51
HET WAS EEN LANGE, AFMATTENDE TOCHT. TERWIJL BEN SNEL VOORTLIEP met de zware tas over zijn schouder en Kirby gemelijk achter hem aan strompelde, ging het zand onder hun voeten over in vruchtbare aarde en het sprietige, vergeelde gras werd groen en welig. Ten slotte, toen ze boven op een heuvel kwamen, zagen ze onder zich de daken en kronkelende straten van een klein dorp en verderop groepjes palmbomen en het glinsterende blauwe water van de Nijl, waarop grote en kleine boten als stipjes te zien waren.
Ben was in stilte blij om Kirby’s gelaten stemming terwijl ze over een met gras begroeide helling naar de eerste huizen liepen. De taak die hem nu wachtte was een serieuze onderneming die zorgvuldige planning vereiste. Een rit van honderden kilometers door de woestijn was geen kleinigheid, zelfs niet onder gunstige omstandigheden. Hij had erop gerekend dat hij in Aswan voorraad kon inslaan en kon nu alleen maar hopen dat dit dorp kon voorzien in wat hij nodig had.
De stoffige straten kronkelden tussen traditionele huizen en gebouwen, waarvan sommige minstens uit de middeleeuwen dateerden. Ben en Kirby waren de enige westerlingen en ze trokken nieuwsgierige blikken van de in gewaden gehulde dorpelingen. Ze liepen naar het centrum van de nederzetting en kwamen uit op een groot plein vol mensen, vee en marktkramen. Mannen in witte, bruine en lila mantels en met hoofddoeken om stonden naast hun kamelen en geiten, die ze te koop aanboden. Een kleine kudde muilezels at vreedzaam van een hoop kuilvoer die van een oude aanhangwagen werd geladen. De nevelige lucht was vervuld van de levendige gesprekken van lovende en biedende kopers en verkopers, het schorre brullen van kamelen en het balken van ezels. Afgezien van enkele vrachtwagens die voorbijrolden en een paar stoffi ge oude motorfi etsen aan de rand van het marktplein, zou het een tafereel uit een willekeurige tijd kunnen zijn, uit Bijbelse tijden of eerder.
Ben en Kirby dwaalden door de menigte, enthousiast gevolgd door een stroom kinderen, die allemaal iets te verkopen hadden en opgetogen waren over de vreemdelingen in hun dorp. Kirby staarde geboeid om zich heen, alsof hij op een andere planeet was geland. Toen hij naar een vastgebonden kameel liep en de schonkige fl ank streelde, kreeg hij een fi kse fluim in zijn oog van het dier en een stroom van verwensingen van de eigenaar.
Ben pakte hem bij zijn arm. ‘Je hindert me.’ Kirby trok een pruillip en veegde zijn gezicht af aan zijn mouw terwijl Ben hem meetrok, op zoek naar voorraden. Bij een eetkraampje kocht Ben een grote pot honing, wat thee, een grote zak gedroogd geitenvlees in repen, noten en gedroogd fruit. ‘Vers voedsel bederft snel in de woestijn,’ legde hij Kirby uit.
De historicus keek verbaasd naar de pot honing en wilde vragen waar die voor diende, maar Ben was al druk aan het discussiëren met de kraamhouder. De man glimlachte en wees terwijl hij in ratelend Arabisch antwoordde.
‘Waar ging dat allemaal over?’ vroeg Kirby toen Ben hem naar de rand van de markt leidde.
‘Ik vroeg hem waar ik een voertuig zou kunnen kopen dat geschikt is voor de woestijn en hij vertelde me dat zijn neef Mohammed een garage heeft aan de andere kant van het dorp.’
‘Waar zijn we trouwens?’
‘Zo’n drie dagen rijden van waar we moeten zijn. Loop dus wat sneller.’
Een uur later zat Ben in een schemerig kantoor achter een groot glas limoensap met zijn nieuwe vriend, Mohammed, en telde Egyptisch geld neer voor wat hij hoopte dat hun ideale ticket zou zijn voor de woestenij van Soedan. Mohammed had drie terreinvoertuigen te koop en het exemplaar dat Ben had uitgekozen, was een Toyota van het Libische leger, oud en primitief. Grote stukken van de matgroene carrosserie waren deerlijk gehavend en meer dan eens met een hamer uitgedeukt, maar het voertuig was geknipt voor woestijnritten, met een hoog onderstel, nieuwe zandbanden, een reservewiel op de achterdeur en nog een op de motorkap, een complete set gereedschap met onder meer een opvouwbare veldschop, en acht grote metalen jerrycans. Je kon nooit te veel brandstof meenemen naar de woestijn en Ben liet ze volledig vullen, evenals de benzinetank.
Ze hadden er nogmaals een uur voor nodig om zo veel voorraad in te slaan als Ben maar kon vinden: plastic literfl essen mineraalwater en twee veldfl essen, een kompas, materiaal om een vuur aan te leggen, een compacte brander voor vaste brandstof, twee kleine aluminium pannen en twee tinnen mokken, en geitenhuiden voor de koude woestijnnachten. Een specerijenkoopman verkocht hem een paar flesjes geranium- en lavendelolie tegen muskieten en andere insecten – een oude truc die Ben in het leger had geleerd, even eff ectief als elk chemisch afweermiddel. Ten slotte kocht hij twee ruimvallende katoenen tunieken en twee bedoeïenenhoofddoeken voor hen beiden.
‘Zo zie ik eruit als een wijf,’ klaagde Kirby.
‘Dat doe je toch al. En je wilt niet blootshoofds in de woestijnzon lopen.’ Ben laadde de laatste spullen achter in de truck en smeet de achterdeur dicht.
‘Ik zou een moord doen voor een glas koel bier,’ zei Kirby somber.
‘Dit is een moslimdorp. Probeer maar eens een bar te vinden. Bovendien wil je in deze hitte geen alcohol drinken. Je droogt in een mum van tijd uit. En hou je pis in de gaten. Als die donkergeel begint te worden, drink je niet genoeg water. Denk eraan, als je ziek wordt, sleep ik je niet terug naar de beschaving. Ik laat je achter waar je neervalt en dan mogen de zandspinnen je hebben.’
‘Duizendmaal dank, vriend.’
‘Het was jouw beslissing om mee te gaan.’ Ben stapte in de Toyota, rukte het portier dicht en startte de motor. Kirby hees zichzelf op de passagiersstoel.
Het was middag, de slechtste tijd om de woestijn in te gaan. In ideale omstandigheden zou Ben vier uur hebben gewacht, maar de omstandigheden waren niet ideaal. Kamal had al een grote voorsprong en er was geen tijd te verspillen.
Ben stuurde de Toyota in zuidwestelijke richting en ze vertrokken. Het duurde niet lang voordat ze de groene Nijlstrook achter zich hadden gelaten en de wildernis inreden. Ze reden met de ramen wijd open, maar de lucht die naar binnen waaide was snikheet. Kirby, onderuitgezakt op zijn stoel, met natte haren en druipend van het zweet, wuifde zich aan één stuk door koelte toe met de gelamineerde kaart. Na een poos viel hij in slaap en Ben concentreerde zich op het rijden.
De eerste paar uur was de weg verhard en hier en daar tamelijk druk bereden door gigantische trucks die voortjakkerden zonder veel aandacht voor ander verkeer. Ben passeerde voorzichtig enkele legerpatrouilles, maar niemand hield hem aan.
De uren gingen voorbij, Kirby sliep door en Ben joeg de Toyota voort. Later op de dag versmalde de weg tot een spoor. Weer een uur later reed Ben door het zand en was hij gedwongen snelheid te minderen om niet te veel brandstof te verbruiken. Kirby werd af en toe wakker, maar ze spraken zelden. Om de paar uur kwamen ze een ander voertuig tegen. Het terrein was zo vlak als de zee en strekte zich in alle richtingen uit tot in het oneindige. Het leek meer op navigeren met een schip dan op autorijden. Zonder visuele oriëntatiepunten raakte je gemakkelijk de kluts kwijt en Ben moest voortdurend het kompas raadplegen om een zuidwestelijke koers aan te houden.
Een stipje aan de horizon. Hij zag het groter worden, tot het silhouet van een bewapende Land Rover schemerde in de hitte. Het voertuig knipperde met zijn lichten om hen te laten stoppen. Soldaten met omlaag gericht geweer klommen eruit.
‘Wie zijn dat?’ vroeg Kirby angstig.
‘Het Egyptische leger.’
‘Wat is dit, afpersing?’
‘Misschien.’
‘Wat doen we?’
Ben zei niets.
De bevelvoerend officier slenterde nonchalant naar hen toe en leunde op de rand van het open raampje. Zijn ogen gingen schuil achter een spiegelende pilotenzonnebril. ‘Salam aleikum.’
‘Aleikum salam,’ antwoordde Ben met een respectvolle hoofdbuiging.
De officier glimlachte. ‘Waar komt u vandaan?’
‘We zijn Britse onderdanen,’ zei Ben. ‘We rijden wat rond.’
‘Er zijn terroristische activiteiten geweest in het noorden. Het is voor buitenlanders gevaarlijk om alleen door de woestijn te reizen. Wilt u een escorte naar de dichtstbijzijnde stad?’
Ben antwoordde beleefd dat ze dat niet wilden. De offi cier haalde zijn schouders op, gaf zijn mannen een teken en ze stapten weer in de Land Rover en reden weg. Ben liet zijn adem ontsnappen terwijl hij hen nakeek.
‘Dat was kantje boord,’ zei Kirby met een blik achterom op de tas vol wapens en munitie.
‘Het zal nog wel erger worden,’ antwoordde Ben.
Ze reden door, steeds in zuidwestelijke richting. De zon scheen meedogenloos, een felwitte bol van gesmolten staal in de lucht. Het schijnsel haalde onafgebroken bedrieglijke trucs uit met het perspectief. Toen ze een gebied vol enorme, golvende zandduinen bereikten, reed Ben tegen een vrijwel loodrechte helling aan, waarvan hij dacht dat hij vlak was. Een paar minuten later wist Kirby zeker dat hij in de verte een dorp zag. Het bleek een achtergelaten jerrycan, amper honderd meter verderop.
De duinen werden een miniatuurbergketen van zacht, kruimig zand. Een duin met enige snelheid op rijden was gevaarlijk doordat het gewicht van het voertuig een glijpartij kon veroorzaken, met het risico dat ze zouden omslaan. Als dat gebeurde en ze hadden geluk, dan zouden ze misschien een geul kunnen graven om de Toyota overeind te rollen. Als ze pech hadden, zou het betekenen dat ze geroosterd werden.
Langzaam begon het landschap rotsachtiger te worden, tot Ben over zandsteenrichels hobbelde en over sporen die zo diep waren dat de auto om de paar meter met een krakende klap door de vering sloeg. Hij reed in stilte terwijl naast hem Kirby zich vastklampte aan zijn stoel en luid gromde telkens als ze een grote hobbel raakten of in een kuil ploften. Maar het was het soort ruige werk waarvoor de Toyota gebouwd was. Ben vergde het uiterste van de auto, in de wetenschap dat er meer dan een paar hobbels voor nodig waren om het legervoertuig te slopen.
Met het wreed langzaam verstrijken van de tijd verkleurde de zon van wit naar goud en begon weer aan zijn afdaling, terwijl de temperatuur daalde van die van een verzengende oven tot gewoon meedogenloos heet. De avond viel. Eindelijk liet Ben de Toyota uitrollen en hij stapte uit en strekte zijn stijve ledematen. Hij nam een lange, lange teug water uit de veldfles aan zijn riem en voelde hoe het zijn uitgedroogde mond troostte. ‘We overnachten hier,’ zei hij. Hij was liever doorgereden, maar’s nachts door de woestijn rijden was riskant en hij had dringend rust nodig.
‘Het wordt hier zo abrupt koud,’ zei Kirby. ‘Alsof iemand de verwarming uitzet.’
Ze pakten wat gedroogd vlees en fruit uit en gingen een paar meter van de auto in het zand zitten om het op te eten en naar de stilte te luisteren. Ben hield het fn-geweer onder handbereik. Toen het echt donker werd en de temperatuur nog verder daalde, stak hij de brander aan en zette thee in hun tinnen mokken. Kirby had weinig in te brengen en hij wiegde langzaam heen en weer, ineengedoken onder zijn geitenhuid en van zijn thee drinkend.
Ben gunde zichzelf enkele uren slaap. Toen hij wakker werd, verschenen de eerste rode en goudkleurige strepen van de zonsopgang in de lucht en wierpen lange schaduwen over de duinen. Het was koud en hij rilde toen hij zich oppervlakkig waste met hun kostbare watervoorraad. Hij schopte Kirby wakker.
De historicus bewoog, gromde en keek naar hem op.
‘Ik wil je iets laten zien,’ zei Ben.
‘Wat?’
Ben gooide de kleine .38-revolver naast Kirby op diens geitenhuid. ‘Ik ga je leren hoe je die moet gebruiken.’
Kirby kwam boos overeind. ‘Ik heb je in Caïro al gezegd dat ik daar niets mee te maken wil hebben.’
‘Je moet gewapend zijn, Kirby. Dit is geen spelletje. Dus leer ermee schieten of ik schiet je ermee dood.’
Kirby aarzelde en kneep zijn ogen tot spleetjes. ‘Dat meen je toch niet, hè?’
‘Misschien. Misschien niet.’ Ben raapte een lege plastic waterfl es op en gooide hem een paar meter verderop in het zand. ‘Schiet erop.’
‘Ik teken protest aan,’ mopperde Kirby en hij pakte de kleine revolver. ‘Ik meen het.’ Hij kneep één oog dicht toen hij het wapen hief.
‘Je andere oog,’ zei Ben.
Kirby corrigeerde het. ‘Hoe weet ik of ie geladen is?’ vroeg hij.
‘Zie je de randen van de koperen hulzen tussen de cilinder en de haan? Daar zie je het aan. Haal nu gewoon de trekker over. Er is geen hamer, geen veiligheidspal. Gewoon trekken. Zoals ik zei: zelfs een idioot kan ermee omgaan. Geknipt voor jou dus.’
Kirby keek hem fel aan, maar hield zijn mond. Hij richtte de revolver op de waterfles en concentreerde zich zó dat zijn tong uit zijn mond hing. Toen schoot hij.
De knal van de kleine .38 ging verloren in de lucht. De fl es tolde toen de kogel hem raakte. Kirby sprong naar achter; het wapen bungelde los in zijn hand alsof het hem had gestoken. ‘Jezus.’
‘Kom op, Kirby. Dat ding heeft nauwelijks een terugslag. Nog vier patronen over. Ga door.’
Met één vinger in zijn oor haalde Kirby de trekker nogmaals vier keer over. Zijn tweede en zijn derde schot misten de fl es compleet. Het vierde was weer raak en het laatste boorde er een gat in.
‘Niet slecht,’ zei Ben. Tenminste, als Kamal recht voor je staat en lang genoeg stilstaat, maak je hem misschien bang.’
‘Ik wil het niet horen,’ zei Kirby.
Ben nam de revolver van hem over, klapte de cilinder uit en wierp de vijf koperen hulzen uit. Hij stopte ze in zijn zak, laadde vijf nieuwe patronen, klapte de revolver dicht en gaf hem weer aan Kirby. ‘Hou hem te allen tijde bij je.’ Hij klopte op zijn rechterheup, waar hij de Jericho had verborgen. ‘Ik doe hetzelfde.’
‘Kamal kan dichtbij zijn, hè?’ vroeg Kirby nerveus.
‘Hij kan overal zijn.’ Ben draaide zich om en liep terug naar het voertuig. ‘Ga de fles halen,’ zei hij tegen Kirby. ‘We rijden toch maar verder.’