2 METAMORFOSE EN DICHTERSCHAP
DE HOEDER DER METAMORFOSEN
De betekenis van het begrip mimesis - zoveel is na mijn hinkstapsprong door de ideeëngeschiedenis wel duidelijk - reikt veel verder dan de kunsttheorie. Het heeft een filosofische en antropologische achtergrond, die misschien ook enig licht kan werpen op het fenomeen van de gedaanteverwisseling zoals we dat kennen uit de oudste verhalen van de mensheid.
Het is voornamelijk de platoonse rationalisering geweest die de mimesis van haar mythische wortels - en daarmee van de metamorfose - heeft losgesneden, en gebanaliseerd tot oppervlakkige nabootsing, tot tweede- of derdehands kennis. Pas sinds de Romantiek ontwikkelt zich een nieuwe visie, in de context waarvan ook de idee van de gedaanteverwisseling weer opduikt.
Benjamin en Adorno grijpen terug naar de archaïsche oorsprongen van het mimetisch gedrag en proberen te schetsen welke betekenis het voor de ontwikkeling van de beschaving kan hebben gehad.
In die context kan ook Canetti’s interesse voor het mimetisch gedrag dat hij ‘Verwandlung’ noemt worden geplaatst. Maar anders dan Benjamin en Adorno ontwikkelt hij daaruit geen taalfilosofische of kunsttheoretische hypothesen. Zijn interesse voor het verschijnsel lijkt voornamelijk antropologisch, maar zij wordt gemotiveerd door iets anders, zoals zal blijken.
In Die Provinz des Menschen zegt hij ergens, sprekend over zijn onverzadigbare interesse voor alles wat met het leven van primitieve volkeren te maken heeft: ‘Als dichter is de mens begonnen, wanneer hij ook begon, en als dichter is hij sindsdien onbeduidender geworden.’ Dat ruikt een beetje naar de idealisering van de Edele Wilde zoals de achttiende eeuw die kende, en het past niet erg in het huidige denken over poëzie en literatuur. Weliswaar is het beeld van de dichter als een soort sjamaan niet onbekend, maar zulke ideeën zijn toch betrekkelijk marginaal in de literaire discussies over poëzie. Wanneer hij in het essay ‘Der Beruf des Dichters’ de dichter een ‘Hüter der Verwandlungen’ noemt gaat het hem dan ook niet in de eerste plaats om het dichterschap in de literaire zin.
In de dichter als literair specialist, als ‘ingenieur’, als bouwer van ‘taalmachientjes’, is Canetti niet geïnteresseerd. Zelf is hij als schrijver het tegendeel van een literair specialist: hij voltooide om te beginnen een chemiestudie, schreef enkele toneelstukken en één - formidabele - roman, om zich vervolgens twintig jaar lang te wijden aan de studie die resulteerde in Masse und Macht, een boek dat zich aan alle categoriseringen lijkt te onttrekken. Sindsdien schreef hij nog een heel oeuvre bijeen dat nauwelijks fictie in de gebruikelijke zin van het woord bevat. Hij is, kortom, een typische vertegenwoordiger van wat Peter Sloterdijk, geïnspireerd door Nietzsche, ‘Centaurische Literatur’ heeft genoemd: een literatuur die zich niet in het literaire ambacht laat opsluiten, maar waarin de grenzen van kunst, wetenschap en filosofie voortdurend worden overschreden.
En juist dat maakt zijn visie op de dichter als een ‘hoeder van de metamorfosen’ in mijn ogen belangwekkend: hij plaatst het dichterschap in een breder perspectief dan dat van het literaire. In het bovengenoemd essay - een rede uit 1976 - neemt hij de twijfelachtig geworden status van het woord ‘dichter’ als uitgangspunt: het is een min of meer verdacht woord geworden, constateert hij, dat eerder spot en hoon uitlokt dan respect inboezemt. Maar degenen die afstand van dat woord namen werden volgens Canetti minder gedreven door een prijzenswaardige bescheidenheid en een ernstige bezinning op de betekenis en de verantwoordelijkheid van het dichterschap dan door de angst, niet meer ‘bij de tijd’ te zijn.
En het gaat hem hier juist om die verantwoordelijkheid - die, zoals in alle specialismen, steeds meer zoek dreigt te raken in allerlei geleerde theorievorming. Hij neemt het dichterschap, en de verantwoordelijkheid daarvan, zelfs zo hoog op dat hij tot de conclusie komt dat er, gemeten aan de maat van de dichters die de mensheid haar mythen schonken, tegenwoordig helemaal geen dichters meer zijn. Hij neemt het woord dichter dus in een zeer ruime, bijna archaïsche betekenis. Voor hem is de mythe de maatgevende dichterlijke schepping.
Van daaruit komt hij tot zijn omschrijving van de (ideale) dichter als een hoeder van de metamorfosen. In twee betekenissen: ten eerste moet hij zich het literaire erfdeel van de mensheid (dat wil vooral zeggen: de mythen) eigen maken, en ten tweede moet hij deze gave ook benutten in zijn eigen wereld en zijn eigen tijd.
Wat het eerste betreft noemt hij als maatgevende werken de Odyssee, en de Metamorfosen van Ovidius. Maar ook het Sumerische Gilgamesj-epos, dat diepe indruk op hem maakte, en in het algemeen de mythen van alle culturen, die hij voor de moderne mens een erfenis van onschatbare waarde acht: ‘de eigenlijke bewaring en de verrijzenis daarvan in ons leven is de zaak van de dichters’.
Op het tweede legt hij zo mogelijk nog sterker de nadruk: in een wereld die steeds meer gespecialiseerd wordt, en in alle geledingen steeds eenzijdiger ingericht is op productie, een wereld die hij ‘die verblendetste aller Welten’ noemt, acht hij het van kardinaal belang dat er mensen zijn die de gave van de Verwandlung blijven gebruiken. Dat is de taak van de dichter: ‘Zij zouden, dank zij een gave die ooit algemeen was, en nu tot atrofie is gedoemd, maar die ze met alle mogelijke middelen moeten vasthouden, de kanalen tussen de mensen open moeten houden.’
En aangezien steeds meer mensen nauwelijks meer bij machte zijn zich werkelijk uit te drukken in woorden, omdat ze zich bedienen van de taal van kranten en andere massamedia, is een open oor voor wat mensen zeggen al niet meer voldoende: ‘Alleen door gedaanteverwisseling in de extreme zin waarin het woord hier wordt gebruikt zou het mogelijk zijn te voelen wat een mens achter zijn woorden is; het werkelijke bestand van wat er aan levends is zou op geen enkele andere manier zijn op te maken.’
Dat zijn radicale, en nogal dramatische woorden. Zeker voor een schrijver: het is de erkenning dat ook een dichter, en juist een dichter, niet genoeg heeft aan woorden. Wat hem, in de ogen van Canetti, pas tot dichter maakt is niet zijn woord, maar zijn vermogen tot Verwandlung.
Maar wat verstaat hij daar precies onder? Men heeft, zegt hij, dit proces wel ‘inleving’ of ‘empathie’ genoemd, maar hij houdt liever vast aan de term Verwandlung. Het is kenmerkend voor Canetti dat hij zulke psychologische termen mijdt: hij geeft de voorkeur aan een krachtiger term, waarin iets van het wonderlijke bewaard blijft. Hij is niet uit op verklaringen - hij neemt het verschijnsel liefst zo letterlijk mogelijk, als een ingrijpende verandering die, ook al is die niet uiterlijk zichtbaar, correspondeert met een andere werkelijkheid, een andere ervaring.
Het is duidelijk dat hij in zijn opvatting van de ‘Verwandlung’ aansluiting zoekt bij de mythen, en de wereld van het mythisch denken. Maar het gaat hem daarbij niet alleen om wonderbaarlijke metamorfosen, zoals die van Proteus, maar ook om begrijpelijker veranderingen zoals de vermomming van Odysseus als bedelaar bij zijn thuiskomst. Of een ingrijpende verandering in leefpatronen: zo omschrijft hij de verandering, in het Gilgamesj-epos, van Enkidu, de natuurmens (half mens, half stier) in een cultuurmens ook als een Verwandlung. Het gaat dus om de actieve verandering van de ene levensvorm in de andere, waarbij de werkelijkheid van het andere ervaren wordt als iets wat toegankelijk is.
Door zijn gedaanteverwisselingen verwerft de dichter zich een weten, maar het is een weten dat nergens toe dienen mag, dat niet ondergeschikt gemaakt mag worden aan enig doel. In zichzelf plaats te maken voor het andere, en de ander: dat is waar het op aankomt. De dichter stort zich daarmee in zekere zin in de chaos, omdat hij zijn objecten niet bewust kiest, maar zich door een onverklaarbare honger laat leiden. Het is eigenlijk een vorm van verslinden, zoals Canetti het voorstelt. Maar de dichter voelt zich ook verantwoordelijk voor het leven dat hij zo in zich opneemt, en het vergroot zijn weerstand tegen de dood.
Interessant is wat Canetti in dit verband over de kracht van mythen zegt, en over het misbruik dat er in politiek en wetenschap van gemaakt is. Daardoor, zegt hij, heeft het woord mythe een negatieve lading gekregen. Maar het wezenlijke ervan is de gedaanteverwisseling die erin beoefend wordt: ‘Die is het, waardoor de mens zichzelf heeft geschapen. Daardoor heeft hij zich de wereld eigen gemaakt, daardoor heeft hij deel aan haar; dat hij aan de gedaanteverwisseling zijn macht dankt kunnen we wel inzien, maar hij heeft er iets beters aan te danken, hij dankt er zijn mededogen aan.’
De verantwoordelijkheid die hij voelt, wordt gevoed door dit mededogen: wie zich niet kan inleven in de wereld om zich heen is niet in staat zich verantwoordelijk te voelen voor een wereld die vernietigd wordt. Het gaat er uiteindelijk om, zich tegen die vernietiging, en tegen de dood te weer te stellen. ‘Het zal zijn trots zijn,’ zegt Canetti over zijn ideale dichter, ‘de afgezanten van het Niets, die in de literatuur steeds talrijker worden, te weerstaan en ze met andere middelen dan de hunne te bestrijden.’ Verantwoordelijkheid, mededogen... Het is een koud kunstje je op postmoderne wijze vrolijk te maken over een dergelijke massieve ernst, die in de literatuur langzamerhand zeldzaam is geworden. Waar ieder spoor van ironie ontbreekt voelen veel literaire specialisten zich van de weeromstuit gedwongen daar zelf ironisch over te doen. Maar in deze ernst zit misschien meer beweeglijkheid dan in de schijnbewegingen van een ironie die meestal vervluchtigt in tot niets verplichtende geestigheden.
Canetti is een outsider in de literatuur, inderdaad, maar een van wie wel iets valt op te steken. Bijvoorbeeld dat de wortels van een werkelijk dichterschap, van een levende literatuur, niets ‘literairs’ hebben. Zijn apologie van het mimetisch vermogen - want dat is het, ook al noemt Canetti het ‘die Gabe der Verwandlung’ - staat lijnrecht tegenover Plato’s depreciatie ervan. En dat is des te opmerkelijker omdat Canetti’s betoog, net als dat van Plato, zo duidelijk ethisch (en niet esthetisch) geïnspireerd is.
Deze beweeglijkheid van de geest, die ‘vloeibaarheid’ ervan die het mogelijk maakt andere levensvormen in zich op te nemen, is voor Canetti een levensnoodzaak en heeft een belangrijke sociale betekenis, die door Plato volstrekt genegeerd wordt. Juist die grote beweeglijkheid van de geest, die Plato gevaarlijk achtte (omdat ze zijn doelen niet dient), maakt zoiets als solidariteit tussen mensen mogelijk, volgens Canetti.
De samenleving die we nu kennen, volledig gericht op rationele productie door specialisatie, komt in elk geval daarin aardig met Plato’s ideale staat overeen dat ze dit mimetisch gedrag systematisch uitbant. (Het is niet eens nodig gebleken de dichters weg te sturen: ook ‘cultuur’ is een gespecialiseerd bedrijf geworden, en als literaire specialisten zijn ze volstrekt ongevaarlijk.)
Canetti is ook Plato’s tegenpool voorzover zijn hele denken gekenmerkt wordt door een afkeer van abstracties en theorieën. ‘Een van de meest angstaanjagende verschijnselen in de geschiedenis van de menselijke geest is het ontwijken van het concrete,’ aldus Canetti in het essay ‘Macht und überleben’. ‘Er bestaat een opvallende neiging om het eerst af te gaan op wat het verste weg ligt en aan alles voorbij te zien waar wij in onze directe omgeving voortdurend op stuiten.’ Waar Plato, uitgaande van het eeuwige, onveranderlijke Zijn van de idee, de mimesis tot schijn-van-de-schijn reduceerde, ligt Canetti’s uitgangspunt juist in de veranderlijke veelvormigheid van het zijnde: hij denkt niet over, maar vanuit de verschijnselen, die pas door mimesis toegankelijk en begrijpelijk worden. Hij maakt duidelijk dat dat mimetisch vermogen niet zozeer een kwestie van techniek is, geen virtuoze imitatie, maar een wezenlijke verandering, een overgang in een andere zijnswijze - en in dit opzicht is zijn vasthouden aan de term ‘Verwandlung’ betekenisvol en vruchtbaar. Het mimetisch vermogen, opgevat als ‘Verwandlung’, is voor hem de mogelijkheid, het eigen zijn in te zetten om andere zijnswijzen te verstaan en in zich op te nemen.
In plaats van zich intellectueel te identificeren met het eeuwige Zijn van de Idee (of met minder eeuwige, maar niet minder dwingende categorieën van het theoretisch denken), waarmee men zich afgrenst tegen de wereld van de verschijnselen om die vanuit de ‘hoogte’ van de abstractie te ordenen en te beheersen, betekent de Verwandlung juist een identificatie (en een ‘solidarisering’) met de wereld van de verschijnselen. Dat veronderstelt een wezenlijke inzet van het eigen zijn. En daarin schuilt het kardinale verschil met een rationele benaderingswijze van de dingen, die een dergelijk parti pris, een dergelijke ‘besmetting’ met het andere, nu juist verbiedt. (Dit is wat Adorno ‘het mimetisch taboe’ noemde.)
In zijn kritiek op de moderne samenleving sluit Canetti’s betoog min of meer aan bij Adorno’s visie op de rationalisering als een verstijving, een verstarring, een doodmaken van het object - om het manipuleerbaar te maken - terwijl dat object voor het mimetisch vermogen nog toegankelijk was.
Wat Canetti betreft is het dat nog steeds. In dat opzicht verschilt hij radicaal van Adorno en neemt hij een opzettelijk ‘naïef’ standpunt in. Waar Adorno denkt in termen van objectieve historische ontwikkelingen, maatschappelijke verhoudingen, et cetera, blijft Canetti halsstarrig uitgaan van zijn persoonlijke ervaringen en idiosyncrasieën.
Misschien is dat, meer dan wat ook, wat de kunstenaar onderscheidt van de theoreticus: deze moed tot naïveteit, die niets anders is dan de koppige wil om ‘bij het begin te beginnen’, om van de ervaring uit te gaan. Anders dan Adorno, en vrijwel alle gespecialiseerde denkers, weigert Canetti hardnekkig zich uit te leveren aan het abstracte geweld van de theorie en juist daarin ligt naar mijn idee zijn bijzondere betekenis als schrijver. Want ook het denken is tot een specialisme verworden dat in zijn eigen maniërismen gevangenzit, en het kan mogelijkerwijs veel leren van eigenwijze, a-theoretische denkers als Gombrowicz, Valéry en Canetti.
Theoretisch kunnen zij naïef lijken, en inconsistent, maar dat is wellicht niet meer dan een theoretisch vooroordeel: de consistentie van hun denken ligt niet op het niveau van argumenten en redeneringen, maar in de urgentie van bepaalde ervaringen waaraan zij hardnekkig trouw blijven.
De manier waarop Canetti zijn ideeën over Verwandlung inzet als een pleidooi voor een fundamenteel andere zijnswijze, tegenover die van het manipulatieve, rationele denken, maakt nog eens duidelijk wat er feitelijk op het spel staat: de mogelijkheid en het bestaansrecht van een levenshouding die niet in het teken staat van zelfhandhaving, productie en exploitatie van de natuur, maar van participatie en van ontvankelijkheid voor het andere. En dat lijkt me inderdaad wezenlijker voor het dichterschap dan alles wat de literatuurtheorie te berde kan brengen: het is de voorwaarde sine qua non van alle poëzie.