39

DE WEG SLINGERDE OMLAAG TOT ZE EEN KUSTDORP BEREIKTEN. EEN klinkerweg leidde naar een haven waar kleine vissersboten op het getij dobberden, aan drie zijden omgeven door een oude natuurstenen kade en een rotsachtig strand. Kreeftenfuiken en netten vol aangekoekt zout lagen op de pier en in de invallende schemering wierpen de lichten van de huisjes aan de zeekant een gouden, schemerende gloed over het water.

Ben parkeerde de auto en liep met Kirby over een beklinkerde helling naar een lange, lage pub met een verweerd uithangbord met the whey pat. Binnen zag het eruit alsof er in geen eeuwen iets was veranderd. Een pokdalige oude bar, wat spartaanse banken en enkele kale tafels. Geen papieren servetten of placemats op de tafels, geen schoolbordmenu aan de muur, alleen een veelgebruikt dartbord voor de mannen die hier kwamen om te drinken en verder niets. Het zou Ben niet verbaasd hebben als er zaagsel op de vloer had gelegen.

Er waren enkele dorpsbewoners in de bar. Het geroezemoes stopte even toen Ben en Kirby binnenkwamen en er werden enkele blikken op Kirby geworpen voordat de gasten hun blik afwendden en de gesprekken werden hervat.

‘U bent hier blijkbaar populair,’ zei Ben terwijl hij Kirby naar de andere, verlaten kant van de pub leidde. Ze namen een tafel bij het vuur, waar enkele blokken hout lagen te knetteren en te vonken. Ben liep naar de bar en bestelde twee dubbele scotch. Hij wist niet of Kirby gewoonlijk whisky dronk, maar het kon hem niet schelen. Als de man iets wilde drinken, zou hij hem iets geven wat zijn tong zo snel mogelijk losmaakte. Hij had geen tijd te verliezen en bier werkte gewoon te langzaam. Hij haalde een handvol kleingeld uit zijn zak, stopte het in de cd-jukebox in de hoek en zocht een paar luidruchtige rocknummers uit waarbij ze konden praten zonder te worden afgeluisterd.

Hij ging weer aan de tafel zitten en schoof Kirby’s glas naar hem toe. Hij pakte zijn Zippo en zijn laatste Gauloises en stak er een op.

‘Dat mag hier niet,’ zei Kirby. ‘Het is bij wet verboden.’

Ben keek in de richting van de bar. Het was niet het soort gelegenheid waar iemand zich er druk over zou maken en dan nog liet het hem koud. ‘Moord ook,’ zei hij. ‘En we hebben twee lijken bij uw huis. Drink op en praat. Het project-Achnaton. Feiten, cijfers, details, de hele reut. Nu.’

Kirby tuurde naar zijn glas, keek alsof hij zich wilde beklagen en bedacht zich toen. Hij pakte het op, sloot zijn ogen en sloeg het achterover alsof het een medicijn was. Toen hij zijn glas neerzette had zijn gezicht iets van zijn bleekheid verloren. Hij veegde zijn mond af aan zijn mouw.

‘Eerst het achtergrondverhaal,’ zei hij. ‘Dat hebt u nodig om de rest te begrijpen.’

‘Oké, maar hou het kort.’

‘Achnaton was een farao,’ zei Kirby. ‘Hij regeerde tijdens de achttiende dynastie, van 1353 tot 1336 voor Christus. Zijn echte naam was –’

‘Amenhotep de Vierde,’ viel Ben hem in de rede.

Kirby staarde hem aan en fronste zijn wenkbrauwen. ‘Ik had u niet voor een egyptoloog aangezien.’

‘Dat ben ik ook niet. Theologie in Oxford, jaren geleden. Maar ik herinner me nog het een en ander.’

‘U zei dat u soldaat was.’

‘Dat was ik ook. Maar we zijn hier niet om het over mijn levensverhaal te hebben.’

‘Leger. Theologie. Een beetje een cultuurschok, vindt u ook niet?’

Ben staarde hem slechts aan.

Kirby haalde zijn schouders op. ‘Oké. Laat maar. Waar was ik gebleven?’

‘Achnaton.’

‘Inderdaad. Dan weet u misschien dat Achnaton een tikkeltje ongewoon was. Sterker nog, hij was volkomen uniek in de hele geschiedenis van het oude Egypte.’

‘Ik weet dat hij de eerste Egyptische koning was die één God aanbad.’

Kirby knikte. De whisky leek hem te ontspannen. ‘Aton. Ook bekend als de zonnegod, gesymboliseerd door de zonneschijf waarvan Achnaton het nationale symbool maakte. Dat was zijn kruistocht: de oude polytheïstische godsdienst uitwissen, alle traditionele goden die de Egyptenaren duizenden jaren hadden vereerd afschaff en en de radicaal nieuwe godsdienst invoeren die hij atenisme noemde. Het was de eerste keer in de geschreven geschiedenis dat iemand probeerde een monotheïstische staatsgodsdienst in te voeren. Volgens sommige historici is hij de voorloper van Jezus Christus, volgens andere een radicale excentriekeling.’ Kirby dronk zijn whisky op en keek enigszins weemoedig naar het lege glas. ‘Mag ik er nog een?’

‘Straks.’ Ben schoof zijn eigen glas onder de neus van de historicus. ‘Neem dit maar vast.’

‘Bedankt. Ik kan het gebruiken.’

‘Laten we weer ter zake komen. Ik heb van het atenisme gehoord. En ik weet dat Achnaton een ketter werd genoemd vanwege zijn religieuze hervormingen. Maar wat heeft dat met Morgan Paxton te maken? Ik zie geen verband.’

Kirby pakte Bens glas op. ‘Laat me uitpraten. U wilde dit toch horen? Dit achtergrondverhaal is belangrijk, anders zult u –’

‘Oké dan, ga door,’ zei Ben bits.

‘Deze farao was nog maar een jongen toen hij zijn vader Amenhotep de Derde opvolgde,’ ging Kirby verder. ‘Maar hij was altijd al een beetje vreemd geweest. Fysiek vreemd zelfs, misvormd. Hij had allerlei eigenaardigheden. Kort nadat hij de troon had beklommen, begon hij aan de uitvoering van dat ongeloofl ijke, onvoorstelbare plan. In het vijfde jaar van zijn bewind nam hij de naam Achnaton aan, wat “roemrijke geest van de Aton” betekent. Dat was de eerste aanwijzing dat er problemen zouden komen. Het cruciale moment brak aan toen hij, in het negende jaar, alle oude goden in feite afschafte. We hebben het over een ingrijpende omwenteling, een radicale hervorming van de fundamenten van de samenleving. Figuren zoals Anubis, de jakhalsgod, Osiris, de heerser over de onderwereld, Amon, de grote baas van het hele spul… Achnaton zette ze gewoon aan de kant,’ zei Kirby met een armzwaai. ‘Plompverloren. Het enige wat het volk overhield, was die uiterst exclusieve, verplichte staatsgodsdienst, het atenisme. Intussen verlieten Achnaton en zijn hofhouding de hoofdstad Thebe en vertrokken naar een nieuwe stad, Achetaton, wat “horizon van de Aten” betekent, beter bekend als Amarna.’ Kirby had nu ook Bens glas leeggedronken. Hij keek hem vol verwachting aan.

‘Nog een van hetzelfde?’ vroeg Ben, naar de lege glazen wijzend.

‘Waarom ook niet, verdorie?’ antwoordde Kirby.

Ben stond op, liep naar de bar en kwam terug met nog twee dubbele. Hij zette ze met een klap op tafel. ‘Goed. Vertel verder.’

Kirby nam een slok, leek de draad even kwijt te zijn en ging toen verder: ‘Oké, nu komen we bij het belangrijkste punt. Terwijl die gekke farao het ervan neemt in zijn privéparadijs, zijn god aanbidt als een Californische newagehippie, gaat het hele land naar de verdommenis. Het kon hem in feite geen zak schelen wat er met de economie gebeurde, met de staatsveiligheid of met de bevolking. Alles stortte in. Hij bracht Egypte aan de rand van de afgrond.’ Hij zweeg even om een diepe teug te nemen. Zijn wangen waren nu rozig en zijn ogen straalden steeds helderder. ‘Dus zoals u zich kunt voorstellen waren heel wat mensen diep ongelukkig met Achnaton. De tempels speelden een heel belangrijke rol in het economische en sociale leven van het volk en dat had hij allemaal vernietigd. Intussen stond het niveau van de staatscensuur op ongeveer gelijke hoogte met de nazistische boekverbrandingen in Duitsland voor de oorlog. Achnaton beval de vernietiging van enorme schatten die waren gecreëerd uit eerbied voor de oude goden. Alles van het grootste standbeeld tot de kleinste amulet… Als het op enigerlei manier de oude polytheïstische orde afbeeldde, wilde hij het de kop indrukken. Het goud moest worden gesmolten om er Aton-beelden van te maken. De tempels werden gesloten. Een hele generatie ambachtslieden, steenhouwers, beeldhouwers en schrijvers kreeg plotseling een verbod opgelegd op het uitoefenen van het ambacht dat ze hun hele leven hadden beoefend. En de hogepriesters waren in feite overbodig. Kortom: zowat iedereen wond zich danig op over die gekke farao, die ze als een onruststoker beschouwden. Erger nog, als een ketter.’

Kirby zweeg. ‘En nu komen we aan de legende. De oeroude mythe over de schat van de ketter, volgens welke iemand er wel of niet in is geslaagd een enorme hoeveelheid kostbare religieuze voorwerpen te redden van vernietiging door Achnatons handlangers.’

‘Wie?’

‘Ze noemen het niet voor niets een mythe,’ zei Kirby. ‘In werkelijkheid heeft niemand ooit geweten wie, of hoe, of zelfs óf het gebeurd is. Het is slechts een van de kampvuurverhalen die al duizenden jaren de ronde doen en die al eeuwenlang door niemand nog serieus worden genomen.’

Ben voelde zijn spieren verstrakken. ‘Dus het zijn allemaal maar geruchten. Helemaal niets tastbaars. Daar verspil ik mijn tijd aan.’ Hij stond inmiddels op het punt de pub te verlaten. Wanhoop begon weer in hem op te wellen. Wat deed hij hier? Waarom had hij niet geprobeerd Paxtons spoor in Parijs te volgen?

Kirby scheen zijn stemming aan te voelen. ‘Wacht even. Ik ben nog niet klaar. Wat ik u dadelijk ga vertellen, verandert alles.’

‘Het kan maar beter heel bijzonder zijn,’ zei Ben.

‘Dat is het. Hier eindigt de legende en begint de realiteit. De betrokkenheid van Morgan en mij begon met een toevallige vondst in het Turkse Antakya, waar vroeger de oude Syrische stad Antiochië lag.’

Ben kende de naam van zijn studie theologie. Antiochië was de stad waar de volgelingen van Jezus voor het eerst christenen werden genoemd. Een stad die eeuwenlang geteisterd was geweest door oorlogen en belegeringen, kruistochten en aardbevingen. Ze was in Egyptische, Griekse en Romeinse handen geweest. Maar dat maakte hem nog steeds niet veel wijzer.

‘Een paar jaar geleden was Morgan daar op vakantie,’ legde Kirby uit. ‘Hij hield ervan rond te snuffelen in kleine antiekzaken, op markten. Het meeste van wat je daar vindt is nep. Eeuwenoude papyrussen die in werkelijkheid bananenbladeren van vorig jaar zijn met wat inkt erop. Een oud stuk bot dat is bewerkt, aan kalkoenen gevoerd zodat het er door de maagsappen oud uitziet, en dan doorgaat voor een kostbaar artefact. Maar toen, daags voordat hij weer naar huis zou gaan, vond Morgan tussen alle troep iets speciaals.’

‘Wat dan?’

‘Een kistje,’ zei Kirby. ‘Bijna vergaan van ouderdom. Volgens de verkoper was het opgegraven bij de ruïnes van de stadsmuren van Antiochië. Hij dacht vast dat het rommel was. Morgan kocht het meteen, ging ermee naar huis en besteedde er een halve nacht aan om het open te maken. Er zat een papyrus in.’

‘Geen bananenblad van vorig jaar?’

‘Absoluut niet. Dit was echt. Het was geschreven in authentiek hiëratisch schrift, een vereenvoudigde, verkorte vorm van het hiërogliefenschrift dat werd gebruikt om brieven te schrijven.’

‘Ik weet wat hiëratisch schrift is,’ zei Ben. ‘Ga door.’

‘Het was een onvoltooide brief, rond 1335 voor Christus geschreven door een inwoner van Antiochië, kort na de dood van farao Achnaton. De auteur stelde zich voor als Diodorus van Heraklion, een doodzieke oude man die iets belangrijks te vertellen had.’

‘In godsnaam, Kirby. Ik heb hier geen tijd voor.’

Kirby stak een vinger op. ‘Nog even geduld. Nu wordt het opwindend. De brief was namelijk gericht aan Sanep, de hogepriester van Thebe, en Diodorus onthulde een adembenemend geheim. Hij bekende, openlijk en vrijwillig, schuld aan een van de grootste berovingen in de geschiedenis van Egypte. Maar het was geen misdaad waarvoor hij zich schaamde of waarvoor hij moest worden gestraft . Sterker nog: als de brief ooit was afgemaakt en haar bestemming had bereikt, zou hij naar Egypte zijn gehaald en als een held door de straten zijn gedragen. Ik zal u zeggen waarom.’

Ben zei niets. Wachtte op de rest. Misschien, heel misschien, werd het interessant.

‘U moet een paar jaar teruggaan in de tijd,’ ging Kirby verder. ‘Tot de tijd dat Diodorus niet Diodorus was. Zijn ware naam was Wenkaura en hij was een Egyptenaar, geboren in Thebe. Hij was een van de eerbiedwaardigste en invloedrijkste hogepriesters van Th ebe geweest en Sanep was in die tijd zijn jonge novice. Welnu, in zijn brief beschrijft Wenkaura hoe hij, in 1344 voor Christus, en twee van zijn medepriesters, Katep en Menamum, hadden besloten dat ze iets moesten doen om de ramp te voorkomen die Achnaton voor hun land en hun religie betekende.’

Nu luisterde Ben. ‘Wat dan?’

‘Nou, stelt u zich de situatie voor. Alles wat er om je heen gebeurt. Iedereen is er vast van overtuigd dat de koning stapelgek is. Met zijn culturele revolutie en zijn krankzinnige zonnecultus vormt hij een bedreiging voor het voortbestaan van de staat. Hij vernietigt al die magnifieke schatten, zelfs toen al van onschatbare waarde, en alles waarin je gelooft. Het zal niet vanzelf beter worden. Wat zou je móéten doen? Denk eens goed na.’

Ben kende het antwoord al.

Kirby grinnikte om de blik op zijn gezicht. ‘Precies. Eén mogelijkheid was een complot om die klootzak te laten vermoorden. Daar zullen ze vast over hebben nagedacht. Maar een moordcomplot was te riskant; hij had overal handlangers en informanten. Niemand was te vertrouwen. Dus besloten ze het uit te zitten, in de hoop dat, als dit bewind van waanzin eenmaal voorbij was, alles weer normaal zou worden. Het was slechts een kwestie van tijd.’

‘Dus besloten ze de schat veilig te stellen voor het nageslacht,’ zei Ben. ‘In de hoop dat die ooit naar haar rechtmatige plaats kon worden teruggebracht.’

Kirby knikte enthousiast en nam nog een slok whisky. ‘Wenkaura, Katep en Menamum wilden de schat niet voor zichzelf. Ze beschouwden zichzelf als beheerders, beschermers. Dus gebruikten ze hun invloed om alles wat ze in een tijdbestek van enkele maanden, misschien een jaar, konden vergaren in veiligheid te brengen op een geheime locatie in Thebe. Ze begonnen de schat beetje bij beetje te verstoppen, ergens waar hij nooit zou worden gevonden, de macht die ze nog hadden gebruikend om de operatie geheim te houden. Maar het was ongelooflijk riskant. Het grensde aan zelfmoord. Vroeg of laat zouden de handlangers van de farao erachter komen, en zo gebeurde het ook. Informanten praatten, mensen werden gefolterd. Opeens waren de priesters in gevaar en was het onmogelijk om de schat te blijven verplaatsen. Het laatste gedeelte ervan verstopten ze waar ze maar konden, ergens in de woestijn. Wenkaura beschreef hoe hij erin slaagde ongedeerd de stad uit te komen als verstekeling aan boord van een koopmansschip. Pas later hoorde hij hoe het Katep en Menamum was vergaan. Liever dan zich te laten oppakken en folteren, hadden ze zelfmoord gepleegd door gif te drinken.’

‘En Wenkaura vluchtte naar Syrië?’

‘Een vindingrijk man, blijkbaar. Hij vond werk als privéleraar van de zoon van een rijk man, nam een nieuwe identiteit aan en werd Diodorus. De jaren gingen voorbij. Op een dag hoorde hij het nieuws. Achnaton was gestorven. Misschien vermoord, dat weet niemand. Opeens werd de oude orde hersteld. Achnatons hervormingen en zijn naam werden in de grond gestampt en zijn opvolger Toetanchamon herstelde de oude godsdienst, met Amon als oppergod. De droom van Wenkaura kwam uit. Hij was inmiddels oud en ziekelijk en bang dat, als hij niet gauw iets deed, het geheim van de schat met hem mee het graf in zou gaan. Hij begon aan deze brief, die helaas, of misschien gelukkig, nooit werd verstuurd. Waarom zullen we nooit weten. Misschien stierf hij voordat hij hem kon afmaken. Misschien bedacht hij zich. Wie zal het zeggen? Wat maakt het uit? Waar het om gaat is dat we hem hebben gevonden. En dat die schat nog steeds bestaat en ligt te wachten.’

Ben zweeg enkele ogenblikken en nam het in zich op. ‘Is dit echt, Kirby? Want er staat verdomd veel op het spel.’

‘Geloof me, het is héél echt. Morgan en ik zijn maanden bezig geweest met het ontcijferen van het papyrus.’

‘Waar is het nu?’ vroeg Ben.

‘In Londen,’ zei Kirby. ‘Veilig achter slot en grendel in een kluis en nu Morgan dood is, ben ik de enige ter wereld die weet waar.’

Ben fronste zijn wenkbrauwen. ‘Hoe weten we dat het echt is? Hoe weten we dat die Diodorus echt Wenkaura was?’

‘Omdat hij het, bij wijze van briefhoofd, had voorzien van het persoonlijke zegel dat alleen híj zou hebben gebruikt, in zijn functie van hogepriester. Het was uniek en weinig mensen zouden het ooit hebben gezien. Het identificeert hem onmiddellijk als Wenkaura. Ik zal het u laten zien.’

Kirby haalde een pen uit de borstzak van zijn jasje, pakte een vlekkerig bierviltje, boog zich eroverheen en krabbelde er iets op. Hij schoof het naar Ben. In een onbedrukte hoek van het viltje stond een klein, rond zegel, met in het midden een afbeelding van iets wat een tempel leek. Deze werd geflankeerd door palmbomen en op de dakrand zat een gekroonde vogel.

Ben keek er even naar en schoof het bierviltje toen terug naar Kirby. ‘Als dit zo echt is, waarom wordt er dan niet overal ter wereld door egyptologen over gesproken?’

Kirby snoof minachtend. ‘Omdat onze geachte collega’s een stelletje bekrompen hufters zijn. Volgens een panel van eminente hoogleraren was ons onderzoek speculatieve, onwetenschappelijke nonsens en als we de mythe van de verloren schat van de ketter weer hadden opgerakeld, zou dat onze carrière ongeveer evenveel goed hebben gedaan als het schrijven van artikelen over astrologie.’

‘Misschien hadden ze gelijk.’

Kirby nam nog een teug scotch. ‘O ja? Het zijn hetzelfde soort frikken die zeiden dat Amenhotep een mythe was, tot een toevallige vondst in 1926 hun ongelijk bewees en voor heel wat beschaamde gezichten zorgde. Dus dachten Morgan en ik: krijg wat. Ze verdienen het dat ze worden vernederd. En dat gebeurt ook. Dat garandeer ik.’

‘Dus u zegt dat de brief een aanwijzing geeft voor de plaats van de schat,’ zei Ben. ‘Zo simpel?’

Kirby schudde zijn hoofd. ‘Ik vrees dat niets ooit zo simpel is. Morgan en ik hielden er rekening mee dat de oude man bang was dat de brief zou worden onderschept. Als hij een locatie had genoemd, de plaats had aangeduid met een kruisje, had iedereen de schat kunnen vinden. Wenkaura was voorzichtig. En heel slim. Hij had het al jaren zien aankomen en in de brief vertelt hij hoe hij, voordat hij Egypte was ontvlucht, vlak onder de neus van Achnatons handlangers, een reeks aanwijzingen had bedacht die de weg wezen naar de plek waar het overgrote deel van de schat was verborgen.’ Kirby leunde glimla chend naar achteren.

‘U kent die aanwijzingen?’

Kirby’s glimlach verdween. ‘Niet precies. Het gaat als volgt: de eerste aanwijzing staat in het papyrus. Die leidt je naar een tweede aanwijzing, de tweede leidt naar een derde enzovoort. We hadden alleen maar een cryptische verwijzing in de brief van Wenkaura, naar de specifieke locatie van de tweede aanwijzing.’

‘En die is?’

‘Het graf van “Hij die dicht bij Ra staat”,’ zei Kirby.

‘Dat klinkt allesbehalve specifiek,’ antwoordde Ben. ‘Als Ra een van hun belangrijkste goden was, stel ik me zo voor dat heel wat mensen vonden dat ze dicht bij hem stonden. U zou misschien de helft van de Egyptische graft omben moeten doorzoeken voordat u iets vindt.’

‘Precies. En dat is waar Morgan in Egypte mee bezig was.’

‘En is hij erachter gekomen wat het betekende?’

‘Hij heeft in elk geval iets gevonden, dat staat vast.’ Kirby zweeg even en zuchtte. ‘Het probleem is dat ik niet weet wát. Toen hij ginds was, vond ik toen ik thuiskwam een voicemail van hem. Hij klonk heel opgewonden en zei dat hij de eerste aanwijzing nu begreep, dat die hem als vanzelf naar de tweede aanwijzing had gevoerd en dat hij de volgende dag ergens naartoe zou gaan waarvan hij zeker wist dat het de volgende zou opleveren. Ik moest hem terugbellen, maar zijn telefoon was uitgeschakeld. Dat was het laatste wat ik van hem hoorde. Voordat ik het wist was hij dood en al zijn aantekeningen waren gestolen. We zullen nooit weten of hij die nog heeft kunnen bijwerken. Ze zijn verdwenen.’

‘Misschien niet.’ Ben stak zijn hand in zijn zak, haalde er de blauwe usb-stick uit en legde die op tafel. ‘Morgans aantekeningen, rechtstreeks gekopieerd van zijn laptop.’

Kirby griste hem naar zich toe. ‘Hoe bent u hier verdomme aan gekomen? Hoewel, vertel het maar niet.’ Hij hield de geheugenstick voor zich en keek ernaar. ‘Ik zou er alles voor overhebben om te zien wat erop staat.’

‘U bent niet de enige. De slechteriken ook.’

‘Maar ze komen er nooit in,’ zei Kirby meesmuilend. Geen schijn van kans. De geniepigste, kraakbestendigste codering ooit.’

‘We hebben een computer nodig,’ zei Ben. ‘We kunnen niet naar uw huis gaan.’

‘Maar wel naar mijn kantoor.’

Ben keek op zijn horloge. Ze zaten al ruim een uur in de pub en het was inmiddels donker. ‘Laten we dan gaan. Onmiddellijk.’