze schudde vlug het hoofd alsof ze de herinneringen van zich af wilde schudden. ‘Het is letterlijk paleozoïsch. Vergeet maar dat ik iets heb gezegd.’

      ‘Eden, kom op. Het is volkomen normaal om aan eerdere relaties terug te denken, aan mensen die je hebt gekend...’

      ‘Niet aan zo lang geleden,’ zei Eden, die uit het raam naar de drukke straat keek. ‘Het is verleden tijd. Het is stom om er ook maar aan te denken. Alleen ik kwam Wes’ moeder, Penelope, laatst tegen.’

      WAT? Wanneer?’

      ‘Een paar weken geleden. Ik kan nu niet meer stoppen met aan hem denken. Hij is nooit getrouwd. En zijn moeder, jezus, ze was zo... geweldig, Alli. We hebben de hele middag samen doorgebracht – tot het museum sloot – en nu komen al die herinneringen aan vroeger terug. Ze heeft me de hele saga verteld over hoe zij en Wes’ vader herenigd werden en ik ben er gewoon continu mee bezig. Ik realiseerde me dat ik, ik weet niet, op een bepaalde manier wordt achtervolgd door die relatie.’

      ‘Dat begrijp ik wel. Het was ook zo’n geweldige jongen. En je hebt hem compleet in de stront laten zakken.’

      ‘Dank je.’

      ‘Wat? Dat heb je toch gedaan?’

      ‘Herinner me er niet aan. Weet je, daar heb ik ook aan zitten denken, de weg die ik niet ben ingeslagen, of zoiets. Ik kan maar niet ophouden! Het is zo nutteloos en stom om tijd te verspillen aan daarover nadenken maar nu ik weet wat ik weet...’

      ‘Heb je er spijt van?’

      ‘Nee, nou ja... niet echt. Ik heb Cole, ik heb mijn leven hier. Maar Wes was gewoon zo’n geweldig mens; hij zou me nooit zo hebben behandeld als Otto. Hij was het type dat van elke rimpel en vetrol zou houden, weet je wel?’

      ‘Irritant genoeg zie ik bij jou nog geen van beide.’

      ‘Ik wil alleen zeggen dat ik dan misschien op deze leeftijd geen nieuwe start had hoeven maken, snap je?’

      ‘Of misschien toch wel. Dat kun je niet weten.’

      ‘Nee, en zoals ik al zei, het is stom om er zelfs maar over na te denken,’ snoof Eden, die duidelijk van onderwerp wilde veranderen. Een beetje dan.

      Allison had haar door. ‘Dus hij is nooit getrouwd?’

      ‘Nee, nooit.’

      ‘Echt? Waar woont hij?’

      ‘Hij verhuist weer hiernaartoe,’ zei Eden en voorzichtig kruiste haar blik die van Allison.

      ‘O jee.’

      ‘Maar goed, dat is niet relevant. Hij haat me vast. En ik heb Chase. Ik denk dat zijn liefheid me op een vreemde manier aan Wes doet denken. Ik denk dat ik in de hele waas van verliefd worden op Otto, druk zijn met Cole, een beetje de puurheid van die relatie ben vergeten. Ik weet het niet, op een gekke manier heb ik het idee dat hij de enige man is die ooit echt van me gehouden heeft.’

      ‘Ah, onzin! Laat me niet lachen. Je hebt ontelbare mannen om je vingers gewonden!’ bracht Allison daartegen in.

      ‘Maar die hielden niet van míj. Ik ben jaren eenzaam geweest met Otto en ik denk dat ik in het begin ook eenzaam was maar het gewoon niet merkte omdat we het zo druk hadden toen Cole een baby was en we zoveel reisden en ik werd verblind door al die dingen waarvan ik nu weet dat ze onzin zijn. Wes was mijn beste maatje. Hij was compleet toegewijd en ik heb hem zo in de stront laten zakken. Ik heb zijn hart niet gebroken, ik heb het vertrapt. Vernietigd. Tot pulp geslagen met een goedendag.’

      ‘Een wat?’

      ‘Zo’n stok met een metalen bol met punten eraan. Hij dacht dat we voor altijd samen zouden zijn. Ik verdiende hem niet.’

      ‘Waar komt dit in godsnaam allemaal vandaan? Doordat je zijn moeder hebt gezien?’ vroeg Allison zich af. Ze had haar beste vriendin nog nooit zo zien wegkwijnen om een man.

      ‘Ik weet het niet, ik ben gek geworden,’ mijmerde Eden, die zichzelf niet herkende. ‘Misschien was mijn ontmoeting met Penelope de katalysator, maar ik denk dat ik door die verjaardag die me boven het hoofd hangt allerlei bizarre emotionele optelsommetjes heb zitten maken. Ik denk ook... dat ik door bij Chase te zijn een beetje aan mijn jongere ik moet denken. Hoe ik vroeger was. Maar goed, het is een stomme tijdsverspilling want je kunt niet terug.’

      ‘Ik herinner me nu weer dat je me hebt verteld dat Wes’ moeder heel cool was. Nam ze jullie niet mee uit als ze op bezoek kwam? Je was helemaal weg van haar...’

      ‘Ja! Ze is geweldig. Ze is zo zelfverzekerd en gelukkig en nog steeds verliefd op haar man. Ze is wat ik graag zou zijn op die leeftijd.’

      ‘Jeetje, ik heb nooit geweten dat dit je zo achtervolgde.’

      ‘Ik ook niet... tot nu dan. Chase doet me denken aan hoe Wes wilde zijn; dezelfde kracht en idealen, maar dan met geld. Al het geld dat Wes graag gehad zou hebben zodat hij mij ermee kon overladen. Ik was zo’n hebzuchtig stuk vreten.’

      ‘Zeg, haal jezelf niet zo omlaag,’ zei Allison. ‘Als hij zo geweldig was, zou je niet voor Otto hebben gekozen.’

      Maar in de meest duistere krochten van haar hoofd wist Eden dat de waarheid te beschamend was om tegenover haar beste vriendin toe te geven. Ze had voor Otto gekozen omdat hij haar beroemd zou maken. Hij zou ervoor zorgen dat ze nooit op de bus terug naar Shickshinny hoefde te stappen. Otto stond voor veiligheid en zou ook nog een ster van haar maken.

      Hoe ouder ze werd, hoe minder haar ego ertoe deed en hoe meer ze de leegte in haar borstkas voelde. De eerste vier decennia waren uitgeschreven, uitgestippeld met de precisie van een cartograaf. Ze had de bestemming waarvan ze dacht dat ze die in de satellieten van het lot daarboven had ingetoetst bereikt, maar kwam er toen achter dat dat niet de plek was die ze zocht. Anders dan de eerste veertig jaar, waren de volgende veertig vaag en nog niet in kaart gebracht. En deze keer wilde ze de vaste paden verlaten, van de kaart af rijden, zonder iets te geven om wat ze deed of wat ze zou vinden. Het enige wat ze wilde zoeken was geluk. Iets, zo vreesde ze, wat moeilijker te vinden zou zijn dan de diepst begraven schat.