37

LAWRENCE KIRBY WIST DAT HIJ VERSCHRIKKELIJK SLECHT REED, maar dat kon hem gewoonlijk niet veel schelen en vandaag nog minder. Terwijl hij over het stuur van zijn felgele Smart tuurde en met horten en stoten naar het oude familiehuis reed, twaalf kilometer buiten St Andrews op het platteland, dacht hij aan die vent, die Ben Hope, die hem in zijn kantoor had lastiggevallen. En aan Morgan, en aan de schat. Hij vroeg zich af hoe Hope hem in godsnaam zo makkelijk had kunnen vinden.

Wat het allemaal ook betekende, het joeg hem de stuipen op het lijf. Hij verliet de weg, reed onder het baldakijn van bomen het grindplein van Drummond Manor op en vroeg zich af of het misschien tijd was om wat spullen in te pakken en vakantie te nemen. Misschien het onbetaalde verlof op te nemen dat hij had afgezegd op de dag dat hij van Morgans dood hoorde en zijn vlucht naar Caïro had geannuleerd.

Hij beklom de trap naar het grote natuurstenen landhuis, zocht in zijn zak naar de sleutel en duwde de zware eikenhouten deur open. Altijd als hij de enorme betegelde hal binnenkwam dacht hij hetzelfde: hoe intens hij de pest had aan alle troep die zijn vader per se aan de muren had willen hangen. Het was alsof de trofeeën van de opgezette hertenkoppen hem overal waar hij ging aankeken en hun geweien wierpen’s nachts akelige schaduwen waar hij de kriebels van kreeg. En ook de aanblik van de gekruiste sabels en musketten die aan de bewerkte houten lambrisering stof verzamelden, kon hij niet verdragen. Tegen een fluwelen doek boven de haard hingen twee grote ceremoniële Gurkha-dolken, souvenirs uit de tijd dat His Lordship officier was geweest bij het Gurkha-regiment.

Maar in het testament van de oude heer was niet bepaald dat zijn zoon, de nieuwe laird, de hele weerzinwekkende handel niet in een container kon mikken. En dat was precies wat Kirby van plan was. Hij was er alleen nog niet toe gekomen in de maanden sinds hij deze onsamenhangende tent had geërfd.

Hij dumpte zijn aktetas in de gang, liep door naar de keuken en maakte een beker cafeïnevrije oploskoffie. Met het slappe bruine goedje in zijn hand liep hij door naar de enige van de vele ontvangstkamers van het landhuis die hij gebruikte en staarde door het raam uit over de verwilderde gazons achter het huis. Achter een natuurstenen muur en een rij bomen zag hij de vervallen agrarische gebouwen op de achtergrond. Het landhuis was ooit een boerderij geweest, maar sinds de oude heer zwak en ziek was geworden, was alles in verval geraakt. Verlaten stapels hooibalen lagen te broeien en zwart te worden in de roestige schuur. En de mestput zou gegarandeerd ratten aantrekken. Het werd een gevaar voor de volksgezondheid. Hij zou de hele handel moeten slopen.

Dat was Kirby’s laatste gedachte voordat hij voelde dat er iemand achter hem stond en hij zich verrast omdraaide naar twee mannen die door de kamer snel op hem af kwamen. Twee wapens voor zijn neus. Hij liet zijn koffiebeker vallen en slaakte een korte kreet, viel op zijn knieën.

Geen van de mannen sprak een woord toen ze zijn armen pakten, hem ruw overeind trokken en hem de kamer uit en door de gang duwden. Hij kronkelde en smeekte. ‘Wat willen jullie van me?’ Toen ze hem door de hal sleepten, keek hij op en zag met een schok van afgrijzen dat er een lege plek was waar een van de Gurkha-dolken had gehangen.

O god, ze gaan mijn hoofd afh akken.

‘Wat zijn jullie met me van plan?’ gilde hij.

Ze negeerden hem en sleepten hem door de voordeur naar buiten. Op het grind stond een wit Suzuki-minibusje. De achterdeuren stonden open. De mannen duwden hem erheen.

‘Waar brengen jullie me naartoe?’

Geen antwoord.

Alle kracht was uit Kirby’s benen weggevloeid en hij bibberde van angst toen ze hem achterin gooiden. Hij gleed over de kale metalen vloer, probeerde overeind te krabbelen en stootte zijn hoofd aan het lage dak. De deuren vielen dicht. Er waren geen ramen. Kirby zat plotseling in het donker.

De ontvoerders liepen om het busje heen naar de cabine, openden hun portieren en stapten in. Ze namen even tijd om hun pistool te vergrendelen en het in de verborgen holster te stoppen die ze beiden onder hun jack droegen. Ze zeiden niets, maar deelden de stilzwijgende voldoening van een foutloos en snel uitgevoerd karwei. Nu was het tijd om te maken dat ze wegkwamen en het pakket af te leveren bij het huis buiten Glasgow dat hun cel als onderduikadres gebruikte. Geen van beiden had een duidelijk idee van het doel van deze klus. Ze wisten alleen dat er de avond tevoren een buitenlands telefoongesprek was binnengekomen van iemand aan wie hun bazen ogenblikkelijk gehoorzaamden. Het was hen ook in niet mis te verstane bewoordingen duidelijk gemaakt dat ze zwaar zouden worden bestraft als ze het verpestten.

De bestuurder draaide de contactsleutel om

Er gebeurde niets. Het busje bleef morsdood.

‘Godver,’ zei hij in het Arabisch.

‘Wat is er aan de hand? Een minuut geleden deed hij het nog,’ zei de man op de passagiersstoel.

De bestuurder vloekte nogmaals binnensmonds, stak zijn hand onder het dashboard en rukte aan de hendel voor de motorkap. Er klonk een doffe klik en de motorkap sprong een centimeter of twee open. Hij schopte zijn portier open, sprong uit het busje en liep naar de voorkant.

De andere man keek door de voorruit toe terwijl zijn collega de motorkap optilde en erachter verdween. Hij hoorde enkele geluiden, toen niets. Hij stak zijn hoofd door het raam. ‘Schiet op, verdomme,’ riep hij in het Arabisch. ‘We moeten ervandoor.’

De motorkap viel dicht met een klap die het hele busje deed schudden. De man keek, in de verwachting dat hij zijn collega zou zien die zijn handen schoonveegde en zijn duim opstak: oké, geregeld, karren maar.

Maar er was niemand te zien.

Hij fronste, opende zijn portier, stapte uit. Zijn voetstappen knerpten op het grind toen hij om het voorspatbord heen liep. Hij keek omlaag en zag de benen van de bestuurder onder de auto uit steken, alsof hij op zijn rug lag om iets aan de onderkant van het busje te doen.

‘Hé, wat doe je verdomme daar nou?’

Maar toen zag hij dat de benen heftig, krampachtig trappelden.

En hij zag het bloed dat zich onder het busje verspreidde en over het grind stroomde.

Daarna zag hij niets meer.