26
Normandië
HET WAS EEN LANGE REIS NAAR HUIS EN HET WAS AL LAAT TOEN BEN eindelijk per taxi weer in Le Val aankwam. Het was volle maan en het verharde erf baadde in een melkachtig licht. Hij betaalde de chauffeur, stapte uit en strekte zijn benen. Keek de auto na toen die over de lange, slingerende oprijlaan in het donker verdween.
Hij keek om zich heen. De huiselijke geur van de houtkachel zweefde hem vanaf het huis tegemoet en er brandde licht achter het gordijn van het keukenraam. Aan de andere kant van het erf was het onderkomen van de cursisten schemerig verlicht en in de verte hoorde hij iemand lachen.
Hij hoorde het geluid van rennende poten en een harige gedaante sprong uit de schaduw om hem te begroeten.
Ben klopte de hond vol genegenheid op zijn rug toen hij opsprong om zijn gezicht te likken. ‘Hé, Storm. Goed je te zien, jongen.’ En hij meende het. Het was goed weer thuis te zijn. Vermoeid beklom hij de drie treden naar het huis, draaide de grote koperen deurknop om en liep de gang in.
Het was er warm en verwelkomend. Iemand draaide een cd in de keuken. Ben herkende de muziek. Het was iets uit zijn eigen collectie: Art Blakey and the Jazz Messengers. Hij liep de betegelde gang door en duwde de eikenhouten deur open. Het enige waaraan hij kon denken was een groot glas rode wijn, een brok plaatselijke kaas en een homp brood.
Brooke zat alleen aan de keukentafel te lezen. Voor haar stond een dampende beker die naar chocolademelk rook. Ze keek op toen Ben binnenkwam. Haar haren waren vochtig, alsof ze net had gedoucht, en ze droeg een smaragdgroene badjas, die het groen van haar ogen benadrukte, iets wat Ben nooit eerder was opgevallen.
Ze legde haar boek neer en glimlachte hartelijk. ‘Je bent weer thuis.’
‘Je bent er nog,’ zei hij.
‘Ik zei toch dat ik een paar dagen zou blijven, weet je nog?’ Ze keek hem aan en haar glimlach verdween. ‘Jezus, Hope. Je ziet er belabberd uit.’
‘Bedankt.’
‘Echt waar. Je ogen lijken wel twee brandgaten in een deken.’
‘Nou voel ik me nóg beter,’ zei hij terwijl hij recht op het wijnrek af liep.
‘Wat is er gebeurd?’
‘Niets waarover ik wil praten.’ Hij pakte een fles en een opener en trok het lood los om bij de kurk te komen.
Brooke stond op. Ze kwam naar hem toe en legde een hand op zijn arm. ‘Ga zitten. Ik doe het wel.’ Ze wees naar een grote gietijzeren pan die op het fornuis stond. ‘Er is nog wat van Marie Claires stoofschotel over. Om een moord voor te doen, geloof me. Heel mijn dieet verpest. Trek?’
Hij liet zich op een houten stoel vallen. ‘Alsof ik nog nooit iets heb gegeten.’
Brooke trok de kurk uit de fles, schonk met een klokkend geluid wijn in een groot glas en zette dat voor hem neer. Hij sloeg het achterover, pakte de fles en schonk het glas opnieuw vol.
‘Rotdag op kantoor dus,’ zei ze over haar schouder terwijl ze stoofpot in een steelpan schepte en die op het gas zette.
Hij antwoordde niet. Bleef zitten en dronk terwijl zij eten op een bord schepte en naar hem toe bracht. Haar ogen stonden bezorgd.
‘Bedankt, Brooke,’ zei hij met zijn mond vol stoofpot. ‘Je kunt je niet voorstellen hoe blij ik ben dat ik weer thuis ben.’
Ze ging naast hem aan tafel zitten, leunde met haar kin op haar hand en keek toe terwijl hij at. ‘Waarom wil je me niet vertellen wat er gebeurd is? Wat moest je in Caïro doen?’
‘Gewoon, een vriend helpen.’
‘Die Paxton?’
Hij knikte.
‘Maar nu is het voorbij?’
Hij knikte opnieuw.
Brooke snoof. ‘Nou, wat je ginds ook voor hem hebt gedaan, ik hoop dat hij het waardeert. Je moest jezelf eens zien.’
‘Ik heb alleen wat rust nodig. Morgen voel ik me weer prima.’ Zijn bord was leeg en hij dronk zijn wijn op. ‘En wat heb jij gedaan?’ vroeg hij haar, abrupt van onderwerp veranderend.
‘Luieren, voornamelijk. Op jou wachten.’
‘Ik zei toch dat je niet op me moest wachten,’ zei hij.
Ze haalde haar schouders op. ‘Jeff heeft me leren schieten. Hij zegt dat ik er goed in ben.’
‘Hm-hm,’ gromde hij en hij pakte de fles nog een keer.
‘Ga je hem helemaal leegdrinken?’
‘Misschien.’
‘Er is voor je gebeld,’ zei ze. ‘Vanavond, drie keer. Een vrouw.’ Ze zweeg even en keek hoe hij reageerde. ‘Een zekere Zara. Australisch, zo te horen.’
Bens glas bleef halverwege zijn lippen zweven. Hij zette het met een klap op tafel. ‘Barst,’ mompelde hij.
Brooke glimlachte en trok een wenkbrauw op. ‘Iemand die je onderweg tegen het lijf bent gelopen?’
‘Dat mag je wel zeggen,’ antwoordde hij knorrig.
‘Ze wilde je blijkbaar heel graag spreken,’ zei Brooke. ‘Ik weet zeker dat ze terugbelt.’ Ze leunde op haar ellebogen naar voren. ‘Hoe is ze, Ben?’
‘Wie?’
‘Speel geen spelletjes. Je weet wie ik bedoel. Zara.’
Hij staarde haar aan. ‘Wat maakt jou dat nou uit?’
‘Wauw. Prikkelbaar. Ik heb blijkbaar een gevoelige snaar geraakt.’
‘Hou op, Brooke. Ik ben moe, ja?’
‘Is ze mooi? Zo klonk ze wel.’
Hij stond op, pakte zijn glas en wat er nog van de wijn over was. ‘Ik ga naar bed.’ Als bij nader inzien pakte hij nog een fles uit het rek, stak die onder zijn arm en liep naar de deur. ‘Tot morgen,’ mompelde hij. ‘Ik slaap uit.’
‘En als ze weer belt?’
‘Zeg dan maar dat ik dood ben of zo,’ zei hij. Toen gooide hij de deur achter zich dicht en klom de trap op.
Hij had gelijk gehad wat uitslapen betreft. Het was tien uur geweest toen hij de trap af stommelde, met drie lege flessen. De twee fl essen wijn en de whisky waarmee hij die had weggespoeld. Hij had de nasmaak van verschaalde drank nog in zijn mond en had een houten kop.
Hij had niet goed geslapen. Hij had lange tijd liggen woelen en geprobeerd de slaap te vatten. Tevergeefs. Zijn gedachten hadden onweerstaanbaar kringetjes gedraaid en alle gebeurtenissen verwerkt. Ten slotte had hij het opgegeven. Was op de verfrommelde lakens gaan zitten, had het licht aangedaan en tot ver na vijf uur in de ochtend zitten drinken.
De gezichten van de drie mannen die hij had gedood, hadden hem tot diep in de nacht achtervolgd. Zelfs toen hij de tweede fl es wijn soldaat had gemaakt en was overgestapt op de whisky die hij in zijn garderobekast bewaarde, was zijn geest niet tot rust gekomen.
Als hij niet dacht aan de dingen die hij in Caïro had gedaan, dacht hij aan Zara. Hij dacht aan de korte tijd die ze samen hadden doorgebracht. Dat hij haar in het boekwinkeltje in San Remo had gezien. Hoe ze door de regen waren gerend om te schuilen voor het onweer. De aanraking van haar hand op zijn arm. Haar stevige lichaam dicht bij het zijne. Haar glimlach, haar lach, haar tranen.
Waarom had ze hem gebeld? Hij zag op tegen een gesprek met haar, als ze opnieuw belde. En hij wist dat ze dat zeker zou doen. Stel dat ze hem wilde ontmoeten. Hij wist dat alleen al de klank van haar stem zijn vastbeslotenheid zou ondergraven, dat hij zou toegeven en in een ontmoeting met haar zou instemmen. Dat mocht niet gebeuren.
Ergens was hij blij dat Harry ermee had ingestemd het anker te lichten en de Scimitar elders aan te meren. Zara zou ver weg zijn en zijn gevoelens zouden mettertijd zwakker worden. Het betekende echter ook dat hij haar waarschijnlijk nooit meer zou zien en hij was er momenteel niet zeker van of hij dat kon verdragen.
Hij werd nog steeds door dezelfde onzekerheid gekweld en had een bittere hekel aan zichzelf vanwege zijn slappe houding toen hij de druilerige ochtend in stapte. Hij liep over het erf om zijn lege fl essen in de glasbak te gooien toen hij de stem van Jeff Dekker hoorde, die zijn naam riep.
Hij draaide zich om. ‘Ha, Jeff.’ Zijn stem klonk schor.
Jeff holde naar hem toe. De broek van zijn gevechtspak zat tot de knieën vol modderspatten. ‘Blij dat je terug bent. Neem jij de pistoolschuttersgroep van elf uur?’ Hij keek naar de lege flessen en toen aandachtiger naar Bens gezicht. ‘Jezus, man. Je ziet er…’
‘…belabberd uit. Zoals iedereen maar blijft zeggen.’
‘Alles goed?’
‘Ik moet alleen mijn gedachten op een rijtje zetten. Ik dacht erover een eind te gaan rennen.’
‘Je ziet er meer uit alsof je rust nodig hebt.’
‘Ik ben het rusten zat. Rennen zal me ontspannen. Luister, als er iemand voor me belt…’
‘Zoals Zara bijvoorbeeld?’ Jeff grinnikte.
‘Doe me een lol. Jij ook al?’
‘Ze klonk opwindend. Wil je me iets vertellen, Ben?’
Ben zuchtte. ‘Ja. Bemoei je verdomme met je eigen zaken.’
‘Ze belt gegarandeerd nog een keer,’ zei Jeff. ‘Je kunt haar niet eeuwig afpoeieren.’
‘Ik wil niet met haar praten. Vertel haar maar wat je wilt. Ik ben weggegaan en kluizenaar geworden, oké?’
‘Als ze hierheen wil komen, zal ik haar niet tegenhouden,’ zei Jeff . ‘Ík ben geen kluizenaar.’
‘Hou toch op, Jeff.’ Ben liep naar de glasbak en gooide de fl essen er een voor een in. Hij floot Storm. De Duitse herder rende uit een van de schuren, stopte plotseling, strak en waaks, en kwam naar hem toe.
Ben liet zijn vingers door de dichte vacht van de hond glijden. ‘Kom mee, jongen. We gaan rennen en zetten de hele zooi van ons af.’
Twee uitputtende uren later, toen de motregen overging in een stortbui boven Le Val, kwam Ben verfomfaaid en doorweekt terug. Storm schudde zich op het erf uit en draafde naar zijn kennel. Ben liep naar het huis en ging de keuken binnen.
Jeff Dekker en de zes man sterke groep voor de cursus Tegenaanval zaten te lunchen aan de lange tafel. Jeff trakteerde hen juist op een grappige anekdote toen Ben binnenkwam. Hoofden werden omgedraaid. ‘Jongens, dit is Ben Hope,’ zei Jeff, zijn verhaal onderbrekend. ‘Kom erbij zitten, Ben. Ik vertelde ze juist over die keer dat –’
‘Leuk jullie te ontmoeten,’ viel Ben hem in de rede. ‘Smakelijk eten. Misschien zie ik jullie later.’ Het regenwater droop op de plavuizen toen hij naar het wijnrek liep en een fles pakte, een koude kippenpoot van de schaal in het midden van de tafel griste en naar de deur liep. Het was stil geworden in de keuken en hij voelde dat alle ogen op hem gericht waren, maar het boeide hem niet. Hij stapte de deur uit en liep naar zijn kamer.
Boven aangekomen legde hij de kippenpoot op zijn bureau en zette de fles ernaast. Hij trok zijn natte kleren uit en gooide ze op een hoop op de grond om een douche te gaan nemen. Hij bleef er lange tijd onder staan en zette hem zo heet als hij kon verdragen. Daarna droogde hij zich af en trok een spijkerbroek en een oude trui aan. Hij liet zich op de bank vallen, nam af en toe een hap koude kip en dronk wijn uit de fles. Zijn stemming werd er niet veel beter door.
Hij dacht er juist over naar beneden te gaan om nog wat Laphroaig uit de kelder te halen, toen zijn telefoon ging in zijn zak. Hij haalde hem eruit en zijn duim bleef even boven de toets hangen voordat hij besloot niet op te nemen. Hij bleef hardnekkig gaan tot zijn voice-mail werd ingeschakeld en zweeg toen.
Godvergeten lafb ek, tierde hij tegen zichzelf. Misschien was ze het niet eens. Neem je je telefoon voortaan nooit meer op?
Even later ging hij opnieuw. Hij haalde diep adem en nam na twee keer op.
Hij had een voicemailbericht. Van Zara.
Haar stem klonk zacht en bedeesd. ‘Ben, met mij. Waar ben je? Ik heb zo vaak gebeld.’ Een stilte. ‘Er zijn dingen waarover ik met je moet praten. Belangrijke dingen. Bel me gauw terug, ja?’ Opnieuw stilte. ‘Ik hou van je. Ik mis je.’
Toen klonk de computerstem van de voicemail weer in zijn oor. ‘Om dit bericht nogmaals te beluisteren, toets 1…’
Hij kon het niet over zijn hart krijgen het bericht te wissen. Hij beluisterde het nogmaals, besloot haar terug te bellen. Barst maar.
Hij wilde haar juist bellen toen er op de deur werd gebonsd en Jeff binnenkwam, die met zijn armen over elkaar voor hem ging staan.
‘Wat was dat nou allemaal?’ vroeg hij.
Ben keek hem met nietsziende ogen aan.
‘Jezus, Ben. Wat bezielt je? Zoals je je gedroeg tegenover die mensen.’
‘Het zijn oud-soldaten, Jeff, geen stelletje maatschappelijk werkers.’
‘Het zijn onze cliënten. Ben. Dat zijn ze. Weet je nog, dat bedrijf dat je vroeger leidde?’
Ben antwoordde niet.
‘Ik heb je nooit eerder zo meegemaakt, man,’ zei Jeff. ‘Ik weet verdomme niet waar je mee bezig bent, maar kap er verdorie zo snel mogelijk mee.’
Ben zuchtte slechts en keek naar zijn voeten.
Jeff keek hem nog een ogenblik dreigend aan, liep toen de kamer uit en smeet de deur achter zich dicht.