10 december
'Mooie boel . . . dat had ik gauw bekeken . .
. hondetrimmer, ja, m'n reet . . . 's Ochtends zitten ze poeslief
me op te wachten, kopje koffie, sigaret, nóg een kopje koffie en
gezellig doen. Ik denk: ben ik hier effe fijn met mijn neus in de
boter gevallen. Nou ja en na een uurtje zegt zij: ga es mee naar
boven, ik heb mijn kast net opgeruimd, als je wilt mag je wat van
mijn kleren hebben. Nou, ik mee en daar ligt de zaak op bed,
bloesjes en jurken, een hele troep, alles voor mij, ik mocht het
hebben en houwen.
We sjouwen het samen naar mijn kamer toe, ik
krijg wat hakies en ik hang de rotzooi op. Ze zegt: als het niet
goed zit, mag je mijn naaimachine lenen. Ik vlieg d'r om d'r hals,
de lekkere schat en dan komt ze ook nog met een paar schoenen voor
me. Hartstikke mooi en nieuw met van die dikke zolen, ik zeg: heb
je die gejat? Wij lachen want ze had ze voor zichzelf gekocht, maar
ze kon er met d'r hamertenen niet op lopen. Ik over m'n zenuwe en
grienen weetje wel en zij me op mijn rug slaan en toen naar
beneden. Nou ja en 's middags alles samen doen, de winkel
schoongemaakt, zakken haren van die honden weet je wel en de
vrieskast bijgevuld met brokken pens en hart en paardevlees en zij
zegt: overwerk je niet, je mag heus af en toe wel zitten. Ze laat
me zien, waar ik alles vinden kan, koffie en thee en sigaretten en
ze vraagt: heb jij je rijbewijs? Ik zeg: mijn rijbewijs? Waarvoor?
Ze zegt: dan moet je dat maar heel gauw halen ... Ze belt een man
op van zo'n rijschool, weet je wel, en gelijk meteen hoor, raak,
Woensdagmiddag al de eerste les, dan kan ik later zelf die honden
weg gaan brengen. Hoeft zij dat niet te doen, begrijp je wel?
Enfin, dat gaat zo door, maar 's avonds krijg
ik de boel pas in de gaten. D'r wordt gebeld en zij loopt naar de
deur, dan komt ze terug met een vent en ze lopen door naar een
soort kantoor en daar moet die gozer wat betalen. Dan door een
andere deur die zie ik voor het eerst verdwijnt ze met die vent
waarachtig in een ander huis. Ja. . . ander huis . . . vestibule,
gang ... ik zie het allemaal zo weer voor m'n ogen . . . En als ze
terugkomt, zo na een paar minuten, zaag ik d'r door. Nou ja, zegt
ze, dat is een bijverdienste ... en die vent van haar, die
hondevent, maar lachen hè, het huis d'r naast is ook van hun, dat
hebben ze met elkaar verbonden en dat hebben ze weer verhuurd aan
leuke meisies, weet je wel. . . Enfin, ik weet genoeg, ik zeg:
saluut, tabé, je ken je kleren houwen ... en ook je nieuwe schoenen
hoor, mij krijg je daar niet bij. Ze hebben mij verkracht toen ik
nog geen zeven was en daarna, ik was geloof ik dertien, we gingen
met het huis een keertje naar het zomerkamp en één van die leiders
kon met zijn poten niet van de meisies blijven. We wisten dat
allemaal van elkaar, maar we dorsten niks te zeggen, want je krijgt
de schuld hoor, reken maar, zo'n leider kan geen kwaad doen. En op
een dag, toen had die mij gepakt, ik dorst niet eens te gillen. En
voor de zekerheid heeft die een prop in mijn mond gedouwd, je wil
het niet geloven, maar het was mijn eigen maandverband ... en over
mijn hoofd heeft die zijn eigen vieze onderbroek getrokken . . .
Toen heeft die me uitgekleed, vloekend omdat ik ongesteld was en
nakend vastgebonden met mijn benen wijd op een behangerstafel.
Gedverdemme, ik kan geen vent meer zien en geen behangerstafel...
ik ben die hondetrimmer naar z'n strot gevlogen . . . Vuile
smeerlap, heb ik gezegd, mij krijg je niet voor jouw praktijken ...
ik heb m'n koffer laten staan, ik ben zó vertrokken, alles, alles
staat er nog en Koen en Tymen zijn er nou naar toe om de hele
rotzooi op te halen .
Die hele klote-klere-zooi ... ik heb genoeg
gehad ... ze kunnen de pokke krijgen ... en ik nog denken: nou kom
ik eindelijk in een gezin waar een vent een vent is met één wijf en
waar ze van me kunnen houden . . . Hoe willen ze nou, dat ik zelf
kinderen krijg . . . met wie dan gedverdemme. Zelfs als ik Koen en
Tymen zie, dan denk ik aan hun ballen ... en Tymen was zo lief
vannacht, hij had geen dienst maar toen hij hoorde, dat ik
teruggekomen was, toen is hij hier gekomen. Hij heeft voor mij een
koppie thee gemaakt en ik mocht zijn trui aan want ik stond te
rillen en toen die zag, dat ik niet slapen wou, toen zei die: kom
maar hier, dan gaan we samen dammen . . .'
'Hée . . . kom es kijken . . . heb je het
gezien? Mijn arm gaat al een heel stuk beter . . . moet je hier
komen, in het licht ... jij daar staan en ik hier . . . nou, moet
je kijken . . .kijk . . .' Met zijn gezonde hand kneep Joop in zijn
rechter pols en hij perste met zijn hele lichaam, zodat zijn hoofd
rood werd en zijn pols wit. Gespannen keek ik toe, wat daar het
resultaat van was.
Langzaam kwamen zijn vingertoppen omhoog,
zijn nagels werden iets roder. Toen liet hij zijn pols los en met
uiterste krachtsinspanning wist hij wijs- en middelvinger krom te
trekken. Daarna trok hij zijn duim in tot vlak bij zijn wijsvinger
en ik begreep, dat hij die wilde aanraken. Misschien had hij de
hele dag geoefend om het mij te laten zien, ik moest hem
aanmoedigen, zoals atleten worden aangemoedigd bij het nemen van
hun laatste horde.
'Ja Joop,' riep ik, 'ja . . . nog een halve
centimeter . . . ja . . . je bent er bijna, nog een kwart. . . een
stukje maar, 't is bijna niets ... ja Joop, je hebt hem aangeraakt,
geweldig, 't is je gelukt. .!'
Hij ontspande. De hand hing weer slap in de
mitella. Triomf lag op zijn gezicht. 'Gister ging het nog niet,
gister kon ik nog niets bewegen .. . maar ineens vanmorgen hè ...
ik had weer die prikkels gehad en een stel nieuwe oefeningen en
toen ineens hè . . . toen ging het... je weet niet wat je overkomt!
... en ik ga nu proberen om er iets mee vast te pakken ... ja, niet
iets zwaars hoor, natuurlijk niet... ik zit te piekeren, wat ik het
eerst zal doen . . .'
Ik had mijn jas nog aan en voelde een
tramkaart in mijn zak. Voorzichtig en demonstratief haalde ik hem
er tussen wijs- en middelvinger uit. Een moment liet ik hem zo door
de lucht zweven, lang genoeg om Joops aandacht te vangen.
Plotseling dook ik omlaag, tikte met de tramkaart tweemaal tegen
zijn vingers aan en hield hem daarna roerloos op een centimeter
afstand.
Joop nam ogenblikkelijk de uitdaging aan. Hij
perste zijn lippen op elkaar, kneep weer met zijn gezonde hand in
zijn rechter pols, de vingertoppen gingen omhoog, zodat ze nu de
tramkaart raakten. Zijn hand bracht hij nu iets naar voren
en de kaart schoof in de opening tussen zijn vingers. Joops
inspanning werd beloond, hij kreeg het voor elkaar om zijn vingers
te sluiten. Ik bewoog de kaart op en neer om hem te laten zien 'hoe
ver' hij was. De kaart ging stroever en stroever en tenslotte liet
ik hem los. We hielden beiden onze adem in. De kaart bleef zitten.
Het was gelukt. . . Met zijn gezonde hand nam hij de tramkaart
over.
'Er zitten maar twee stempels op,' zei hij,
'je kunt er nog mee rijen . . .'
Ik lachte. 'Hou maar,' zei ik, 'ik heb
kaarten zat en ik zal je nog een stempel geven . . .' Ik had mijn
lippen gestift, vlak voor ik Joop op ging zoeken. Met een knipoog
naar hem drukte ik een rode kus op de kaart.
'Alsjeblieft,' zei ik, 'morgen kom ik weer en
dan moet al dat rood aan je vingers zitten . ..'