6

 

 

Ter Balkt, op zijn beurt, schrijft een poëzie die noch met die van Ouwens, noch met die van Ponge iets van doen lijkt te hebben. Het merkwaardige van zijn poëzie is juist dat zij voortkomt uit een vanzelfsprekend lyrisch engagement met de wereld van mensen en dingen, een houding die even scherp afsteekt tegen de vervreemding van Ouwens als tegen de verkennende beschrijvingen van Ponge.

 

Wie zijn werk leest kan zich zelfs afvragen wat de waarde is van een algemene constatering als zouden wij van de dingen en van de natuur vervreemd zijn: in Ter Balkts poëzie is van zo’n vervreemding weinig te merken. Een reden temeer om op je hoede te zijn voor generaliserende beschouwingen over historische ontwikkelingen in de poëzie.

 

In Ter Balkts werk spelen de dingen, net als bij Ponge, een grote rol. Maar op een volkomen andere manier. Niet vanuit een kritisch nulpunt, een ‘filosofie van de betekenisloosheid van de dingen’, maar integendeel vanuit een vertrouwdheid die, als je dat zo zeggen kunt, eenvoudig geen scheiding tussen woorden en dingen, of tussen binnen- en buitenwereld toelaat.

 

De eenheid, de zin en de samenhang der dingen, die in Ouwens’ bundel Droom gekarakteriseerd worden als een metafysische roes waaruit de dichter is ontwaakt, is bij Ter Balkt onverkort van kracht. Maar alweer: op een totaal andere manier. Niet als een metafysische roes, maar als zijn poëtisch credo.

 

Dat heeft wellicht iets te maken met zijn afkomst uit een boerenmilieu waarin nog heel anders met de natuur werd omgegaan. Maar het heeft ook te maken met een ander dichterlijk uitgangspunt, met een dichterschap dat zijn wortels heeft in andere, en oudere tradities, en meer geörienteerd is op het beeld en de verbeelding dan op een kritische reflectie op de taal, of op de relatie tussen woorden en dingen.

 

Niettemin heeft Ter Balkt ook gedichten geschreven die dicht in de buurt lijken te komen van die van Ponge. Neem bijvoorbeeld dit, uit Groenboek:

 

 

    HET MOS I

Brieven, mosgroen gekregen,
zwart geschreven, in regens
gelezen, zo wandelt en rust
zo spreekt en zwijgt het mos.

En als je het mos zou lezen
zijn fijne schrift, helder en los,
als je het mos zou begrijpen, dan
zou je lezen:
Ik ben het mos.

 

 

Het is vooral het gebruik van de metaforen van spreken, lezen en schrijven in dit simpele gedichtje over mos, dat aan Ponge doet denken - de manier waarop de wereld van de woorden en die van dingen hier met elkaar verweven worden.

 

 

Het mos schrijft zichzelf. Het deelt zich mee: Ik ben het mos. Hier noemt een ding zijn naam - waarin het tegelijkertijd ‘spreekt en zwijgt’. Het is niets anders dan wat het is, in de naam ligt alles besloten, en daarin deelt het zich mee.

 

Aan wie? Aan de mens, volgens Benjamin. En hij voegt er uitdrukkelijk aan toe: ‘Das ist kein Anthropomorphismus.’ Dat wil zeggen: geen naïeveteit, geen projectie, geen symbolisme. Dat de dingen zich aan de mens meedelen, dat er een taal van de dingen bestaat, is niet zomaar een metafoor: het blijkt volgens hem uit de kennis, en misschien uit de kunst. Helaas is Benjamin te vroeg gestorven: van het werk van Ponge heeft hij geen kennis meer kunnen nemen. Anders had hij wellicht het onderscheid dat hij hier maakt, en zijn aarzeling met betrekking tot de kunst, nog herzien.

 

Toch bedient zelfs Ponge, die voortdurend het eigene van de dingen probeert te betrappen, zich regelmatig van antropomorfe beelden en uitdrukkingen - en in nog veel sterkere mate dan Ponge drukt Ter Balkt zich antropomorf uit, zoals ik heb laten zien. Maar dat gebeurt niet meer in het kader van een antropocentrisch wereldbeeld. Het is alleen een erkenning van de mededeelzaamheid van de dingen. De erkenning van de wereld als een taal die de onze kan verrijken.

 

 

Tussen het werk van Ponge en dat van Ter Balkt bestaat natuurlijk een wereld van verschil. En zo hoort het ook, want hoe onpersoonlijk poëzie ook zijn wil, zij blijft spreken met evenveel tongen als er dichters zijn. Het zoekende, haast methodische karakter van Ponges beschrijvingen is het werk van de Nederlandse dichter vreemd. Naast de grillige, beeldenrijke poëzie van Ter Balkt valt vooral op hoezeer Ponges werk in een (typisch Franse) intellectualistische traditie staat. De haast analytische manier waarop de Fransman met woorden omgaat verschilt hemelsbreed van de weerbarstige, associatieve lyriek van de Nederlander.

 

Maar hoe onvergelijkbaar hun werk ook is, ondanks die enorme verschillen hebben ze iets gemeen dat naar mijn idee rechtstreeks verband houdt met hun blik op de dingen: beiden zijn op hun eigen manier ook moralist. Hun aandacht voor de dingen is ook een vorm van kritiek op het antropocentrische en narcistische denken dat veel kunst en literatuur nog beheerst.

 

Het is in het huidige poëzieklimaat geloof ik niet erg gebruikelijk om veel aandacht aan dit soort zaken te schenken. En zeker niet als het woord ‘moraal’ op de loer ligt. Poëzie wordt vrijwel alleen met andere poëzie in verband gebracht, een nauwkeurige interpretatie ervan wordt meestal overgelaten aan de literatuurwetenschap, en of de visies en opvattingen die daarin aan het licht komen misschien ook diepgaander implicaties hebben - daar lijkt haast niemand echt nieuwsgierig naar. Alsof het alleen maar gaat om een subtiel spel met woorden.

 

Maar natuurlijk is geen enkele dichter die die naam waard is alleen met woorden bezig. Is de nadruk op de taal, op het ambachtelijke, en op het esthetisch effect van de woorden, die in zoveel poëziebesprekingen opvalt, niet ook een gevolg van die autonomie-idee? En loopt de poëzie niet het risico, op die manier te verworden tot een specialisme dat, als alle specialismen, zijn eigen tics, zijn eigen rituelen en zijn eigen ‘waarden’ ontwikkelt? Voor je het weet zijn alle oordelen afgevlakt tot smaakoordelen en fungeert de esthetische ontroering alleen nog als het schaamlapje dat een gebrek aan werkelijk gevoel en werkelijke betrokkenheid moet verhullen. Mooi of niet mooi: dat is de dood in de pot - voor de poëzie zo goed als voor alle kunsten.

 

Zoals ik al zei: het gaat mij hier niet in de eerste plaats om de poëzie, maar om wat poëzie zichtbaar maakt. De manier waarop de wereld zich in de woorden spiegelt maakt zichtbaar hoe een dichter ernaar kijkt en zich erin beweegt. ‘Toute esthétique contient une éthique,’ zei Jean Genet ooit in een interview in Magazine Littéraire, en dat geldt zeker ook als het om de relatie tussen woorden en dingen gaat.

 

Dat dat bij Ponge leidde tot een destructie van het gedicht, en bij Ter Balkt tot een kritische houding tegenover kunst en literatuur als autonome waarden, is geen toeval. Het zegt iets over de inzet van hun werk: het zoekt niet zichzelf, maar formuleert een verstandhouding met de wereld. Met het zintuig van de formulering registreert de dichter hoe de dingen hem aanspreken. En als er één punt van overeenkomst is tussen deze drie totaal verschillende dichters dan ligt dat misschien hierin, dat de zelfgenoegzaamheid van een poëzie die de wereld enkel gebruikt als voorwendsel, als een spiegel waarin zij zichzelf bewondert, hun alle drie vreemd is.
De Jacht Op Proteus
titlepage.xhtml
proteus(800x600)_split_0.htm
proteus(800x600)_split_1.htm
proteus(800x600)_split_2.htm
proteus(800x600)_split_3.htm
proteus(800x600)_split_4.htm
proteus(800x600)_split_5.htm
proteus(800x600)_split_6.htm
proteus(800x600)_split_7.htm
proteus(800x600)_split_8.htm
proteus(800x600)_split_9.htm
proteus(800x600)_split_10.htm
proteus(800x600)_split_11.htm
proteus(800x600)_split_12.htm
proteus(800x600)_split_13.htm
proteus(800x600)_split_14.htm
proteus(800x600)_split_15.htm
proteus(800x600)_split_16.htm
proteus(800x600)_split_17.htm
proteus(800x600)_split_18.htm
proteus(800x600)_split_19.htm
proteus(800x600)_split_20.htm
proteus(800x600)_split_21.htm
proteus(800x600)_split_22.htm
proteus(800x600)_split_23.htm
proteus(800x600)_split_24.htm
proteus(800x600)_split_25.htm
proteus(800x600)_split_26.htm
proteus(800x600)_split_27.htm
proteus(800x600)_split_28.htm
proteus(800x600)_split_29.htm
proteus(800x600)_split_30.htm
proteus(800x600)_split_31.htm
proteus(800x600)_split_32.htm
proteus(800x600)_split_33.htm
proteus(800x600)_split_34.htm
proteus(800x600)_split_35.htm
proteus(800x600)_split_36.htm
proteus(800x600)_split_37.htm
proteus(800x600)_split_38.htm
proteus(800x600)_split_39.htm
proteus(800x600)_split_40.htm
proteus(800x600)_split_41.htm
proteus(800x600)_split_42.htm
proteus(800x600)_split_43.htm
proteus(800x600)_split_44.htm
proteus(800x600)_split_45.htm
proteus(800x600)_split_46.htm
proteus(800x600)_split_47.htm
proteus(800x600)_split_48.htm
proteus(800x600)_split_49.htm
proteus(800x600)_split_50.htm
proteus(800x600)_split_51.htm
proteus(800x600)_split_52.htm
proteus(800x600)_split_53.htm
proteus(800x600)_split_54.htm
proteus(800x600)_split_55.htm
proteus(800x600)_split_56.htm
proteus(800x600)_split_57.htm
proteus(800x600)_split_58.htm
proteus(800x600)_split_59.htm
proteus(800x600)_split_60.htm
proteus(800x600)_split_61.htm
proteus(800x600)_split_62.htm
proteus(800x600)_split_63.htm