2
Zo nederig was Cass’ begin nu ook weer niet geweest, maar ze wist best dat haar start bij de radio iets sprookjesachtigs had. Haar eerste ontmoeting met Jack Mandeville, jaren daarvoor, was net zo romantisch geweest. Nou ja, zo romantisch als een ontmoeting tussen twee pubers bij de botsautootjes kan zijn dan...
Het was op haar vijftiende verjaardag en van haar overbezorgde moeder had ze samen met haar vriendinnetje Annie Murray naar de kermis op Wandsworth Common gemogen op voorwaarde dat ze niet met jongens zou praten. Zodra ze uit zicht van het huis waren, hadden de meisjes hun rokjes ongeveer dertig centimeter ingekort door de tailleband als deegslierten op te rollen, en elkaars gezicht geplamuurd met de strikt verboden make-up die ze hadden gestolen van Annies oudere zus. Geen wonder dus dat ze volop bekijks hadden toen ze het park in liepen waar de zaterdagmiddagkermis op volle toeren draaide; vooral twee brommernozems in leren jacks, uit Walthamstow, gaven blijk van hun onverholen belangstelling. Met hun puistjes, hun ongewassen uiterlijk en gebrek aan omgangsvormen waren ze echter niet wat Cass en Annie voor zichzelf in gedachten hadden.
Hun afwijzing viel niet echt in goede aarde. ‘Verwaande trutten,’ snauwde de langste van de twee jongens, die zijn zinnen op Cass had gezet. Met haar lange blonde haar, haar stralende ogen en hemelse benen was ze helemaal zijn type.
‘Gewoon niet op letten,’ riep Annie, terwijl ze Cass naar de botsautootjes duwde. ‘O, moet je die jongen eens zien die het geld int! Net Elvis... Snel, neem jij die blauwe, dan neem ik de rooie. Zorg dat je met hem aan de praat raakt... Hij is echt te gek.’
De nozems in hun leren jacks met franje hadden echter andere plannen. Omdat ze het niet konden zetten dat ze werden genegeerd, besloten ze de verwaande trutten een lesje te leren, dus stapten ze elk ook in een botsautootje en begonnen als gekken op Cass en Annie in te rijden. Bij iedere succesvolle schuiver joelden en floten ze. Cass, die het helemaal niet grappig vond, werd een beetje bang, maar de Elvis-lookalike stond een paar meter verderop met twee meisjes met donker haar te kletsen. In de tussentijd werd ze langzaam maar zeker een hoek in gedreven. De nozems, die blijkbaar hadden besloten al hun aandacht op haar te richten, riepen steeds akeligere dreigementen.
Hulp was echter nabij. Aan het eind van het ritje, toen ze zich net stond af te vragen of ze wel op haar trillende benen zou kunnen staan, werd ze tot haar verbazing in één soepele beweging het botsautootje uit geholpen. Een sterke hand had de hare vastgepakt, en er zat voor haar niets anders op dan haar redder het trapje af te volgen, weg van de botsautootjes, zigzaggend door de menigte tot ze veilig uit zicht waren.
‘Dank je,’ zei ze hijgend, terwijl ze tegen de achterkant van een hotdogwagentje leunde. ‘Ik was doodsbang. Wat denk je, zouden ze ons achternakomen?’
‘Ik dacht het niet.’ De jongen, die ze nog niet eerder had gezien, keek over haar schouder. Zijn donkere wimpers fladderden op en neer. ‘Maar om helemaal zeker te zijn...’
Het hart klopte Cass in de keel toen hij haar meenam naar het spookhuis, maar ze protesteerde niet. Terwijl hij in zijn zakken naar geld voor de kaartjes zocht, bestudeerde ze hem stiekem. Ze schatte hem op zo’n twee à drie jaar ouder dan zij.
Hij had achterovergekamd, donker, bijna zwart haar dat behoorlijk lang was. Verder had hij erg heldere donkerbruine ogen, een neus met een paar sproetjes erop en een grappige mond, zo’n mond die altijd leek te lachen ook al was dat niet zo. Hij was lang en mager, wat haar ook wel beviel. Haar laatste vriendje was een paar centimeter kleiner geweest dan zij, en ze had het een heel gedoe gevonden om zich continu kleiner te moeten proberen te maken.
Ineens drong tot haar door dat ze wel erg op de zaken vooruitliep. Hoewel ze nog niet eens wist hoe hij heette, was haar fantasie al met haar op de loop gegaan.
Hij heette Jack, hoorde ze, toen ze eenmaal veilig in het treintje zaten.
‘Cass,’ zei ze, zich afvragend of ze op de een of andere manier achter zijn achternaam zou kunnen komen. Annie zou haar daar vast en zeker naar vragen. Want het had per slot van rekening geen enkele zin om je best te doen voor iemand die Winkle heette, of Shufflebottom. Het zou gênant zijn om met zo iemand uit te gaan, volgens de bazige Annie, laat staan dat je ermee zou trouwen. Veilig in het donker schraapte Cass blozend haar keel. ‘Cass Ashton.’
‘O, gaan we formeel doen?’ zei hij luchtig. ‘John Marius Frederick Rothschild de derde.’
Het treintje pufte over de gammele rails en schudde hevig toen het de eerste bocht nam. Een totale duisternis omhulde hen en iets wat aanvoelde als een reusachtig spinnenweb gleed over Cass’ gezicht.
‘Rothschild?’ vroeg ze verbaasd. ‘Dat meen je niet!’
‘Ach, het stelt niks voor.’ Jacks zucht ging verloren in een ijselijke kreet boven hun hoofd. ‘Als je bang bent, mag je me wel vasthouden, hoor,’ voegde hij er terloops aan toe.
‘Nou, je wordt bedankt,’ zei Annie toen ze eindelijk het spookhuis uit kwamen zetten, knipperend tegen het zonlicht. Ze leunde tegen de omheining van de attractie en keek heel boos.
‘Sorry,’ zei Cass schuldbewust, hoewel dat een beetje aan de late kant was. ‘Ik dacht dat ze alleen mij lastigvielen. Gaat het?’
‘Nou, ik leef nog.’ Annie was niet alleen boos, ze was vreselijk jaloers. Natuurlijk was het Cass weer die was gered, al was het dan niet door een ridder op een wit paard, maar door een bijzonder aantrekkelijke jongen in een T-shirt van Led Zeppelin.
‘Rothschild!’ krijste Annie nadat Cass de jongen trots had voorgesteld. ‘Doe normaal zeg. We zijn niet allemaal zo goedgelovig als Cass.’
‘En ook lang niet zo mooi.’ Jack glimlachte, maar aan de glans in zijn donkere ogen was te zien dat hij het meende.
Dat was het einde geweest van Annies vriendschap met Cass.
‘Maar goed ook,’ verklaarde Jack. ‘Zulke vriendinnen bezorgen je alleen maar een slechte naam. Bovendien heb je haar niet meer nodig. Je hebt mij nu toch?’
Het was een typische jeugdliefde geweest. Het enige wat er niet typisch aan was, was dat die liefde nooit was overgegaan. Cass aanbad Jack, al heette hij dan niet echt Rothschild, en ze waren altijd samen. In het begin had haar moeder zich zorgen gemaakt; ze vond dat Cass eerst nog wat plezier moest maken in plaats van zich op zo’n belachelijk jonge leeftijd al te binden. Nadat ze echter had gehoord wat de vriendjesloze schoolvriendinnen van haar dochter allemaal uitspookten in de plaatselijke disco, had ze het er niet meer over. Jack Mandeville was intelligent, charmant, goed gemanierd, gezellig en heel ambitieus. Waarom zou ze eigenlijk nog klagen nu Jack haar van nature luie dochter hielp met haar huiswerk? Terwijl ze naar het stel keek dat op het pas gemaaide gazon aan het leren was, besefte Geraldine Ashton dat ze veel had om dankbaar voor te zijn. Jammer dat Jack pas zestien was. Over een jaar of tien zou hij zonder meer de perfecte schoonzoon van iemand zijn.
Zo lang hoefde ze echter niet te wachten. Tegen alle verwachtingen in bleven Jack en Cass ook de daaropvolgende twee jaar bij elkaar. Cass werd steeds blonder en mooier en verliefder en Jack – aantrekkelijker dan ooit – werd na zijn eindexamen tot zijn grote vreugde toegelaten tot Cambridge, waar hij economie ging studeren.
Cass, die veel minder ambitieus was en geen flauw idee had wat ze wilde, begon halfhartig aan een studie Engels aan de lang niet zo prestigieuze hogeschool van Bristol. Ze woonde samen met vijf andere studenten in een studentenhuis in Clifton, had een hekel aan haar studie en ook vreselijk last van heimwee. Om preciezer te zijn: van heimwee naar Jack.
In plaats van te studeren schreef ze ’s avonds lange, ongelukkige brieven naar Jack. Wanneer hij belde, moest ze zo hard huilen dat ze nauwelijks een woord kon uitbrengen. Zodra ze de kans had, nam ze de bus naar Cambridge of ontmoette hem halverwege, in Londen.
‘Dit is hopeloos,’ zei Jack met zijn arm om haar heen, nadat ze de avond van haar negentiende verjaardag in tranen had doorgebracht, omdat het een maand zou duren voordat ze elkaar weer zouden zien. Hij miste Cass net zo erg als zij hem. De driehonderd kilometer die hen van elkaar scheidde, deed geen van hen goed.
Cass veegde haar gezicht af aan de mouw van zijn blauwe trui en snufte luidruchtig. ‘Ik haat Bristol. Ik haat iedereen in mijn jaar.’ Ze hikte ongelukkig. ‘Ik haal mijn tentamens nooit, Jack. Ik haat het allemaal zo erg dat ik gewoon niet kan denken.’ Een beetje uitdagend voegde ze eraan toe: ‘En ik mis je zo erg dat het me allemaal niks kan schelen ook.’
‘In dat geval kun je ze beter vertellen dat je ermee stopt,’ zei Jack.
‘Echt?’ Haar ogen glansden, en haar knieën knikten van opluchting. Ze smeekte hem al een halfjaar of ze er niet mee mocht stoppen, maar hij had er niks van willen weten en steeds gezegd dat het wel zou wennen.
‘Ik weet wat ik heb gezegd,’ zei hij met een berouwvol lachje. ‘Maar het wordt echt niks, hè? Volgens mij kunnen we maar beter gaan trouwen. God, je moeder wordt helemaal gek.’
Cass was nog nooit zo gelukkig geweest. Haar lievelingsfilm was Love Story, waarin Ali McGraw verliefd werd op Ryan O’Neal. En nu maakten zij en Jack dat in het echt mee. Ze waren nog gelukkiger dan de twee filmpersonages, ze waren nog verliefder, en het allermooiste was nog dat ze niet van plan was om aan het eind een jammerlijke dood door leukemie te sterven.