15 maart
Mijn dienst met Chiel begon om vijf uur. Ik had de huisdeur nauwelijks geopend of Derek had me al aan de haak. 
'Nou, Yvon, heb je het gehoord? We hebben geen oog dichtgedaan vannacht, Hannes en ik. Eerst op bezoek geweest gister en vanmiddag ook weer. Ik heb een paar sinaasappeltjes voor d'r uitgeperst en meegenomen in zo'n tupperware bekertje, weet je wel . . . Enfin, we komen vanmiddag, is ze d'r helemaal niet. Wij op van de zenuwen natuurlijk, we schieten zo'n meiske aan, een lieverdje hoor, maar ze weet van niks, enfin . . . wij wachten en eindelijk komt er een zuster en die vertelt, dat Hanneke voor onderzoek naar een andere afdeling is gebracht. . . Enfin, wij wachten, dan zegt die zuster: dus wacht U maar even, en na een half uur komt ze terug, helemaal huilerig en zo en ik had dat sinaasappeltje weet je wel, dat drinkt ze dus op, nou ja ... ze kalmeert wat en na een kwartier moeten we al weer weg. Weten we nog niks . . . Yvon, luister es, dit kan zo niet hoor, daar moet jij ogenblikkelijk iets aan doen . . . We kunnen hier niet zomaar gaan zitten wachten, daar worden we gek van, Hannes en ik . . . We zitten maar naast de telefoon en er gebeurt maar niks, we kunnen daar niet blijven zitten . . .'
'Dat moet je ook niet doen,' zei ik. 'Ga wandelen, kook es wat lekkers, dat kan je toch, of. . . ga naar de bioscoop met z'n tweeën . . .'
Van verbazing hield Derek zijn mond dicht. Zoveel onbegrip had hij van mij niet verwacht. 'Naar de bioscoop . . .' zei hij tenslotte, 'en Hanneke dan?'
'Laat Hanneke in godsnaam zelf haar kind krijgen, daar heeft ze jou en Hannes niet bij nodig, jullie zijn totaal onbruikbaar op het ogenblik.' 'Onbruikbaar??' vroeg Derek.
'Ja, onbruikbaar.' Ik draaide me om en ging resoluut naar de stafkamer, met het vaste voornemen om Hannes met matras en al de gang in te zwiepen.
Bas overhandigde me een brief. 'Van Edje,' zei hij, 'vanmorgen met de post gekomen. Lees maar, hij heeft het verdomd goed onder woorden gebracht.'
'Ik schrijf jullie een lange brief, want in de trein heb ik veel gedacht. Ik heb het al aan Yvonne gezegd en zij zegt, dat ik wel gelijk heb en dat ze het ook aan jullie zal zeggen, maar ik schrijf het ook nog. Het is dus zo, dat ik op een internaat zit, omdat ik thuis vervelend ben en niet naar school wil, wat mijn moeder dus wou. En mijn moeder kan mij niet aan, dat is zo, daar zal ik niets van zeggen, want dat is zo. Laatst ook, zijn we gaan joyrijden en daar kwam een hoop rottigheid van en ik heb dus ook gestolen en mijn moeder kan dat niet meer hebben met mijn broertje en zo, wat ik dus begrijp. Maar wat ik niet begrijp is, dat ik niet meer mag komen naar de straat waar ik hoor en naar mijn vrienden daar. Het zijn heus goeie knullen allemaal en we kennen elkaar zo lang we leven, dus krijg je ons niet zomaar uit elkaar. Bovendien heb ik geen andere vrienden. Hier in het internaat die liggen mij niet en ik hun niet, dus dat gaat niet. En als ze naar huis gaan, wat ze doen, dan zit ik hier alleen of met een paar anderen en een leider er bij en dan gaatje weekend zomaar om. Op het laatst word je daar helemaal gaar van en dan ga je zitten zinnen op dingen om weg te komen. Wat ik dus niet zou doen als ik gewoon naar huis mocht en dat hoeft echt niet iedere week, maar toch wel één of twee keer in de maand. Nou kan mijn moeder me niet hebben dus, wat ik dus begrijp. Maar nou zijn jullie een Opvanghuis en jullie weten wat er met mij aan de hand is en ook van de douche, dat ik daaronder ga staan en dat dat niet ziek is, maar dat ik dat doe zomaar. Als ik me goed voel en als ik gewoon naar huis mag komen voor een keer, dan ga ik heus niet onder de douche staan, want dan word ik nat en dan kan ik de straat niet op, wat ik dus juist wil. Nou is er nergens een huis, waar ik naar toe kan voor een weekend, alleen jullie dus en als ik dus naar jullie kan gaan en jullie zeggen dat tegen het internaat, dan mag ik dus en dan kan ik met mijn vrienden uitgaan en dan beloof ik ook, dat ik geen dingen zal doen als stelen en joyrijden zodat de politie er bij komt en er last van komt voor jullie. En mijn moeder heeft dan ook niet de zenuwen, dat ik naar haar toe kom. En misschien later gaat het dan vanzelf beter met mij en dat is dan ook door jullie en dat moet je toch fijn vinden. Als Rem nu opbelt of Bas, dat is ook goed, hier naar het internaat dus en als hij dan zegt wanneer ik komen mag aan de leiding, dan kom ik dus en van mij heb je geen last. Edje.'
'Dat wordt het zoveelste klantje, waarvoor we van de Sociale Dienst geen cent krijgen,' zei Bas. 'Maar we doen het toch, omdat we vinden dat het nodig is, en dus gaan we langzaampies aan op de fles . .. een maandje, twee maandjes en dan gaat het deurtje dicht van dit huis, dat we geopend hebben omdat we vonden dat dat nodig was . ..'
Lenny kwam thuis met een grote bos bloemen, die ze in de keuken in een emmer zette. Het papier vouwde ze langzaam op en bewaarde ze in een kastje. 
'Zijn ze niet voor mij?' vroeg Chiel.
'Nee, voor mijn moeder . . .'
'Jezus,' dacht ik, 'krijgen we dat drama vanavond.' Het had geen zin om haar te vragen niet te gaan, ze wilde geaccepteerd worden. Een maand geleden had Koen met de moeder gesproken, maar was geen stap verder gekomen. 'Lenny verpest de sfeer hier in huis,' zei ze. 'Als zij er is, lopen alle anderen weg, of krijgen ruzie met haar. Ze legt volledig beslag op mij, heeft ze altijd gedaan, van kind af aan, het is abnormaal, ik heb haar wel af moeten stoten ...' 
Een antwoord, waarmee Koen geen vrede kon hebben. 'Van kind af aan, zegt u, maar heeft u dan nooit de hulp van een dokter of een psychiater ingeroepen?'
'Nee, wij zijn gewone mensen, wij lopen niet voor alles naar een dokter toe ...'
'Maar u zegt, dat het abnormaal is.'
'Dat is het ook, ik kan haar niet meer hebben thuis. Bovendien, ze is 26 . . . ik had al drie kinderen op die leeftijd.' 
'En u bent niet bereid om haar te helpen? Heeft u geen medelij met haar?'
'Misschien heb ik het gehad, maar nu irriteert ze me en probeer ik maar niet aan haar te denken. Alles heeft ze hier verknoeid, alles ... Ik wil beslist niet meer aan haar denken.' 
'Maar ze denkt voortdurend aan u. Is het niet mogelijk, dat u haar af en toe ontvangt, wat aandacht geeft, als de anderen er niet zijn bijvoorbeeld?'
'Het is toch te gek, meneer, dat een heel gezin onder haar lijden moet? Als zij is geweest, krijg ik overal uitslag en jeuk, dat duurt drie, vier dagen, de dokter zegt dat het allemaal komt door haar. Ik breng het niet meer op, meneer ...' 
'Dus voor die uitslag bent u wel naar de dokter gegaan?'
'Ja, meneer, want ik breng het niet meer op en ik wil niet meer, dat ze hier komt.. .'
'En als ik met haar mee kom ... al was het maar één keer, dat ze het gevoel krijgt toch een moeder te hebben?' 
'Ik zal u wat vertellen, meneer, van ú krijg ik óók jeuk. Stapt U alstublieft zo gauw mogelijk op.'
Tegen achten wikkelde Lenny de bloemen weer in het papier. 'Ik ga,' zei ze, 'het zal wel laat worden, je hoeft niet op me te wachten, want mijn moeder is toch jarig, weetje nog?' 
'Ja,' zei ik en ik liep met haar mee naar haar bromfiets, 'maar wat verwacht je vanavond?'
'Ze zal die bloemen toch aannemen?' zei ze. 'Het zijn hele mooie.'
'Mijn God, Lenny, je lokt het zelf uit. Ze stuurt je terug ... of ze zegt niks tegen je ... en je broers en zusters ook niet, dat wéét je toch. Je wordt doodongelukkig, net als de andere keren . . . Blijf er toch weg, blijf bij óns, Lenny, wij kunnen je wèl begrijpen ...'
Ze sloeg haar arm om mijn hals en gaf me een zoen. 'Ik kan het niet laten,' zei ze, 'ik heb nog steeds het gevoel, dat ik bij ze hoor, en daarom ga ik, iedere keer weer ... ik moet het steeds proberen . . .'

Thomas kwam terug van de Hogewal. 'Het zit er in, dat ik naar de boerderij mag,' zei hij, 'maar er moet nog veel geregeld worden, en het erge is . . . mijn ouders, die weten tot nu toe niets en die moeten worden ingelicht. . . ook voor de verzekering moet dat, want die moeten het betalen. Ik weet het niet precies hoe of dat gaat, maar wel, dat mijn ouders moeten komen.'
'Schrijf ze, of bel ze op en zeg, datje ze spreken wil.'
'Nee joh, dat kan ik niet, ze schrikken zich dood. Kunnen jullie niet...?'
'Ja, dat zou even gemakkelijk zijn. Je doet het zelf maar hoor.' 
'En dan vragen of ze komen?'
'Ja, natuurlijk, het zijn jouw ouders toch en ze zullen nog erger schrikken als je dood bent. Vertel maar gewoon hoe je er aan toe bent en dat je aan het werk bent met jezelf.'
'Maar als ze komen, wie zit er dan bij . . . ik bedoel, wie legt ze dan uit hoe het daar toegaat op de boerderij?'
'Jijzelf en één van de mensen van de boerderij en Ina mis schien. Zie jij ze maar bij elkaar te krijgen.' 
'Ja maar .. .'
'Jongen, het gaat toch om jou . . . jij hebt toch gekozen voor je leven?'

Zelfs de bloemen werden niet aangenomen. Lenny stond met een verfrommelde bos voor de deur. 'Ik heb wel tien maal gebeld,' zei ze. 'Eerst deden ze niet open en later kwam mijn vader en die zei, dat ik weg moest gaan. Er was visite en ze wilden geen scène ... en de bloemen kreeg ik zo weer teruggeduwd. De gordijnen waren dicht, maar door een kier kon ik ze zien .. . helemaal geen visite, alleen maar familie . ..' 
Met haar jas nog aan en de bloemen op schoot ging Lenny in de huiskamer zitten, doelloos en in zichzelf weggezakt. Als we daar niets aan deden, zat ze er morgen nog. 
'Hée, Lenny,' zei Chiel, 'ga je mee stappen? Ik moet er even uit hoor en alléén heb ik geen zin.' 
'Nee ...,' zei Lenny.
'Jawel, ergens wat drinken . . . Klaasje gaat ook mee.' 
'Nee ...'
Maar Chiel zette door. Klaasje ging zijn jas vast halen. 'Ah-joh, meid . . . laat je niet kisten,' zei hij, 'anders heb je je helemaal voor niks opgetut. Heb je eindelijk es een keer je kam door je haar gekregen en dan zal je de hele avond voor je uit gaan zitten turen. Nee hoor, kom mee ... we gaan met Chiel mee uit.'