10 januari
Het huis was al in rep en roer, toen ik 's morgens binnenkwam. Derek liep van boven naar beneden met alle prulletjes van Gemma, haar kleren en haar plantjes. Een 'perzisch' kleedje, dat hij ergens op de kop had getikt, schonk hij haar als afscheidscadeau. De föhn mocht ze ook meenemen, nog een handje tramkaarten (die hij kennelijk had opgespaard), het centenbuideltje van Cor (dat in de krepo was blijven liggen), wat ballpoints uit de Receptie, een kalender, een poster, kortom, Derek graaide links en rechts om zich heen; zijn affectie voor Gemma wilde hij op het allerlaatst in daden omzetten. Toen Charrie haar zijn laarzen wilde schenken, bleek dat Gemma die al bij haar spulletjes had gepakt, hetgeen een afgrijselijk tumult ten gevolge had. Onverstaanbare klanken stegen op uit Charrie's mond. Voor mij onverstaanbaar, want ik hoorde alleen maar: rrrurrrurrru-bbu-bbu-bur-tru- tru-ttrrut.
Voor Gemma was dit echter overduidelijk. 'Als je me dan toch uit wil schelden,' zei ze, 'neem dan een woord wat je zeggen kan ... en neem niet rubbertrut. . . want dat kan je niet . . . zèg dan: rubbertrut . . .' Tot het uiterste getergd bracht Charrie zijn rode hoofd tot vlak voor Gemma en perste er spugend doch feilloos 'rubbertrut' uit. Gemma begon te juichen. 'Zie je wel,' zei ze, 'je kan het wel!' Ze greep hem bij de hand en sleepte hem naar de stafkamer, waar hij aan Tim en mij zijn rubbertrut-kunst moest vertonen. Daarna vlogen ze elkaar om de hals, Charrie schonk grootmoedig zijn laarzen weg en de vrede was getekend.
Er kwam geen eind aan de cadeaus. Lenny gaf de asbak mee, die ze zovele malen naar Gemma's hoofd had gegooid en die nu in dank en tranen werd aanvaard. Ali gaf een beeldschoon spiegeltje, dat achteraf van Ina bleek te zijn. Joop kwam met een mandje uit de keuken aan en Klaasje schonk bijna symbolisch zijn pakje shag. Namens de staf overhandigde ik Gemma drie kussentjes, die gemaakt waren door een groepje sympathiserende oude dames. Gemma's dankbaarheid was ontroerend. Ze stak haar hoofd in de kussentjes en snikte het uit. Vervolgens hing ze zolang om ieders hals, dat ik vreesde met haar te laat te komen. Daarom startte ik de auto en begon maar alvast te rijden. Toen Gemma dat zag, was het gedaan met haar tranen. Vloekend en schreeuwend rende ze achter de auto aan. Vlak voor de hoek pikte ik haar op en tot aan Bloemendaal stortte ze mij de inmiddels bekende Haagse scheldwoorden over het hoofd, waaraan ze bovendien het 'rubbertrut' had toegevoegd.
Nauwelijks waren we de poort van Bloemendaal door, of Gemma sloeg wit uit van de schrik. 
'Kijk nou es,' zei ze, 'dat zie ik voor het eerst . . . van die hoge bomen en dan zo donker ... en die lange lanen en allemaal debielen en mongolen ... en hekken . . . nee . . . mij niet gezien ... ik ga terug . . . je kan je auto rustig keren, want ik ga terug ...' 
'Ik ook,' zei ik, 'maar zonder jou. Dus als je niet van plan bent hier te blijven, dan neem je maar een taxi en waar je dan naar toe gaat, dat moet je zelf maar zien.'
'De limmit. . .,' riep ze verontwaardigd, 'krijg de klote-klere .. .' Maar daarna koos ze toch eieren voor haar geld, toen ze zag, dat ik ging stoppen. 'Nee, rij maar door tot de ingang, je denkt toch zeker niet, dat ik dat roteind ga lopen sjouwen met m'n zootje.'
Het laatste stukje door de 'lange lanen' reed ik langzaam en Gemma nam geïnteresseerd de omgeving in zich op. 'Dat gebouw daar,' zei ze, 'dat is geloof ik de kantine ... ik zal meteen gaan vragen of ik daar kan werken ... en daarzo, dat. . . dat is een soort boerderij met beessies . . . nou, daar zien ik Gemma ook wel jovel bezig zijn. Af en toe een geitje geboren of een lammetje ... en Gemma flessies geven en aaien en dan leg ik m'n perzisch kleedje op het gras en ik ga d'r op leggen met m'n lammetjes . .. joe-hoe olé . .. Gemma gaat naar therapie!'
Opgewonden rolde ze uit de auto. Ze graaide haar vuilniszakken bij elkaar, sloeg het perzisch kleedje over haar schouder, vloekte de eerste de beste voorbijganger stijf ('Hé, mongool, ken je niet uit je doppen kijken, veeg het stront er uit voordat de boel gaat veretteren . . .') en klom de trap naar de ingang op. Daar liet ze alles uit haar handen vallen en vloog snikkend in mijn armen.
'Oh trut,' zei ze, 'wat zal ik jou missen . . . geen koppie chocola meer en geen gezeik aan m'n kop . . . Nou, ik zal de puntjes bij elkaar verdienen hoor en dan kom ik naar huis, ga maar alvast op de uitkijk staan . . . ieder weekend en je zorgt dat je dienst hebt hoor, heb niet het hart om mij met Tymen op te schepen . . . Hé zeg, hée ... en doe ze de groeten en geef Tymen een zoen van me, want het is wel een kloot, maar hij meent het toch goed met me ... en die lummel van een Koen hè . . . geef die ook maar een zoen ... en die rot-Ina . . . enne . . . allemaal . . . enne Derek . . . enne . . . godjezus, let effe op Charrie, want die kan niet slapen zonder mij . . . Oh meid . . . hier nog een zoen . . . ajuus, tabé . . . dan ga ik hè . . . ajuus hè . . . tot ziens dan hè . . . dag, dag . . . Oh meid, dat is zo gek ... ik kèn geen afscheid nemen . . .'
En met haar vuilniszakken en haar perzisch kleedje half over haar hoofd liep ze achterstevoren de deur van Bloemendaal in.
Met een leeg gevoel kwam ik terug in het huis, waar Klaas zijn arm om me heen sloeg. 'Ja-ha,' zei hij, 'dat valt niet mee voor moeders . . . kindje wegbrengen naar de kleuterschool.' Ik voelde de tranen in me opkomen, maar gelegenheid om ze te laten vloeien kreeg ik niet, want Derek vroeg meteen mijn aandacht.
'Zeg, luister es, Yvonne, nou heeft ze wel die föhn meegenomen, maar ik kan hem helemaal niet missen hoor, ik moet direct een andere hebben.' 
'Je hebt hem toch zelf meegegeven?' zei ik. 
'Ja, luister es, wat doe je in zo'n geval, 't Is toch al niet eenvoudig voor haar om hier weg te gaan, ik denk ik geef d'r wat... ik denk, ik geef d'r maar die föhn, maar ik moet direct een nieuwe hebben.'
Nog voor ik antwoord kon geven trok Charrie aan mijn arm. 'H-h-h-eeft ze mmme l-l-laarzen nog te-te-te-ruggegeven, wwant ik hhheb ze nnnodig, wwwant he-he-het rregent en ik  hhheb ggeen andere a-a-alleen dan dddèze sch-schoe-nnnnen, mmmaar die zijn k-k-k-kapot. . .' Klaas deed rustig zijn beide grijphanden omhoog en Derek, met de duindoorntjes nog in zijn achterhoofd, maakte dat hij weg kwam. Charrie verbaasd omkijkend tippelde achter hem aan.
Ons eerste witte huis begon te schemeren. Koen kende iemand, die een gedeelte van een pand aan ons wilde verhuren. Op de parterre woonde een jong echtpaar, de eerste en tweede etage totaal zes kamers konden door ons betrokken worden. Koen had met het jonge stel beneden gepraat en dat voelde wel voor onze plannen, indien een deel van hun huur door ons zou worden gedragen. De eigenaar eiste echter, dat wij zes maanden garant konden staan voor de huur. En die was niet mis: ƒ 1000 per maand.
Het probleem was, dat er nog diezelfde middag beslist moest worden, terwijl het geld binnen drie dagen op tafel moest komen. Ik voelde, dat hier een hoop ellende van zou komen, omdat Koen geen zin had om te wachten op de stafvergadering van morgen. Hij telefoneerde druk heen en weer om geld los te krijgen en overhandigde mij tenslotte een velletje papier, waarop drie adressen stonden van grote bedrijven, die ik met spoed moest gaan bezoeken. 'Zorg, dat je van elk tweeduizend gulden krijgt, je flanst maar een verhaal in elkaar, dat is je wel toevertrouwd,' zei hij.
Een hoge Piet van het eerste bedrijf dat ik wilde bezoeken een 'relatie' van Koen had zich bereid verklaard om mij om twee uur te ontvangen. 'Okee,' zei ik, 'ik wil wel gaan, maar dan neem ik Klaasje mee, dan kan ik tegelijk vragen of hij daar iets van een opleiding kan krijgen.' En zo gingen we. Klaasje en ik.
De hoge Piet bleek best een aardige man. Hij liet mij praten en praten, vroeg es wat, luisterde weer, schudde af en toe zijn hoofd over zoveel ellende en kwam duidelijk tot de conclusie, dat wij daar met z'n allen een stelletje idealistische idioten moesten zijn, ongevaarlijk zolang hij ons op een afstand kon houden. De beste methode daartoe leek hem het schenken van die tweeduizend gulden.
'Dank u wel, meneer,' zei ik, 'en dan is er nog wat. . .'
Hij fronste meteen zijn wenkbrauwen, want hij vond mij  maar knap lastig worden. Ik legde hem het geval Klaasje uit en toen werd die aardige man ineens een hele nare man. Die tweeduizend gulden okee, ze gaven wel meer geld voor goede doelen, bovendien . . . fiscaal nietwaar . . . maar een opleiding en de verantwoording dragen over zo'n jongen, die toch uiteindelijk . . . nietwaar... hij is toch in alles mislukt. . . nee, daar begon hij niet aan. Zo'n jongen kon bovendien de heleboel opruien en dat konden ze daar helemaal niet hebben. Dat was het moment voor Klaasje om zijn mond open te doen. 
'Waarom zou ik de boel hier opruien?' vroeg hij. 
'Ach,' zei de man tegen mij, want hij vond Klaasje niet belangrijk genoeg om tegen te praten, 'zo'n jongen begrijpt dat toch niet. Ik heb heus niks tegen hem en ik wens hem het allerbeste, maar u moet goed begrijpen, dat opleidingen en zo, die geven wij aan jonge mensen die al een poosje in ons bedrijf werken en die getoond hebben, dat ze over werklust en verantwoordelijkheidsgevoel beschikken.'
'Ja,' zei ik, 'maar Klaasje heeft natuurlijk nog geen kans gehad om dat te tonen. U zou hem bijvoorbeeld die kans kunnen geven . . .'
'O nee, mevrouw,' zei hij, 'daar is zijn vooropleiding niet naar. Het beste lijkt mij, dat hij ergens naar een fabriek gaat . . . inpakwerk of zo, niet te hoog gegrepen . . . daar zijn jongens als hij veel gelukkiger mee.'
'Hoe wéét u dat eigenlijk?' vroeg Klaasje. 'Hoe wéét u eigenlijk waar ik gelukkiger mee ben?'
'Jongeman,' zei hij, 'het feit alleen al, datje op die toon tegen mij praat, is voor mij een reden om jou nooit hier aan te nemen, zélfs een sollicitatieformulier geef ik jou nooit mee.' 
Klaasje stond zwijgend op en liep naar de deur. Daar zei hij tegen mij: 'Ik wacht buiten wel effe.'
De nare man werd ineens weer aardig. Hij boog zich meewarig naar mij toe. 'Ik heb medelijden met u,' zei hij, 'u gaat kapot aan uw idealisme. U denkt, dat u de wereld kunt veranderen, maar dat gaat niet, dat kan ik u verzekeren, want ik loop wat langer mee dan u . . . En ik begrijp u niet . . . U bent representatief en innemend, u kunt overal terecht met deze gaven. En wat doet u? U gooit ze weg. Ik kan zien, dat u een mooie vrouw bent, maar u bent al maanden niet naar de kapper geweest, u heeft kringen onder uw ogen, u doet uzelf te kort . . . Neem een goede raad van mij aan, geef die tweeduizend gulden aan dat huis en zorg dan, dat u weg komt. Heeft u een gironummer? Dan zal ik het geld daarop laten overmaken.'
Ik gaf het gironummer en stond op. De aardige man begeleidde mij tot aan de deur met zijn hand vaderlijk op mijn schouder.
Bij de auto vond ik Klaasje. Hij keek me minachtend aan. 'Je hebt natuurlijk dat geld aangenomen,' zei hij. 
'Ja,' zei ik, 'we hebben het nodig voor dat huis.' 
'Toch deugt het niet,' zei hij, 'd'r klopt iets niet . . . d'r zit iets helemaal fout met jou . . .'
Toen ik terugkwam, bleken Koen en Bas een denderende herrie te hebben. De mededeling dat ik ƒ 2000 had losgepeuterd, maakte het er niet beter op. Tymen kwam er bij staan en werd door Koen begroet met 'Feind hört mit', hoewel hij alleen maar trachtte de zaak te sussen.
'Dat is nou wat ik bedoel,' zei Bas. 'Ieder staflid begint op z'n eigen houtje te opereren. Dat kan helemaal niet, zo wordt het een rotzootje, daar doe ik niet aan mee.'
'Maar dit is urgent,' zei Koen, 'dit kan niet tot morgen wachten.'
'Iedereen verklaart zijn eigen plan urgent,' zei Bas, 'en iedereen meent, dat die zo maar zonder meer het huis kan verlaten. Yvonne gaat gewoon de deur uit, terwijl ze dienst heeft. Naar de cliënten in huis wordt niet meer omgekeken.' 
'Koen was er toch?' zei ik.
'Koen staat de hele dag te telefoneren voor dat huis. Als coördinator verlang ik, dat jullie je de rest van de dag met de cliënten gaan bemoeien.'
'Dat kan niet,' zei Koen, 'Yvonne moet achter dat geld aan.' 
'Yvonne blijft vanmiddag in huis.'
'Dan ga ik zelf,' zei Koen en hij greep zijn autosleutels en zijn trui. 'Zoek het maar uit, meneer de directeur, gooi het maar in je staf morgen, maar vóór het zover is, heb ik dat huis voor elkaar.' Met een klap smeet hij de deur dicht. 
'Ja-ha . . .,' zei Klaas, die zich bij ons had gevoegd, 'en toch heeft Bas een beetje gelijk . . . want vanmorgen, toen Yvonne weg was en toen Koen zat te telefoneren, toen is er een Surinaams jongetje aan de deur gekomen en dat zou best es het vriendje van Maaike kunnen zijn . . . ja-ha ... en die heeft lekker met Derek zitten zwetsen en weet jij wat Derek allemaal heeft gezegd? Toch wel gevaarlijk hè?' 
'Ach, hypocriet,' zei ik.