5 december
Voor de tweede maal ben ik naar het
ziekenhuis gegaan om Joop op te zoeken. De eerste maal weigerde hij
een woord tegen mij te zeggen. Vanmiddag groette hij amicaal toen
ik binnenkwam. Ik vertelde hem over Gemma, Charrie en Janneke. Over
Ben en de hond, die inmiddels ook hun intrek bij ons hadden
genomen. Het meest geïnteresseerd was Joop in de hond. Hij wilde
weten of het een 'ras' was en of hij goed luisterde. Zijn verlamde
arm had hij in een mitella, waaraan hij voortdurend prutste met
zijn andere hand.
'Weet u,' zei hij ineens, 'als ik voor
behandeling bij de fysiotherapeut ben, dan doet hij er prikkels
door elektriciteit en dan kunnen mijn vingers bewegen.'
Een moment zag ik iets van glorie op zijn
gezicht, maar met een licht schouderophalen deed hij dat weer
teniet. 'Het kan nog wel maanden duren en het is nog niet eens
zeker of het in orde komt. . . Sigaretten rollen met één hand, ik
geef het je te doen ... en eigenlijk alles ... je moet het eens
proberen met één hand.' Van een tafeltje naast zich pakte hij zijn
shag en gooide die in mijn schoot. 'Hierzo, draai er maar één, om
te proberen, want roken mag je hier niet. . .'
Een minuut of vijf stuntelde ik met het
vloeitje en de shag, tot de hele zaak in krummels op de vloer
lag.
Joop lachte, nam een plukje shag, rolde dat
met zijn handpalm over zijn knie en legde het in een
vloeitje.
'Gek,' zei hij, 'ik moet ineens denken aan
mijn moeder vroeger ... Ze had haar hand verbrand, maar in de
ijskast had ze spul voor kroketten staan en dat moest en dat zou ze
met één hand in koolbladeren rollen. Op het laatst werd ze zo
ongedurig, dat ze de hele zaak door de keuken keilde . . . Jezus,
wat zou ze toch hebben, dat mens . . .'
Met duim, wijs- en middelvinger rolde hij
zwijgend en voorzichtig door. Tenslotte likte hij aan het vloeitje
en keek naar me op.
'Kwestie van oefenen . . .' zei hij.