46
De jeugd zou een ideale toestand zijn als die wat later in het leven kwam.
–Herbert Asquith
‘Waar blijf je?’ wilde Otto over de telefoon weten van Eden. ‘Ik moet aan het werk.’
‘Hoe bedoel je, waar blijf ik? Ik kom niet. Na hoe jij ons hebt behandeld, neem ik ontslag.’
‘O ja? Je neemt ontslág? Om die... hoe noemen de kranten hem? De moderne JFK Junior?’ vroeg Otto vanuit zijn studio terwijl hij gesso op een enorm doek aanbracht. ‘Dit kun je niet maken. Over minder dan twee maanden is die show in Parijs.’
‘Dat kan me niet schelen.’
‘Dat blijkt. Je geniet zeker van mijn vernedering. De roddelbladen smullen ervan. Rupert Murdoch zou je dividend moeten uitkeren. Zo indiscreet als jullie zijn! Ik dacht dat hij iets van klasse hoorde te hebben? Hij kon zijn van zegelringen voorziene poten niet van je afhouden.’
‘Ik kan me herinneren dat ooit voor jou hetzelfde gold. En hij heeft helemaal geen zegelring.’
De Carmina Burana schalde uit de speakers achter Otto terwijl hij zich rot begon te voelen. De muziek zwol met steeds meer geweld aan en Otto dacht terug aan hoe hij Eden ooit met zo’n hartstochtelijke energie had geschilderd, hoe hij met woest zigzaggende vegen haar vel herschiep in extatische beige vlekken. En nu verdedigde ze haar nieuwe, piepjonge minnaar. Als hij soms zijn collectie tekeningen van haar bekeek waar zijn muren mee vol hingen, verlangde Otto ernaar om weer met haar te vrijen. Maar zíj was niet degene die hem in vuur en vlam zette; het was de beeltenis die hij van haar geschapen en herschapen had. Het was zijn narcisme. Hij walgde er gewoonweg van dat een op papa’s zak terende etter nu met haar naar bed mocht. Hij wist dat hij haar nooit terug kon krijgen, niet dat hij dat echt wilde.
‘Dus je wilt echt niet meer voor me poseren?’
‘Nee.’
De twee zwegen, de leegte op de lijn was triest en zwaar.
‘Heb je Cole nog gesproken?’ vroeg Otto dwars door zijn intense spijt heen.
‘We mailen elke dag, maar het is niet hetzelfde. Ik mis hem.’
‘Ik ook. Ik mis ons,’ gaf Otto toe. ‘Weet je, Eden. Mary betekent niks voor me.’
‘Otto. Het is te laat. Ik kom niet meer terug. Niet in je bed en niet op je doeken. Het is voorbij. Er is te veel gebeurd. Ik ben nu een andere vrouw.’
‘Echt? In een kwestie van een paar maanden ben je een andere vrouw?’ spotte hij toen zijn nostalgie onmiddellijk weer omsloeg in woede. ‘Wacht maar tot Cole die Chase ontmoet. Hij zal net zo van hem walgen als ik.’
‘Wil je alsjeblieft niets over Chase tegen Cole zeggen?’ vroeg Eden, kwetsbaar. ‘Ik wil niet dat je hem vergiftigt en tegen me opstookt.’
‘Je denkt dat hij het niet zal begrijpen. Hmmm. Interessant. Als je je relatie voor je eigen zoon verbergt, denk je dan niet dat je er wat beter over na moet denken of het het wel waard is om nog met dat knulletje om te gaan?’
Otto raakte een gevoelige snaar die haar aan Callie en Sara deed denken en Eden huiverde.
‘Het is geen knulletje. En ik verberg niets. Cole weet ervan. En moet jij zeggen. Hallo, jij doet het met meisjes van amper achttien jaar en krijgt er nooit gedoe mee.’ Ze was verbolgen omdat er met twee maten werd gemeten.
‘Omdat ik, in tegenstelling tot jou, lieve schat, discreet ben.’
‘Nou en, moet ik dan in de schaduw wegkruipen en verbergen met wie ik omga?’ vroeg ze terwijl ze het duidelijke verschil begon te zien tussen Otto die het met jongere meiden deed en zij die het met een jongere man deed.
‘Je hoort bij deze studio. Of je het nu leuk vindt of niet. Deze studio is een familie, een bedrijf, een huis,’ zei hij, rood aanlopend.
‘Otto, volgens mij komt het niet door: ik maak niet langer deel uit van de studio.’
‘Dat zal je altijd blijven doen. Het oeuvre is overal! Jij bent deel van de werken en synoniem met mij. Het is beneden je waardigheid, tegen alles waar wij voor stonden, dat schorem met tweede huizen in Maine en een familiewapen op hun tafelzilver. Het haalt de studio ook omlaag. Hij is alles wat wij altijd verafschuwd hebben!’
‘Spreek voor jezelf. Ik heb lang niet zoveel klassevrees als jij! En trouwens, je hoeft niet te doen alsof jij niet elitair bent met je herenhuis en reisjes rond de wereld. Wat maakt jou zo anders?’
‘Dat ik dingen creëer. Die robots schuiven alleen maar met geld. Ze leiden een luxeleven terwijl het pensioen van andere mensen door de plee spoelt!’
‘Wat ben je ook arrogant. Heb je er ooit wel eens over nagedacht wat jouw doeken van een miljoen dollar voor een dorp in Afrika zouden kunnen betekenen? Nou? Alsjeblieft zeg, voor een paar zielige kloddertjes verf krijg je een enorme smak geld!’
‘Ik heb jou nooit horen klagen.’
‘Ik klaag nooit. In tegenstelling tot andere mensen.’
‘Laten we daar nu niet weer over beginnen. Dat wordt zo saai. Vroeger kon je met jou nog lol maken. Die stijve harken lijken je wel te hebben besmet. Je begint de saaiheid van je studentje over te nemen.’
‘Grappig dat je dat zegt, trouwens...’ Edens stem stierf weg terwijl ze uit het raam keek en glimlachte. ‘Op een gekke manier voel ik me juist het jonkie van deze relatie.’
‘O?’ informeerde Otto, nu kalmer, en geïntrigeerd. Hij was net een stormachtige achtbaan, langzaam en geleidelijk of uit het niets als een razende de diepte in stortend.
‘Zijn familie is zo conservatief en traditioneel, maar hij staat bijna met gierende banden klaar om uit te breken en ik denk dat ik hem daarbij help.’
‘Ze zullen wel niet blij met jou zijn, lieveling.’
‘Dat weet ik wel zeker. Maar ik denk dat we goed zijn voor elkaar. Hij is een oude, zeer oude ziel en door mij voelt hij zich jonger. Ik ben altijd een vrije geest geweest en hij geeft me het gevoel geaard te zijn en volwassener. Ik weet niet waarom ik je dit vertel. Je hebt duidelijk zo’n minachting voor hem. Voor onze relatie.’ Eden schudde het hoofd en keek op haar horloge.
‘Nee, het spijt me. Eden, liefje, ik... kan niet tegen je liegen. Natuurlijk heb ik altijd vermoed dat je me nog wel eens voor een jongere man zou kunnen verlaten. Je was mijn model dat tegen me opkeek, maar natuurlijk wist ik dat ik op een dag uit mijn droom zou ontwaken om erachter te komen dat de student de meester voorbij was gestreefd.’
‘Otto, doe niet zo dramatisch. Mag ik je eraan herinneren dat jij hier degene bent die een ander had? Jij bent degene die het met elke lekkere kont doet die daar binnenloopt.’
‘Zo is het nu eenmaal.’ Nuchter haalde hij zijn schouders op. ‘Je weet dat ik meer van jou hou dan van wie ook. Voor altijd.’
Ze waren met elkaar verbonden, voor altijd, en ze moesten over deze horde heen zien te komen, niet alleen voor haar toekomst met Chase maar ook vanwege hun levenslange verbinding via Cole.
‘Ik bied mijn verontschuldigingen aan voor mijn jaloerse gedrag. Dat was dwaas,’ gaf hij toe. ‘Vertel me eens wat meer over hem.’
‘Ik weet niet, ik... zijn toewijding is zo volledig, zo volhardend. Hij doet me eigenlijk een beetje denken aan...’
Haar stem brak een beetje en stierf daarna weg. Ze kon Wes’ naam niet noemen tegen Otto. Op dat moment, aan de telefoon met Otto nota bene, realiseerde Eden zich iets. Die vertrouwdheid die ze zo heerlijk vond aan Chase? Dat lag niet aan hem. Dat lag aan háár? Het was haar oude zelf. Chase deed haar niet zozeer aan Wes denken; ze waren totaal verschillend. Maar Chase deed haar aan zichzelf in die tijd denken.
‘Ja...’ wilde Otto weten. ‘Aan wie doet hij je denken?’
‘Niemand. Mijn oude ik, meer niet.’
‘Ik herinner me die meid. Ze was levendig en bekoorlijk en verleidelijk en bruisend, en dat is ze nog steeds.’
Eden zweeg terwijl ze zich afvroeg of Chase die eigenschappen ook zag of haar alleen zag als oud en wijs, ervaren-sexy in plaats van geil-sexy.
Otto ging verder: ‘Ik wil dat je weet dat ik nog steeds van je hou en wil dat je komt praten, om wat te schetsen. Wil je erover nadenken om me te vergeven en morgen te komen poseren? Ons hier samen doorheen slaan?’
‘Nee. Het spijt me, maar nee.’
‘Nee? Dat is alles?’
‘Ik kan het niet, Otto. Ik moet verder. Natuurlijk blijven we vrienden voor Cole, maar ik kan gewoon niet meer met je samenwerken. Waarom zouden we elkaar ermee pijnigen. Zo is het voor iedereen beter.’
‘Dus dit was het? Je verbrandt gewoon je schepen achter je?’ schimpte hij verbaasd. ‘Na al het werk dat we samen hebben gecreëerd?’
‘Ja, ik denk het. Ik ben helemaal vóór het verbranden van schepen,’ zei Eden nuchter. ‘Als een schip oud en gammel is en mensen zich eraan kunnen bezeren, afbranden die hap! Je bouwt wel weer een nieuw met iemand anders. Maar wat mij betreft, ben ik toe aan een ander.’